Op 21 mei 2023 stichtte verdachte brand in een kringloopwinkel te Best door het afsteken van rotjes (knalvuurwerk) binnen de winkel, waarbij smeulende resten vuurwerk brand veroorzaakten bij banken. De rechtbank baseerde dit op een filmpje op de telefoon van verdachte, verklaringen van verdachte en een getuige, en een forensisch rapport.
Verdachte had geen vol opzet op brandstichting, maar wel voorwaardelijk opzet, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het vuurwerk brand zou veroorzaken in een ruimte met brandbare materialen. De dagvaarding was geldig, en de rechtbank was bevoegd. De verdediging voerde vrijspraak aan wegens onvoldoende bewijs, maar dit werd verworpen.
De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe omdat verdachte net 18 was en zijn handelen impulsief en beïnvloedbaar was. De redelijke termijn was met circa zeven maanden overschreden, wat de strafvermindering mede rechtvaardigde. De opgelegde straf is een werkstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim €79.000, maar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en de onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding af en veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten.