Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1309

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11927262 TE VERZ 25-1227
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing mentorschap wegens noodzaak voortzetting zorgmachtiging

Betrokkene verzocht om opheffing van het mentorschap omdat hij zelfstandig wil wonen, werken en leven en meent dat de rechterlijke zorgmachtiging en hulp van de zorginstelling voldoende zijn. De mentor en bewindvoerder stellen dat betrokkene een verstandelijke beperking en psychische stoornissen heeft, waardoor een minder gestructureerd dagprogramma tot ernstig nadeel zou leiden.

De rechterlijke zorgmachtiging is recent met twee jaar verlengd, wat impliceert dat vrijwillige zorg niet toereikend is. De mentor onderhoudt goede contacten met zorgprofessionals en werkt aan een betere woonplek voor betrokkene. Betrokkene is het niet eens met bepaalde zorgacties, zoals het openen van zijn post, maar de mentor handelt in zijn belang.

De kantonrechter concludeert dat voortzetting van het mentorschap noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. Het verzoek tot opheffing wordt afgewezen, met de mogelijkheid voor betrokkene om bij gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek in te dienen. Betrokkene is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep via een advocaat.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het mentorschap wordt afgewezen vanwege de noodzaak van voortzetting van de rechterlijke zorgmachtiging en het mentorschap.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
zaaknummer : 11927262 TE VERZ 25-1227
dossiernummer : MB 12065
datum : 19 februari 2026
[initialen griffier]

beschikking op een verzoek tot opheffing van mentorschap

op verzoek van:

[naam] ,

geboren te [woonplaats] , [Land] , op [datum] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
met als mentor Marion van de Vorst B.V., Kvkno. 69152500, Postbus 2071, 6020 AB Budel.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 17 oktober 2025;
  • het bericht van 24 oktober 2025 van de bewindvoerder in het Aansluitpunt Toezicht;
  • het bericht van 30 oktober 2025 van de mentor in het Aansluitpunt Toezicht;
  • de brief van betrokkene met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op 4 februari 2026. Op de zitting zijn betrokkene, de mentor en de bewindvoerder verschenen.

