ECLI:NL:RBOBR:2026:1300

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
25/3610
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 ZiektewetArt. 45 ZiektewetArt. 6 Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 8 Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verlaging ZW-uitkering wegens niet meewerken aan passende arbeid

Verzoeker is ziek gemeld sinds april 2024 en ontvangt een ZW-uitkering. Het UWV heeft zijn uitkering meerdere keren verlaagd wegens het niet naleven van re-integratieverplichtingen, waaronder het niet zoeken naar passende arbeid en het niet doen van sollicitaties. Na waarschuwingen en eerdere kortingen heeft het UWV op 3 november 2025 besloten de uitkering met 100% te verlagen voor de periode van 29 oktober 2025 tot en met 28 februari 2026.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd om de maatregel te schorsen. Hij stelt dat zijn gezondheidsklachten het naleven van de verplichtingen onmogelijk maken, dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de maatregel disproportioneel is. De voorzieningenrechter oordeelt dat er weliswaar sprake is van spoedeisend belang vanwege de financiële noodsituatie van verzoeker, maar dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat verzoeker in staat is om beperkt te werken en hij had een second opinion kunnen aanvragen. De herhaalde niet-naleving van verplichtingen rechtvaardigt de verhoging van de maatregel tot 100%. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van de maatregel. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlaging van de ZW-uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3610

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit verzoekers ZW [1] -uitkering over de periode 29 oktober 2025 tot en met 28 februari 2026 met 100% te verlagen. Verzoeker zou niet hebben meegewerkt aan het zoeken van passende arbeid. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen aanleiding het besluit van 3 november 2025 te schorsen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 heeft het UWV verzoekers ZW-uitkering over de periode 29 oktober 2025 tot en met 28 februari 2026 met 100% verlaagd
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vooralsnog vrijgesteld van de verplichting om het griffierecht van € 53 te betalen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen allereerst of er sprake is van spoedeisend belang. Als er geen sprake is van spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening af. Als er wel sprake is van spoedeisend belang zal de voorzieningenrechter vervolgens bezien of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de wet, de rechtspraak en de door verzoeker ingediende gronden.
Verzoek om vrijstelling van het griffierecht
4. Bij onvoldoende financiële draagkracht kan heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter belemmeren. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het betalen van griffierecht worden verleend. Om voor vrijstelling van de betaling van griffierecht in aanmerking te komen heeft de rechtbank criteria ontwikkeld. De rechtzoekende moet aannemelijk maken dat het maandelijkse netto-inkomen, inclusief dat van de eventuele fiscale partner, minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande geldende maximale bijstandsnorm en dat hij/zij (beiden) ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald.
4.1.
Verzoeker heeft een verzoek om vrijstelling van het betalen van griffierecht ingediend. In de periode waarin griffierecht was verschuldigd voldeed verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling van griffierecht als hiervoor uiteengezet. Aan verzoeker wordt daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht verleend.
Spoedeisend belang5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. De spoedeisendheid wordt beoordeeld naar de feitelijke situatie op het moment van de zitting bij de rechtbank.
5.1.
Verzoeker voert aan dat hij als gevolg van de maatregel om zijn ZW-uitkering over de periode van 29 oktober 2025 tot en met 28 februari 2026 met 100% te verlagen geen inkomsten meer heeft en niet meer kan voorzien in zijn meest basale bestaanskosten. Verzoeker kan zijn vaste lasten, zoals huur, energie en verzekeringen niet meer voldoen.
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldaan is aan het vereiste van spoedeisend belang. Verzoeker heeft door de maatregel vier maanden geen inkomen. Verzoeker heeft weliswaar geld geleend om de huur te voldoen, maar dat was niet voldoende, dus er zijn wel schulden ontstaan. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een financiële noodsituatie. Anders dan het UWV betoogt maakt het feit dat de maatregel bijna is afgelopen niet dat er geen spoedeisend belang meer is. Verzoeker heeft het verzoek immers gedaan toen de maatregel nog liep.
De niet betwiste feiten
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
6.1.
Verzoeker heeft zich op 29 april 2024 ziek gemeld. Zijn werkgever is een eigenrisicodrager voor de ZW.
6.2.
Op 5 september 2025 heeft verzoekers re-integratie consulent verslag gedaan van een gesprek op 4 september 2025. De re-integratie consulent heeft tijdens dit gesprek laten weten dat verzoeker volgens het arbeidsdeskundig rapport werk bij een andere werkgever kan verrichten. Hij heeft ook aangegeven dat het gevolgen voor verzoekers uitkering kan hebben als hij niet meewerkt. Als verzoeker het niet eens is met de beperkingenlijst van de bedrijfsarts kan hij een second opinion of een deskundigenoordeel aanvragen. Met verzoeker is afgesproken dat hij voor 9 september 2025 4-6 vrijwilligersbanen gaat voorstellen en vanaf week 37 gaat starten met twee sollicitaties per week.
