ECLI:NL:RBOBR:2026:1247

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
01-315245-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor diefstal met geweld en verduistering met schadevergoeding

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal in zaak 01-349117-25, maar veroordeeld voor diefstal met geweld op de openbare weg met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, winkeldiefstal en verduistering. De feiten betreffen onder meer het wegnemen van een tas met 2000 euro van een oudere vrouw, waarbij zij ten val kwam en een gebroken heup opliep.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte de tas met geweld heeft weggerukt, maar sprak hem vrij van het onderdeel waarbij het slachtoffer over de grond/stoep zou zijn meegesleurd, omdat dit niet overtuigend uit het bewijs bleek. Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte een parfum had gestolen en 70 euro verduisterde door geld dat was achtergelaten bij een geldautomaat mee te nemen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten, recidive en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, waaronder 15.000 euro immateriële schade voor het slachtoffer met de gebroken heup, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank beval ook de tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor diefstal met geweld met zwaar letsel, winkeldiefstal en verduistering, met toekenning van schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01-315245-25, 01-217817-24 en 01-349117-25 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen TUL: 01-339791-24, 01-171783-24 en 01-138830-22
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd te: [plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 21 januari 2026 (horende bij 01-315245-25 en 01-349117-25) en 29 januari 2026 (horende bij 01-217817-24).
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-315245-25:
hij op of omstreeks 21 november 2025 te ’s-Hertogenbosch
op/aan de openbare weg, te weten de Pettelaarseweg,
een tas met daarin een contant geldbedrag (2000 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door met kracht en/of onverhoeds de tas, met daarin het contante geldbedrag, van de arm van die [slachtoffer 1] te trekken/ weg te rukken, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of (vervolgens) over de grond/stoep werd meegesleurd door hem, verdachte,
welk geweld en/of bedreiging met geweld zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad, te weten een gebroken heup;
T.a.v. 01-217817-24:
hij op of omstreeks 5 juli 2024 te 's-Hertogenbosch
parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
T.a.v. 01-349117-25:
hij op of omstreeks 3 november 2025 te 's-Hertogenbosch
een contant geldbedrag (70 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 november 2025 te 's-Hertogenbosch
opzettelijk een contant geldbedrag (70 euro), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01-339791-24 is aangebracht bij vordering van 10 december 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2024.
De zaak met parketnummer 01-171783-24 is aangebracht bij vordering van 10 december 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 16 december 2024.
De zaak met parketnummer 01-138830-22 is aangebracht bij vordering van 8 juli 2024. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te ’s-Hertogenbosch 14 december 2022.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. In de zaak met parketnummer 01-349117-25 kan de primair ten laste gelegde diefstal worden bewezen, nu verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het geld aan [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) of een ander toebehoorde.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-349117-25. Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-315245-25 heeft de raadsman verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het
’over de grond/stoep meesleuren’. Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-217817-24 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-349117-25 (subsidiair: verduistering geld) uitgewerkt in dit vonnis.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-217817-24 (diefstal parfum). Verdachte heeft het feit immers bekend en zijn raadsman heeft geen vrijspraak bepleit.
Ook ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-315245-25 volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de rechtbank met de verdediging van oordeel is dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het
’over de grond/stoep meesleuren’, zoals hierna is weergegeven, en de raadsman zich voor het overige heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.
Ten aanzien van parketnummer 01-217817-24:
Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene] namens slachtoffer [slachtoffer 2] van 5 juli 2024, p. 5 en 6;
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026.
Ten aanzien van parketnummer 01-349117-25, subsidiair:
1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 13 november 2025, p. 5 en 6, voor zover inhoudende:
Op 3 november 2025 omstreeks 09.00 uur ging ik pinnen bij de Geldmaat gelegen aan de Pettelaarseweg (…) te 's-Hertogenbosch. (…) Ik stopte mijn bankpas in de gleuf, toetste mijn pincode in (…). Ineens kwam mijn bankpas uit de gleuf. Ik vond dat vreemd, want ik deed zelf niets. (…). Op 5 november 2025 logde ik in op mijn internetbankieren. Ik zag dat er op 3 november 2025 om 9.03 uur een bedrag van 70 euro is gepind.
2) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 18 december 2025, p. 39, voor zover inhoudende:
V: Hoeveel geld heb je gepind op die dag bij deze locatie omstreeks 09:00 uur
A: Voordat ik mijn leefgeld ging pinnen zat er 70 euro in dat ding en die heb ik gepakt.
(…)
V: Vindt u het niet raar dat u 70 euro in een pinautomaat vindt voordat u zelf gepind heeft?