beoordeling

Betrokkene vraagt om opheffing van het mentorschap. Hij wil zichzelf gaan ontwikkelen en zijn zelfredzaamheid vergroten. Zijn doel is om over een paar jaar weer zelfstandig te gaan wonen. De mentor stuurt hem nu van het kastje naar de muur. [de zorginstelling] moet van de mentor zijn post openmaken en dat gaat allemaal achter zijn rug om. In mei ging het niet zo lekker met hem waardoor hij de mentor om hulp vroeg. Die hulp is te laat gekomen waardoor hij de controle kwijtraakte en pas later dan nodig is hersteld. Hij is het wel eens met de rechterlijke machtiging voor de duur van 2 jaar. Hierdoor krijgt hij hulp van [de zorginstelling] . Hij vindt dat meer dan genoeg. Hij is ervan overtuigd dat hij zich kan bewijzen zonder mentor. Hij kan goed voor zichzelf zorgen.
De mentor stemt niet in met het verzoek. Zij stelt dat de rechterlijke zorgmachtiging van betrokkene op 2 oktober 2025 met 2 jaar is verlengd. Betrokkene heeft een verstandelijke beperking (TIQ 57) en psychische stoornissen. Hij is het vaak niet eens met de mentor aangaande zijn zorg en het behandelplan. Betrokkene verwacht van de mentor dat deze zich inspant om hem naar een andere zorgaanbieder te leiden, waar hij (meer) zelfstandig zou kunnen wonen, werken en leven. Dat is echter op dit moment niet aan de orde. Dat "schuurt" nu en dan tussen de mentor en betrokkene. De mentor stelt met volle aandacht en plezier voor betrokkene te werken. De zorg voor betrokkene is op orde en de verstandhouding tussen haar kantoor, de zorgprofessionals en zijn ouders is uitstekend. Wanneer de mentor vanuit haar mentorrol zou pleiten voor een ander of minder gestructureerd dagprogramma, zou dit onmiddellijk leiden tot zelfbepalend gedrag van betrokkene, dat zal leiden tot ernstig nadeel voor betrokkene. De maatregel dient voortgezet te worden om ernstig nadeel voor betrokkene te voorkomen. Er is ook geen zicht op het moment waarop deze maatregel kan worden opgeheven.
De bewindvoerder heeft laten weten voortzetting van het mentorschap noodzakelijk te achten.
Betrokkene heeft op de zitting benadrukt dat hij geen mentor nodig heeft maar dat de rechterlijke zorgmachtiging en de hulp van [de zorginstelling] volstaan. Hij wil graag op termijn zelfstandig gaan wonen met ambulante begeleiding. Hij wil een eigen voordeur.
Daarnaast is betrokkene verbolgen over het feit dat [de zorginstelling] zijn post opent. Hij is het daar niet mee eens. Dit is, achter zijn rug om, door de mentor geregeld.
De mentor heeft aangegeven dat ze met [de zorginstelling] aan het kijken is hoe zij zo ver mogelijk tegemoet kunnen komen aan de woonwens van betrokkene, een woonplek met een eigen voordeur. Daar heeft betrokkene enorme behoefte aan. Als er een plek gevonden wordt, moet er rekening worden gehouden met een wachtlijst. Het wordt geen appartement van een woningbouwvereniging met ambulante hulp. Dat is voor nu niet aan de orde.
De verbolgenheid van betrokkene over de post, snapt de mentor heel goed. Het is echter belangrijk dat hij de post niet in handen krijgt. De zorgverlening vindt het in het belang van betrokkene dat zij de post openmaakt en een voor betrokkene geschikt moment vindt om de post met hem te bespreken.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Op basis van de ingediende stukken en wat er is besproken op de zitting is gebleken dat voortzetting van het mentorschap zinvol is en de noodzaak daartoe nog steeds bestaat. Recent is de rechterlijke zorgmachtiging van betrokkene verlengd voor de duur van twee jaar. Betrokkene geeft aan dat hij het eens is met de rechterlijke zorgmachtiging en de hulp uit dat kader vrijwillig aanvaart. Daarom is een mentor ook niet nodig volgens hem. De kantonrechter heeft betrokkene op zitting voorgehouden dat indien hij de hulp vrijwillig aanvaart, de rechterlijke machtiging niet zou zijn verlengd. Een zorgmachtiging wordt immers alleen verstrekt indien benodigde zorg niet in een vrijwillig kader kan worden geboden. Betrokkene is het niet eens met bepaalde acties vanuit de zorgverleners, zoals het openen van de post en zijn beschermde woonplek, en daarmee ook niet met acties van de mentor omdat deze zich aansluit bij de standpunten van de zorgverleners. Het is de kantonrechter gebleken dat het juist in het belang van betrokkene is dat bepaalde acties nodig zijn. De mentor komt juist voor betrokkene op en overlegt met zijn behandelaren, ook om te kijken naar een betere woonplek voor betrokkene. Het uiteindelijke doel is dat op een gegeven moment de rechterlijke zorgmachtiging niet meer nodig is (en vervolgens ook het mentorschap niet meer) en dat betrokkene verder kan gaan bouwen aan zijn toekomst.
De kantonrechter heeft betrokkene erop gewezen dat een nieuw verzoek tot opheffing van het mentorschap alleen in behandeling wordt genomen indiener sprake is van gewijzigde feiten en/of omstandigheden.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek tot opheffing van het mentorschap afwijzen.
De kantonrechter voegt hieraan nog het volgende toe.
De kantonrechter heeft desgevraagd betrokkene uitgelegd dat hij, als hij het niet eens is met deze beschikking, hoger beroep kan instellen. Hoe dit moet, is onderaan deze beschikking vermeld.

beslissing

De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot opheffing van het mentorschap af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.