6.3.
Op 10 september 2025 heeft de re-integratie consulent verslag gedaan van een gesprek met verzoeker op 9 september 2025. Verzoeker heeft geen vrijwilligersbanen aangeleverd. Verzoeker is van mening dat hij niet mee kan werken omdat hij ziek is. Verzoeker gaat geen vacatures zoeken en geen sollicitaties doen. De re-integratie consulent heeft verzoeker erop gewezen dat het niet of onvoldoende meewerken gevolgen kan hebben voor verzoekers uitkering.
6.4.
Op 11 september 2025 is verzoeker met een brief gewaarschuwd dat zijn recht op een ZW-uitkering gevaar loopt omdat hij niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Verzoeker is de afspraken die op 4 september 2025 zijn gemaakt niet nagekomen. Verzoeker wordt gewezen op het verslag van het gesprek op 9 september 2025. Verzoeker is volgens de laatste spreekuurrapportage van de arboarts in staat om passend werk te verrichten. Als verzoeker niet uiterlijk op 18 september 2025 de achterstallige sollicitaties aanlevert, zal het UWV verzocht worden over te gaan tot het korten van de ZW-uitkering met 25% gedurende 4 maanden. Als verzoeker ook dan de afspraken niet nakomt, kan deze sanctie verhoogd worden.
6.5.
Volgens de voortgangsrapportage van 23 september 2025 heeft verzoeker zich na terugkomst van vakantie op het standpunt gesteld dat hij dusdanige klachten heeft dat hij niet kan en wil meewerken aan het vervolg van het spoor 2 traject. Zijn casemanager is hiervan op de hoogte gebracht en heeft een waarschuwingsbrief gestuurd. Dit heeft nog niet een verandering in opstelling geleid.
6.6.
Op 30 september 2025 is verzoeker met een brief gewaarschuwd dat de werkgever het UWV zal verzoeken om verzoekers ZW-uitkering te verlagen, omdat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Verzoeker is er eerder op gewezen dat hij nalatig is en dat dit gevolgen kan hebben. Verzoeker is de gemaakte afspraken niet nagekomen. De uitkering wordt gedurende vier maanden met 25% verlaagd. Verzoeker wordt gevraagd om uiterlijk 13 oktober 2025 het achterstallige sollicatieoverzicht aan te leveren. Als verzoeker de gemaakte afspraken niet nakomt, kan de ZW-uitkering nog verder worden gekort. Ook kan verzoeker het recht op uitkering volledig verliezen.
6.7.
Op 30 september 2025 heeft verzoekers (ex-)werkgever verzocht om het toepassen van een maatregel, omdat verzoeker zijn re-integratieverplichtingen niet zou zijn nagekomen. Verzoeker zou onder meer niet op zoek zijn naar passend werk.
6.8.
Het UWV heeft vervolgens met het besluit van 8 oktober 2025 de ZW-uitkering van verzoeker verlaagd met 25% voor de periode van 19 september 2025 tot en met 18 januari 2026, omdat verzoeker niet zou hebben meegewerkt aan het verkrijgen van passende arbeid.
6.9.
Op 14 oktober 2025 is verzoeker opnieuw gewaarschuwd dat het UWV verzocht zal worden om de ZW-uitkering te verlagen, omdat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Verzoeker is er eerder op gewezen dat hij nalatig is en dat dit gevolgen kan hebben. Hij is de gemaakte afspraken niet nagekomen. De uitkering zal gedurende een periode van 4 maanden met 37,5% gekort worden, omdat verzoeker niet solliciteert en niet op zoek is naar passend werk. Verzoeker wordt verzocht uiterlijk 28 oktober 2025 een sollicitatieoverzicht aan te leveren. Als hij de afspraken niet nakomt, dan kan de ZW-uitkering nog verder worden gekort. Ook kan verzoeker het recht op uitkering volledig verliezen.
6.10.
Op 14 oktober 2025 heeft verzoekers (ex-)werkgever opnieuw verzocht om het toepassen van een maatregel, omdat verzoeker zijn re-integratieverplichtingen niet zou zijn nagekomen. Verzoeker zou niet op zoek zijn naar passend werk.
6.11.
Het UWV heeft vervolgens met het besluit van 17 oktober 2025 de ZW-uitkering van verzoeker verlaagd met 37,5% voor de periode van 14 oktober 2025 tot en met 13 februari 2026, omdat hij zich niet aan regels in het re-integratieplan heeft gehouden en dit al eerder is voorgekomen.
6.12.
