In de zaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van verkrachting, heeft de rechtbank Oost-Brabant op 20 januari 2026 uitspraak gedaan. De verdachte werd vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, die zouden hebben plaatsgevonden op 8 april 2023 in Deurne. De aangeefster stelde dat de seksuele handelingen tegen haar wil in hebben plaatsgevonden, terwijl de verdachte verklaarde dat deze met instemming van de aangeefster zijn uitgevoerd. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de aangeefster weliswaar concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent was, maar dat er onvoldoende steunbewijs was om haar verklaring te onderbouwen. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken vaak alleen de betrokken personen aanwezig zijn, waardoor het moeilijk is om bewijs te leveren. De rechtbank concludeerde dat de enkele verklaring van de aangeefster niet voldoende was om tot een bewezenverklaring te komen, vooral omdat er geen ander bewijs was dat de dwang kon bevestigen. De rechtbank oordeelde dat de emoties van de aangeefster en de verklaringen van getuigen niet als steunbewijs konden dienen. Gezien het gebrek aan bewijs werd de verdachte vrijgesproken en werd de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.