ECLI:NL:RBOBR:2026:131

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
01-134182-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in verkrachtingszaak door gebrek aan bewijs

In de zaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van verkrachting, heeft de rechtbank Oost-Brabant op 20 januari 2026 uitspraak gedaan. De verdachte werd vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, omdat de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om de beschuldigingen te ondersteunen. De aangeefster had verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil in waren uitgevoerd, terwijl de verdachte stelde dat deze met instemming van de aangeefster hadden plaatsgevonden. De rechtbank vond de verklaring van de aangeefster weliswaar concreet en gedetailleerd, maar er ontbrak steunbewijs om haar verklaring te bevestigen. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken vaak alleen de betrokken partijen aanwezig zijn, waardoor het moeilijk is om bewijs te verzamelen. De rechtbank concludeerde dat de verklaringen van de getuigen niet voldoende steun boden voor de stelling dat de verdachte de aangeefster had gedwongen tot seksuele handelingen. Gezien het gebrek aan bewijs werd de verdachte vrijgesproken en werd de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.134182.24
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2025 en 7 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:
op of omstreeks 8 april 2023 te Deurne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft/hebben verdachte en/of diens mededader, meermalen, althans eenmaal,
- zijn, verdachte en/of diens mededader, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of op- en neergaande bewegingen gemaakt en/of
- zijn, verdachte en/of dienst mededader, penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of
- zijn, verdachte en/of diens mededader, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of op- en neergaande bewegingen gemaakt en/of
- zijn, verdachte en/of diens mededader, vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of op- en neergaande bewegingen gemaakt en/of
- met zijn, verdachte en/of dienst mededader, hand(en) de borst(en) en vagina van die [slachtoffer] betast/aangeraakt

het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit het

- op bed duwen van die [slachtoffer] en/of als die [slachtoffer] wilde opstaan op het bed (terug)trekken en/of
- vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer] en/of
- uitdoen van de kleding van die [slachtoffer] en/of
- met zijn, verdachtes of diens mededader, hand(en) de keel/hals van die [slachtoffer] vastpakken en/of dichtknijpen en/of
- vastpakken en/of vasthouden van het hoofd van die [slachtoffer] en/of het aan de haren trekken van die [slachtoffer] en/of
- de kamerdeur op slot doen en/of
- tegen die [slachtoffer] zeggen dat ze moest blijven, althans woorden van soortgelijke dreigende en dwingende strekking en/of
- tezamen met een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) door hun gezamenlijke aanwezigheid een dusdanig overwicht op die [slachtoffer] uitoefenen, dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het tenlastegelegde feit.

De feiten
Verdachte heeft bekend dat een deel van de in de tenlastelegging genoemde gedragingen tussen aangeefster en hem hebben plaatsgevonden. Aangeefster heeft gesteld dat deze handelingen tegen haar wil in hebben plaatsgevonden terwijl verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat die handelingen met instemming en met goedvinden van aangeefster hebben plaatsgevonden.
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijke requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van verkrachting.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van verdachte bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.