A: Natuurlijk is het vreemd dat ik 70 euro in de automaat vind. Het is duidelijk dat iemand gepind heeft en is vergeten het geld te pakken.
Ten aanzien van parketnummer 01-315245-25:
Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 1] van 22 november 2025, p. 6;
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 21 november 2025, p. 18;
Een medische verklaring van 23 november 2025 betreffende slachtoffer [slachtoffer 1] , p. 17;
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16
februari 2026.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van parketnummer 01-349117-25 (diefstal/verduistering geld).
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 01-349117-25 primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
[slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij bij de geldautomaat haar pinpas en pincode had ingevoerd, maar dat zij geen bedrag had ingetypt. Op basis van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte een bedrag heeft ingetypt of anderszins handelingen heeft verricht met het oogmerk om zich het geld van [slachtoffer 3] wederrechtelijk toe te eigenen.
Op basis van de aangifte en hetgeen verdachte bij de politie heeft verklaard, zoals hierboven opgenomen, acht de rechtbank wél wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het contante geldbedrag van [slachtoffer 3] dat hij als vinder onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Voordat verdachte zelf ging pinnen, zag hij geld in de lade van de geldautomaat liggen, terwijl enkele seconden daarvoor [slachtoffer 3] bij de geldautomaat was weggelopen. Dit geld nam hij vervolgens mee, terwijl het voor hem duidelijk was dat iemand dit bedrag had gepind en vergeten was om het geld te pakken en terwijl [slachtoffer 3] , die voor verdachte de kenbare en vermoedelijke eigenares van het geldbedrag moet zijn geweest, op dat moment nog bij de geldautomaat aanwezig was. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde verduistering.
Ten aanzien van parketnummer 01-315245-25 (diefstal met geweld).
Op grond van de verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen kunnen de tenlastegelegde gedragingen worden bewezen. Verdachte heeft de tas van [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) weggerukt/getrokken waardoor zij ten val is gekomen.
De rechtbank kan op basis van het dossier echter het ten laste gelegde
‘over de grond/stoep meesleuren’niet vaststellen.
De rechtbank heeft het proces-verbaal waarin de politie beschrijft wat op de camerabeelden te zien is, op de zitting besproken. In dit proces-verbaal staat onder meer dat de politie ziet dat [slachtoffer 1] kort werd meegesleurd over de stoep. Verdachte ontkent dit. De officier van justitie en de raadsman hebben zich hierover bij requisitoir en pleidooi uitgelaten. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op de beelden te zien is dat [slachtoffer 1] anderhalve meter wordt meegesleurd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat op de beelden niet is te zien dat [slachtoffer 1] over de grond wordt meegesleurd.
Gelet op deze uiteenlopende standpunten, heeft de rechtbank de beelden in raadkamer (nogmaals) bekeken. De rechtbank ziet op de beelden dat [slachtoffer 1] door de trekkende beweging van verdachte enige meters verder ten val komt, maar kan niet vaststellen dat zij over de grond/stoep wordt meegesleurd. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten, er is geen ander bewijs op grond waarvan dit kan worden vastgesteld. Gelet hierop spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van het
‘over de grond/stoep meesleuren’.
Ten laste is gelegd dat [slachtoffer 1] door de diefstal met geweld een gebroken heup heeft opgelopen. De rechtbank constateert dat volgens de medische verklaring ten aanzien van [slachtoffer 1] sprake is van een ‘pertrochantaire femurfractuur’. In de slachtofferverklaring wordt gesproken over de breuk van het dijbeen. De rechtbank overweegt dat deze dijbeenbreuk in algemeen spraakgebruik doorgaans als een heupbreuk wordt aangeduid. Zo noemt [slachtoffer 1] dit ook in haar verhoor bij de politie.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande en de opgesomde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld op de openbare weg, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De bewezenverklaring.

Op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van parketnummer 01-217817-24:
op 5 juli 2024 te 's-Hertogenbosch
parfum die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Ten aanzien van parketnummer 01-349117-25, subsidiair:
op 3 november 2025 te 's-Hertogenbosch
opzettelijk een contant geldbedrag (70 euro),
toebehorende aan [slachtoffer 3] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Ten aanzien van parketnummer 01-315245-25:
op 21 november 2025 te ’s-Hertogenbosch
op de openbare weg, te weten de Pettelaarseweg,
een tas met daarin een contant geldbedrag (2000 euro), die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,
door met kracht en onverhoeds de tas, met daarin het contante geldbedrag, van de arm van die [slachtoffer 1] te trekken/weg te rukken, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen,
welk geweld zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad, te weten een gebroken heup.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan het aantal dagen dat verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De oriëntatiepunten dienen, voor zover beschikbaar, als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, winkeldiefstal en verduistering.
[slachtoffer 1] , een oudere dame, heeft die bewuste dag € 2.000,00 uit een geldautomaat opgenomen. Terwijl zij de geldopname afrondde kwam verdachte eraan. Hij heeft [slachtoffer 1] dus bij de geldautomaat kunnen zien. Toen [slachtoffer 1] kort daarna bij een direct naast de geldautomaat gelegen medicijnenautomaat stond, sloeg verdachte toe. Plotseling rukte hij de tas van [slachtoffer 1] met kracht van haar arm. [slachtoffer 1] werd meegetrokken en viel daardoor op de grond. Verdachte rende direct weg en bekommerde zich op geen enkele wijze om [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft door de val haar heup gebroken, waarvoor zij een operatie heeft moeten ondergaan. Uit de verklaring die de gemachtigde van [slachtoffer 1] namens haar ter terechtzitting heeft voorgelezen, volgt dat zij nog steeds niet is hersteld en nog geruime tijd zal moeten revalideren.
Een dergelijk feit draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De beroving heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag, op straat, nabij een geldautomaat. Verdachte heeft zich kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich geen moment bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. Sterker nog, uit zijn handelen blijkt dat verdachte planmatig te werk is gegaan. Na de roof is verdachte direct naar een geldwisselkantoor gegaan om een deel van het gestolen geld over te maken.
Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk en rekent de rechtbank verdachte zeer aan.
De rechtbank ziet in de wijze waarop dit feit heeft plaatsgevonden, de locatie van het feit en het geweld dat daarbij is toegepast aanleiding om bij de bepaling van de strafmaat aan te sluiten bij de LOVS-oriëntatiepunten voor een straatroof.
Daarnaast heeft verdachte een parfumfles van [slachtoffer 2] gestolen. Verdachte heeft doelbewust een verkoopster aangesproken, meerdere parfums getest en heeft aangegeven dat hij twee doosjes wilde kopen. Terwijl de twee doosjes klaarlagen bij de kassa is hij vervolgens met één doosje parfum weggerend zonder dit af te rekenen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de parfum een relatief hoge waarde van bijna honderd euro had.
Ten slotte heeft verdachte een contant geldbedrag van zeventig euro verduisterd, door dit geld als vinder uit de lade van een geldautomaat mee te nemen. Hij had zich op dat moment moeten realiseren dat dat geld aan een ander toebehoorde maar heeft hierbij kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen belang.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte eerder veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten, waarvan eenmaal ook diefstal met geweld. De feiten waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld zijn gepleegd binnen de proeftijd van vonnissen voor soortgelijke vermogensdelicten. Desondanks heeft verdachte in een korte periode meerdere misdrijven gepleegd, zoals voornoemd. Dit zijn strafverzwarende omstandigheden.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 10 februari 2026. Uit dit rapport volgt dat er op meerdere leefgebieden problemen zijn. Een eerder traject is voortijdig negatief beëindigd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden en afspraken hield. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De reclassering ziet
geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De recente geschiedenis heeft uitgewezen dat een ambulant kader onvoldoende handvatten biedt om verdachte adequaat te kunnen begeleiden. Een reclasseringstoezicht heeft geen meerwaarde om de kans op recidive te verminderen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf.
Hiervoor heeft de rechtbank al benoemd dat zij bij het bepalen van de strafmaat rekening houdt met de LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank sluit, zoals gezegd, ten aanzien van de diefstal met geweld aan bij het oriëntatiepunt dat ziet op een straatroof. Omdat verdachte veelvuldige recidive op het gebied van vermogensdelicten heeft, geldt naar het oordeel als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 10 maanden onvoorwaardelijk. Daarbij komen nog de hierboven beschreven strafverzwarende omstandigheden en de straffen voor de diefstal bij [slachtoffer 2] en de verduistering.
Alles afwegende acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. Een kortere gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De tijd die door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht, komt hierop in mindering.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde diefstal in de zaak met parketnummer 01-349117-25. De rechtbank is verder van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Gelet op de inhoud van het hiervoor beschreven reclasseringsrapport, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel aan de gevangenisstraf te koppelen. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover begeleiding of hulpverlening geïndiceerd is, deze eventueel in de toekomst kan worden vormgegeven binnen het kader van de eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 78,29 aan materiële schade en een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de beschadigde rugzak gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het gevorderde eigen risico van vijftig euro heeft de raadsman verzocht af te wijzen, nu het inbeslaggenomen geldbedrag van € 800,00 zal worden teruggegeven aan benadeelde, zodat van daadwerkelijke schade geen sprake meer is. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht een bedrag van € 2500,00 toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, omdat in de Rotterdamse schaal aansluiting moet worden gezocht bij de categorie ‘licht letsel’ met een herstelperiode van tot vier tot zes maanden.