Op 31 oktober 2025 heeft verzoekers (ex-)werkgever opnieuw verzocht om het toepassen van een maatregel, omdat verzoeker zijn re-integratieverplichtingen niet zou zijn nagekomen. Verzoeker zou niet op zoek zijn naar passend werk. Het UWV heeft vervolgens het besluit van 3 november 2025 genomen.
De wettelijke regels
7. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ziektewet bepaalt dat de zieke werknemer verplicht is in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen.
8. Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder k, van de Ziektewet bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert: als de verzekerde een hem op grond van artikel 30 opgelegde Pro verplichting niet nakomt.
9. Artikel 45, tweede lid, van de Ziektewet bepaalt dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
10. Artikel 45, vierde lid, van de Ziektewet bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
11. Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bepaalt dat het trachten te verkrijgen van passende arbeid, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Ziektewet wordt ingedeeld in de derde categorie.
12. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bepaalt dat de hoogte en duur van een op te leggen maatregel op grond van de Ziektewet wordt vastgesteld op 25 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie. Afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent is mogelijk. De hoogte van de maatregel bedraagt ten minste € 25.
13. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel maatregelen UWV bepaalt dat het UWV de hoogte en de duur van een op te leggen maatregel vast stelt op 25 procent van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden bij het niet naleven van een verplichting uit de derde categorie.
14. Artikel 8, eerste lid, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bepaalt dat als aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen het percentage van de op te leggen maatregel met 50% wordt verhoogd. Dit geldt ook voor het minimumbedrag.
15. Artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel maatregelen UWV bepaalt dat als betrokkene, nadat artikel 8 van Pro het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is toegepast, blijft volharden in het niet naleven van dezelfde niet termijngebonden verplichting, het percentage wordt verhoogd tot het maximum genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
Het standpunt van verzoeker
16. Verzoeker stelt dat het UWV niet concreet heeft onderbouwd welke handelingen van hem worden verwacht en waarom deze gelet op zijn medische situatie redelijk en haalbaar zouden zijn. Verzoeker heeft aanhoudende gezondheidsklachten die zijn belastbaarheid aanzienlijk beperken en maken dat van hem niet kan worden verlangd dat hij voldoet aan de re-integratie-eisen. Het besluit is daarom niet goed gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid. Bovendien is de maatregel niet proportioneel. Het gaat om een volledige opschorting van de uitkering die niet in verhouding staat tot het verzuim. Deze maatregel is economisch verwoestend voor verzoeker, die volledig afhankelijk is van de uitkering. Er moet meer rekening worden gehouden met verzoekers draagkracht en de gevolgen van de maatregel. Verder slaat ook de belangenafweging door in het voordeel van verzoeker. Het UWV ondervindt nauwelijks nadeel als de maatregel wordt geschorst, maar de gevolgen voor verzoeker zijn aanzienlijk en direct.
De redenen voor de beslissing van de voorzieningenrechter
17. Anders dan verzoeker betoogt, heeft het UWV naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende concreet gemaakt wat van eiser verwacht wordt. In het besluit is vermeld dat verzoeker moet meewerken aan het verkrijgen van passende arbeid. Verzoeker heeft aan zijn re-integratie consulent laten weten dat hij van mening is dat hij niet mee kan werken omdat hij ziek is, dat hij geen vacatures gaat zoeken en geen sollicitaties doen. Door verzoekers opstelling was duidelijk dat niet aan de verplichtingen werd voldaan.
18. Voor zover verzoeker aanvoert dat zijn gezondheidsklachten eraan in de weg staan dat hij voldoet aan de re-integratie-eisen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De bedrijfsarts heeft verzoekers belastbaarheid in kaart gebracht. Het was volgens de bedrijfsarts mogelijk dat verzoeker drie keer per week drie uur zou werken. Als verzoeker het niet eens was met dit oordeel van de bedrijfsarts over zijn belastbaarheid, had verzoeker een second opinion of een deskundigenoordeel aan kunnen vragen. Daarbij komt dat verzoeker zich pas na het besluit van 3 november 2025 met mentale klachten bij de huisarts heeft gemeld.
19. Op grond van artikel 45 van Pro de Ziektewet weigert het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk als de zieke werknemer niet in voldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Op grond van artikel 8 van Pro het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten wordt het percentage van de maatregel met 50% verhoogd als de verplichting binnen twee jaar opnieuw niet wordt nagekomen. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel maatregelen UWV wordt het percentage verhoogd naar het maximum als betrokkene na toepassing van artikel 8 blijft Pro volharden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor. Voor zover verzoeker aanvoert dat de maatregel niet proportioneel is, vat de voorzieningenrechter dat op als een beroep op de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de ZW. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker onvoldoende aangevoerd om tot het oordeel te komen dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan het UWV geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een maatregel had behoren af te zien.
20. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Daardoor is er op dit moment geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

21. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit van 3 november 2025 niet wordt geschorst. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Ziektewet.