Het juridische kader.
De rechtbank acht het allereerst relevant om te wijzen op het feit dat per 1 juli 2024 de wet ten aanzien van zedenzaken gewijzigd is. De verkrachting waarvan verdachte beschuldigd wordt zou hebben plaatsgevonden op 8 april 2023 en valt daarom onder artikel 242 (oud) Sr, zoals dat gold tot 1 juli 2024. Van verkrachting in juridische zin kan dan alleen sprake zijn als het lichaam van een ander seksueel is binnengedrongen met toepassing van dwang. Of er sprake is van dwang hangt af van de (on)vrijwilligheid, (on)vermijdelijkheid en (voorwaardelijk) opzet op de dwang. Dat laatste betekent dat van dwang alleen sprake kan zijn als een verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen diens wil heeft ondergaan. Hieruit vloeit voort dat het voor een verdachte kenbaar moet zijn dat het slachtoffer de handelingen tegen diens wil ondergaat.
De rechtbank stelt verder voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts de betrokken personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader(s). Wanneer dan een veronderstelde dader ontkent dat de seksuele handelingen zonder instemming van het veronderstelde slachtoffer hebben plaatsgevonden, zoals in dit geval, dan leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen de verklaring van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar is.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het is voor een bewezenverklaring noodzakelijk dat er ook ander bewijs is, waaruit kan worden opgemaakt dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het niet nodig is dat in dit type zaken de seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig bevestiging vinden in het andere bewijs. Het is voldoende dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten wel afkomstig zijn van een andere bron dan het veronderstelde slachtoffer.
Van steunbewijs kan sprake zijn als een getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het veronderstelde slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna.
Dit zogenaamde wettelijke bewijsminimum mag niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er daarnaast dus ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer] (hierna: aangeefster) betrouwbaar zijn en tot uitgangspunt kunnen dienen bij de beoordeling van deze zaak en overweegt hiertoe als volgt.
Op 8 april 2023 heeft een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met aangeefster. Vervolgens heeft zij op 14 april 2023 aangifte gedaan dat de in de tenlastelegging genoemde handelingen tegen haar wil in hebben plaatsgevonden.
De rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van aangeefster als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt om als uitgangspunt te kunnen dienen bij de beoordeling van deze zaak. Bij de beoordeling daarvan wordt gekeken of de verklaringen van aangeefster onder meer concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent zijn.
Kijkend naar de inhoud van het proces-verbaal opgemaakt van het informatief gesprek zeden en de daarna afgelegde verklaring van aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat aangeefster concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent heeft verklaard. Ook naar aanleiding van de terechtzitting van 19 december 2025, waar namens aangeefster gebruik is gemaakt van haar spreekrecht, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van de verklaringen van aangeefster.