Beoordeling.
Materiële schade.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 78,29 (rugzak en eigen risico) rechtstreeks voortvloeit uit het in de zaak met parketnummer 01-315245-25 bewezen verklaarde feit. Deze schade komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.
Ten aanzien van het eigen risico overweegt de rechtbank dat deze post moet worden toegewezen. Dat de officier van justitie heeft toegezegd aan benadeelde het onder verdachte inbeslaggenomen bedrag van € 800,00 terug te zullen geven maakt dit niet anders, nu aan te nemen valt dat de benadeelde partij bedrag dit integraal zal moeten doorbetalen aan haar verzekeraar en dit niet afdoet aan haar eigen risico van € 50,00.
Immateriële schade.
De rechtbank stelt vast dat benadeelde been/heupletsel heeft overgehouden aan de beroving.
Op grond van de eerste categorie van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek is verdachte gehouden om de schade die benadeelde als gevolg daarvan heeft geleden en nog lijdt te vergoeden.
Voor het vaststellen van de immateriële schade zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
Voor ‘ander beenletsel’ is in de Rotterdamse Schaal, voor zover hier van belang, de volgende categorie opgenomen:
(e) Minder ernstig beenletsel: € 12.000 tot € 19.000
Onder deze categorie valt onder meer:
■ een breuk aan het been waarbij een redelijk herstel is bereikt. De benadeelde kan nog wel te maken hebben met een metalen implantaat, mank lopen, aangetaste mobiliteit en/of verlies van gevoelswaarneming.
Volgens de gemachtigde van de benadeelde partij is sprake van bovengenoemde categorie. De verdediging is van mening dat sprake is van licht letsel als bedoeld in hoofdstuk 13.
De categorie licht letsel acht de rechtbank niet passend. Het beenletsel van benadeelde valt naar het oordeel van de rechtbank in de categorie ‘minder ernstig beenletsel’. Benadeelde heeft een gebroken dijbeen opgelopen waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Tijdens deze operatie is bij benadeelde een permanente heupschroef geplaatst. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft toegelicht dat de fysiotherapeut van benadeelde recentelijk heeft aangegeven dat volledig herstel naar verwachting nog ongeveer zes maanden in beslag zal nemen. Dat maakt dat voor volledig herstel in totaal ten minste negen maanden benodigd zijn. Daarbij is onduidelijk of benadeelde na afloop van die periode ook daadwerkelijk volledig hersteld zal zijn, gelet op de aard en ernst van het letsel.
Verder heeft benadeelde een litteken overgehouden en ervaart zij inmiddels enkele maanden ingrijpende beperkingen. Benadeelde gebruikt krukken en is in het dagelijkse leven van haar partner afhankelijk geworden. Daarnaast is het evident dat een dergelijk incident grote gevolgen heeft voor de geestelijke gezondheid van benadeelde.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade redelijk en billijk is. Verdachte is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 21 november 2025.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2025 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 70,00, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het in de zaak met parketnummer 01-349117-25 bewezenverklaarde feit.
De rechtbank acht de vordering daarom in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2025 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de beslissingen na voorwaardelijke veroordeling 01-339791-24,

01-171783-24 en 01-138830-22.
De vorderingen voldoen aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vorderingen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Voorts is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan, zijn niet gebleken. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerleggingen gelasten. Het gaat om gevangenisstraffen van 7 weken, 2 maanden en 4 maanden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 57, 63, 310, 312, 321 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- spreekt verdachte vrij van het in parketnummer 01-349117-25 primair ten laste gelegde;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van 01-315245-25:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Ten aanzien van 01-217817-24:
diefstal.
Ten aanzien van 01-349117-25, subsidiair:
verduistering.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt hiervoor op de volgende straf.
T.a.v. 01-315245-25, 01-217817-24, 01-349117-25 subsidiair:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
T.a.v. 01-315245-25:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 15.078,29 euro, bestaande uit 78,29 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. 01-315245-25:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 15.078,29 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 78,29 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. 01-349117-25 subsidiair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 70,00 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. 01-349117-25 subsidiair:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 70,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 4 september 2025, gewezen onder parketnummer 01-339791-24, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, zijnde het deel dat resteert na eerdere gedeeltelijke toewijzing.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 16 december 2024, gewezen onder parketnummer 01-171783-24, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Oost-Brabant van 14 december 2022, gewezen onder parketnummer 01-138830-22, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Flikkenschild, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 2 maart 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij: