ECLI:NL:RBOBR:2026:1310

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
01-880027-17 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugslabproductie deels toegewezen

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 4 februari 2026 de ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet door betrokkenheid bij een drugslab voor synthetische harddrugs. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie betrof een bedrag van €657.214,70, gebaseerd op een rapport over het drugslab.

De verdediging verzocht primair om aanhouding van de zaak tot het onherroepelijk worden van het arrest in de hoofdzaak en subsidiair om een lagere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €7.000, gebaseerd op de verklaring van de veroordeelde. Tevens werd een matiging gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn en een beroep gedaan op ontbrekende draagkracht.

De rechtbank oordeelde dat het ontnemingsrapport onvoldoende aanknopingspunten bood om het voordeel realistisch toe te rekenen aan de veroordeelde, mede vanwege onbekende derden en het ontbreken van onderzoek naar onverklaarbaar vermogen. De verklaring van de veroordeelde werd als uitgangspunt genomen, waarbij het voordeel werd vastgesteld op €7.000. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar en negen maanden werd het bedrag met 25% gematigd tot €5.250. Het draagkrachtverweer werd verworpen omdat geen aannemelijke onvermogen was gebleken. De rechtbank legde de betalingsverplichting van €5.250 op en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 52 dagen.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €5.250 op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel na matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-880027-17 (ontneming)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats]
hierna: veroordeelde.

1.Het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek in de ontnemingszaak is gehouden op de terechtzitting van 4 februari 2026.
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een standpuntwisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de volgende stukken:
  • het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 2 januari 2018;
  • het standpunt van de officier van justitie van 10 augustus 2018;
  • het aanvullende standpunt van de officier van justitie van 19 juli 2024;
  • het standpunt van de raadsman van 14 maart 2025;
  • de reactie van de officier van justitie van 1 april 2025;
  • de conclusie van antwoord van de raadsman van 7 oktober 2025, onder andere inhoudende een aanhoudingsverzoek;
  • de reactie van de officier van justitie van 6 november 2025.
De rechtbank heeft ter terechtzitting kennisgenomen van de nadere standpunten van de officier van justitie mr. H.A.A. Vrijhoeven en van de raadsman van de veroordeelde mr. J. van Wijk.

2.De vordering.

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel schat en vaststelt op een bedrag van € 657.214,70 en aan de veroordeelde de hoofdelijke verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
3. De standpunten.
3.1
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht het aanhoudingsverzoek van de verdediging af te wijzen, gelet op de samenhang van de ontnemingsvorderingen in dit onderzoek. Het is wegens het lange tijdsverloop in het belang van alle partijen dat de zaak wordt afgedaan.
Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 65.721,47. Dit betreft tien procent van het oorspronkelijke bedrag zoals opgenomen in het hiervoor genoemde ontnemingsrapport. Dit percentage is passend bij veroordeelde omdat hij bij het drugslab - zoals blijkt uit het vonnis - een grotere rol heeft gehad dan veroordeelden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ten slotte heeft de officier van justitie verzocht af te zien
de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.
3.2
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair verzocht de behandeling van de ontnemingsvordering aan te houden totdat in de hoofdzaak arrest is gewezen en onherroepelijk is geworden. Hiervoor dient eerst het arrest van het Gerechtshof te worden afgewacht. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, namelijk € 7.000. Dit bedrag blijkt uit de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting en is gelet op zijn rol in het geheel ook aannemelijk. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat de berekening van de hoogte van de ontnemingsvordering en de hiervoor gehanteerde hoeveelheden niet kloppen. Ook heeft de raadsman gesteld dat de schatting van 10 procent die door de officier van justitie ter terechtzitting wordt gedaan, nergens op is gebaseerd en niet is onderbouwd. Ten slotte heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de ontbrekende draagkracht van veroordeelde.

4.De beoordeling van de vordering.

4.1
De grondslag van de vordering.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 21 juni 2018 veroordeeld voor
het medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, begaan in eendaadse samenloop met het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, beiden gepleegd in de periode van 1 mei 2017 tot en met 10 juni 2017.
De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking voornoemde bewezenverklaarde feiten.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit dan wel soortgelijke feiten dan wel andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
4.2
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is op grond van voornoemd vonnis en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van en/of uit de baten van de feiten ter zake waarvan veroordeelde is veroordeeld.
Veroordeelde heeft in een drugslab synthetische harddrugs geproduceerd en heeft voorbereidingshandelingen verricht voor het bereiden, bewerken of verwerken van amfetamine en/of MDMA. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor het verrichten van dergelijke werkzaamheden, onder meer gezien de daaraan verbonden (strafrechtelijke) risico’s, een (aanzienlijke) financiële beloning wordt gegeven. Dát veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, staat naar het oordeel van de rechtbank daarmee vast.
De rechtbank zal vervolgens de hoogte van dit voordeel moeten vaststellen. In dit kader
stelt de rechtbank voorop dat hier sprake is van een ongelijktijdige behandeling van de hoofdstrafzaak en de ontnemingsvordering. Daardoor beschikt de rechtbank niet over het dossier en de bewijsmiddelen waar de bewezenverklaring in onderhavige zaak op is gebaseerd. In de ontnemingsrapportage is bovendien enkel een berekening gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat het drugslaboratorium gegenereerd zou hebben. De rechtbank is van oordeel dat zij enkel op basis van het rapport niet kan vaststellen welk voordeel Nouha (of de overige veroordeelden) hebben genoten. Tevens ontbreekt in het dossier enig onderzoek naar mogelijk onverklaarbaar vermogen van veroordeelde en/of de andere veroordeelden. Dat maakt dat er onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn om vast te kunnen stellen welk deel van de opbrengst ten goede is gekomen aan veroordeelde en welk deel aan de mededaders. De door de officier van justitie ter zitting gedane schatting van tien procent van het totaal gegenereerde voordeel zoals berekend in het ontnemingsrapport, is in het geheel niet onderbouwd en daardoor niet bruikbaar als basis voor een (realistische) schatting van het wederrechtelijk genoten voordeel. Evenmin bestaat aanleiding om te veronderstellen dat veroordeelde en de aangehouden mededaders gezamenlijk geprofiteerd hebben van het gehele voordeel; er zijn ook onbekend gebleven derden betrokken geweest bij de strafbare gedragingen in het aangetroffen drugslaboratorium.
Om die reden zal de rechtbank zelf een schatting moeten maken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Vast staat dat veroordeelde met betrekking tot het drugslab een grotere rol heeft gehad dan zijn mededaders. Zo is hij zelf direct bij de productie van de synthetische drugs betrokken geweest. Bij de schatting zal de rechtbank rekening houden met de verklaring die veroordeelde ter terechtzitting heeft gegeven. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij per bezoek een beloning van € 3.500 heeft ontvangen en dat hij twee keer in het laboratorium is geweest. Daarmee zou hij een beloning van in totaal
€ 7.000 hebben ontvangen. Nu het dossier geen andere duidelijke aanknopingspunten bevat, zal de rechtbank deze verklaring als uitgangspunt nemen omdat die verklaring tenminste enige houvast biedt.
Gelet op voorgaande stelt de rechtbank het door veroordeelde geschatte genoten voordeel vast op: € 7.000,00.
4.3
De redelijke termijn en de draagkracht.
De redelijke termijn.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 22 mei 2018, de datum waarop het Openbaar Ministerie in eerste aanleg kenbaar heeft gemaakt dat er een ontnemingsvordering zou worden ingediend. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf jaren en negen maanden is overschreden. De rechtbank zal hiermee rekening houden door het hierboven vastgestelde bedrag, kijkend naar vergelijkbare jurisprudentie, te matigen met 25 procent. Dat resulteert in een bedrag van (€ 7.000 min 25% =) € 5.250,00.
Draagkracht.
De verdediging heeft bepleit dat de draagkracht van veroordeelde ontbreekt en de betalingsverplichting daardoor op nihil zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het onderzoek ter zitting, noch anderszins, is nu al aannemelijk geworden dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zullen zijn om voormeld bedrag te voldoen. Daarbij merkt de rechtbank op dat tegenover de eerdere toegewezen ontnemingsvordering zeer wezenlijke illegale inkomsten moeten hebben gestaan.
4.4
De verplichting tot betaling.
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen tot een bedrag van
€ 5.250,00 en voor het overige afwijzen.
De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van voormeld bedrag van € 5.250,00 kan aan veroordeelde worden opgelegd.
4.5
Gijzeling.
Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e Sr direct van toepassing geworden. De rechtbank zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd voor de duur van 52 dagen.
4.6
Overige verweren.
De verdediging heeft tevens een aanhoudingsverzoek gedaan en de berekening van het bedrag in de rapportage betwist. De rechtbank laat deze punten buiten beschouwing, gelet op de beslissing die zij ten aanzien van de ontnemingsvordering neemt.

5.Toegepaste wettelijke bepalingen.

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing.

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 7.000,00;
- legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 5.250,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- wijst de vordering van het Openbaar Ministerie voor het overige af;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 52 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 4 maart 2026.