Het steunbewijs.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beoordelen is of er ook sprake is van voldoende steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Daarbij is van belang dat niet ter discussie staat dat verdachte samen met de medeverdachte in de nacht van 8 april 2023 seks met aangeefster heeft gehad. Alleen over de vraag of aangeefster tot deze seks gedwongen is, staan de verklaringen tegenover elkaar. De rechtbank zal aan de hand van het steunbewijs dat door de officier van justitie in het requisitoir is opgenomen, beoordelen of is voldaan aan het bewijsminimum voor de vraag of sprake is geweest van dwang.
-
Het bij aangeefster aangetroffen letsel
Uit de letselrapportage [1] die op 8 april 2023 is opgemaakt, blijkt dat er bij aangeefster huidverkleuringen en kleine puntbloedingen in de hals en diverse beschadigingen van het slijmvlies rondom de vagina en het maagdenvlies zijn geconstateerd. Over het letsel bij de hals heeft de deskundige aangegeven dat het “mogelijk” past bij het dichtknijpen van de keel, over het letsel bij het slijmvlies heeft de deskundige aangegeven dat het “mogelijk” past bij penetratie met de penis.
Zoals hiervoor al aangegeven, staat niet ter discussie dat er penetratie heeft plaatsgevonden tussen aangeefster en verdachte en/of medeverdachte. Ook over het bij de keel pakken hebben zowel aangeefster als medeverdachte verklaard dat dit is gebeurd: volgens medeverdachte had dat geen negatief, maar seksueel ‘opgewonden’ karakter. Aangeefster heeft verklaard dat zij hiermee door medeverdachte werd gedwongen zijn seksuele handelingen te ondergaan.
De rechtbank neemt aan dat zowel de penetratie als het bij de keel pakken in beide contexten kúnnen voorkomen: met en zonder dwang. De rechtbank kan op basis van het letsel en de rapportage niet vaststellen dat het genoemde letsel is ontstaan door gedwongen (seksueel) handelen van verdachte of zijn medeverdachte.
Uit de rapportage blijkt niet dat het letsel typerend is voor seksueel geweld. Naar het oordeel van de rechtbank is de andere, door verdachte geschetste, context eveneens mogelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kan het aangetroffen letsel de verklaring van aangeefster daarom niet ondersteunen.
-
de verklaringen van [getuigen]
Naar aanleiding van de tegen verdachte gerezen verdenking zijn [getuige 1] en zijn [getuige 2] als getuigen gehoord.
Nadat aangeefster de woning had verlaten, heeft zij [getuige 1] gebeld. [getuige 1] treft aangeefster in de vroege ochtend van 8 april 2023 hevig geëmotioneerd en in paniek aan. Daarna heeft aangeefster hem huilend verteld wat er tussen haar en verdachte en zijn medeverdachte was voorgevallen. Vervolgens heeft [getuige 1] aangeefster mee naar zijn ouderlijke woning genomen. In de late namiddag heeft de moeder van [getuige 1] , [getuige 2] , daar voor de eerste keer met aangeefster gesproken. Daarop vertelt aangeefster aan haar wat er die nacht is tussen haar en verdachte en zijn medeverdachte is voorgevallen.
Beide getuigen zijn niet aanwezig geweest toen de ten laste gelegde handelingen tussen aangeefster, verdachte en zijn medeverdachte hebben plaatsgevonden. De wetenschap die zij daarover hebben is van één bron afkomstig, namelijk aangeefster. Wat zij verklaren over wat tussen aangeefster, verdachte en zijn medeverdachte zou zijn voorgevallen, kan de verklaring van aangeefster op dat onderdeel dan ook niet ondersteunen.
De rechtbank neemt op basis van de getuigenverklaringen aan dat aangeefster in een emotionele toestand verkeerde op het moment dat zij met getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft gesproken over wat er tussen haar, verdachte en zijn medeverdachte was voorgevallen. De rechtbank is echter van oordeel dat die emoties onvoldoende steunbewijs bieden voor de conclusie dat verdachte en zijn medeverdachte aangeefster tot seksueel contact hebben gedwongen. Ook in de situatie zoals die door verdachte en zijn medeverdachte is geschetst, waarin aangeefster zou hebben ingestemd met het eerste seksuele contact maar – zo stelt de rechtbank op basis van het verhandelde ter zitting vast – tussentijds door verdachte en zijn medeverdachte niet expliciet aan aangeefster is gevraagd of aangeefster ook instemde met alle vervolgstappen, maar dit door hen lijkt te zijn aangenomen, kunnen de door aangeefster geuite emoties goed passen. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de, bovendien redelijk summiere, verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over de gemoedstoestand waarin zij aangeefster hebben aangetroffen, ook niet als steunbewijs aan de verklaringen van aangeefster kunnen bijdragen.

De conclusie.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is om de verklaringen van aangeefster te kunnen ondersteunen, dat zij onder dwang (seksuele) handelingen met verdachte en/of zijn medeverdachte heeft moeten plegen of heeft moeten dulden dat verdachte en/of zijn medeverdachte (seksuele) handelingen bij of met haar verrichtte.
In de gegeven omstandigheden is de rechtbank niet in staat om – buiten twijfel – vast te stellen of verdachte de ten laste gelegde handelingen – kort gezegd: de verkrachting van aangeefster – heeft begaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beschuldiging zoals die aan verdachte ten laste is gelegd, niet bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet ontvankelijk verklaard in de vordering waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij zal daarom worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt om tegen de vordering in te gaan. De rechtbank oordeelt dat niet is gesteld of gebleken dat verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en stelt de kosten daarom vast op nihil.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
  • Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering
  • Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten van verdachte tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.F.A.M. de Graauw, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. G.M. Blanken, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 20 januari 2026.

Voetnoten

1.Forensisch medische letselrapportage op 8 april 2023 opgemaakt door de forensisch arts drs. Vis, pag. 164 t/m 167.