ECLI:NL:RBOBR:2026:1179

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
25/1081
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:69a AwbArt. 8:75 AwbArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wijzigingsvergunning zonnepark IJzerbroek en ruimtelijke aanvaardbaarheid

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor het gewijzigd uitvoeren van zonnepark IJzerbroek. De wijziging betreft een verkleining van het zonnepark binnen de contouren van het eerder onherroepelijk vergunde plan.

Eisers stelden dat de wijziging een nieuw initiatief vormt dat opnieuw aan ruimtelijk beleid getoetst moet worden en dat de vergunning onrechtmatig is verleend. De rechtbank oordeelt dat de wijzigingen niet zodanig zijn dat sprake is van een nieuw initiatief en dat volstaan kon worden met een wijzigingsaanvraag. De ruimtelijke onderbouwing en toetsing van de wijzigingen zijn voldoende en het gewijzigde plan is ruimtelijk aanvaardbaar.

Verder is vastgesteld dat het herstelbesluit correct is bekendgemaakt en in werking is getreden. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit is niet-ontvankelijk verklaard omdat het herstelbesluit het oorspronkelijke besluit vervangt. Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1081

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3], allen uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college
(gemachtigde: mr. R. Benhadi).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
-
[vergunninghoudster]., te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink),
-
de raad van de gemeente Land van Cuijk, de raad
(gemachtigde: mr. R. Benhadi).

Procesverloop

1. Met het besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van Zonnepark IJzerbroek met een tijdelijke instandhoudingstermijn van 25 jaar, gesitueerd op de percelen nabij [adres] in [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Mill,
sectie [nummer] , nummers [nummers] (plangebied).
Op het besluit is de Crisis- en Herstelwet van toepassing.
1.1.
Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/1081.
1.2.
Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
1.3.
Met het besluit van 18 september 2025 (het herstelbesluit) heeft het college het bestreden besluit hersteld.
1.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Van eisers zijn
[eiser 1] en [eiser 3] verschenen, samen met de gemachtigde van eisers. Het college en de raad zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde en mr. D.J.M.W. Jennissen. Voor vergunninghoudster zijn haar gemachtigde en [naam] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming besluiten
2. Op 1 oktober 2021 zijn aan twee initiatiefnemers, [naam] en [vergunninghoudster] , omgevingsvergunningen verleend voor de realisatie van de zuidelijke en noordelijke helft van zonnepark IJzerbroek. Deze omgevingsvergunningen zijn onherroepelijk. Het zonnepark, met een totale omvang van 10 hectare, kan binnen de kaders van deze onherroepelijke omgevingsvergunningen worden gerealiseerd.
2.1.
Op 2 augustus 2023 heeft [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning gevraagd voor het gewijzigd uitvoeren van het vergunde zonnepark IJzerbroek. De twee onherroepelijke omgevingsvergunningen uit 2021 zagen ieder op gedeelten van 5 hectare van een zonnepark van 10 hectare. De aanvraag ziet op een wijziging van deze vergunningen, bestaande uit een aanpassing van de verkaveling, waardoor een zonnepark wordt gerealiseerd van 6 hectare, geheel binnen de contouren van het onherroepelijk vergunde zonnepark.
2.2.
Het college heeft een ontwerpbesluit opgesteld dat, samen met de ontwerpverklaring van geen bedenkingen van de raad, van 17 juli 2024 tot en met 27 augustus 2024 ter inzage heeft gelegen. Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.3.
Op 25 maart 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend en de onherroepelijke omgevingsvergunningen uit 2021 ingetrokken. De definitieve verklaring van geen bedenkingen van de raad van 6 februari 2025 maakt onderdeel uit van het bestreden besluit. Het bestreden besluit heeft van 1 april 2025 tot en met 12 mei 2025 ter inzage gelegen. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.
2.4.
Op 18 september 2025 heeft het college besloten het bestreden besluit te vervangen. Zij vonden dit herstelbesluit noodzakelijk, omdat het bestreden besluit verder ging dan de aanvraag. De aanvraag betrof de wijziging van de onherroepelijk verleende omgevingsvergunningen, niet de intrekking ervan. Met het herstelbesluit blijven die omgevingsvergunningen gewijzigd in stand.
Het beroep van eisers tegen het bestreden besluit heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede betrekking op het herstelbesluit.
Toepasselijk recht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om wijziging van de in 2021 verleende omgevingsvergunningen is ingediend op 2 augustus 2023. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beroepsgerechtigdheid
4. Volgens [vergunninghoudster] heeft eiseres [eiser 3] geen zienswijze ingediend. Daarom kan zij volgens [vergunninghoudster] geen beroep instellen.
4.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in een uitspraak van 14 april 2021 [1] , uit het oogpunt van rechtsbescherming, uitgesproken dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van Pro de Awb niet aan belanghebbenden zal worden tegengeworpen. Dit betekent dat de omstandigheid dat eiseres [eiser 3] geen zienwijze heeft ingediend niet aan de ontvankelijkheid van haar beroep in de weg staat.
De rechtbank acht aannemelijk dat de eiseressen [eiser 2] en [eiser 1] zienswijzen hebben ingediend, ondanks dat in de zienswijzen en de zienswijzennota namen zijn weggelakt. Het beroep, voor zover dat door deze eiseressen is ingesteld, is daarom ontvankelijk.
4.2
Omdat eisers zienswijzen naar voren hebben gebracht en hun beroepen hierom ontvankelijk zijn, komt de rechtbank aan de door [vergunninghoudster] opgeworpen vraag of eisers wel allen als belanghebbenden in de zin van de Awb kunnen worden beschouwd, omdat zij niet rechtstreeks feitelijke gevolgen van de wijzigingen ondervinden, niet toe.
Procesbelang
5. Het beroep tegen het bestreden besluit is mede gericht tegen het herstelbesluit van 18 september 2025.
De rechtbank heeft eisers ter zitting de vraag voorgelegd of zij, gelet op het herstelbesluit, nog belang hebben bij beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit (procesbelang). Eisers hebben zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben, voor zover zij beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat het college met het herstelbesluit het bestreden besluit geheel heeft vervangen. Het beroep zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kan de zaak wel worden behandeld?
6. Eisers hebben in hun reactie op het herstelbesluit gesteld dat dit niet is gepubliceerd en openbaar is gemaakt en de inhoud over de terinzagelegging en de rechtsmiddelenclausule in het herstelbesluit onjuist zijn.
6.1
Als het herstelbesluit niet bekend is gemaakt, heeft dit tot gevolg dat het niet in werking is getreden. Ter zitting is gebleken dat het besluit inmiddels bekend is gemaakt, door publicatie in Gemeenteblad 2025, 429315 van 3 oktober 2025. Het is daarmee in werking getreden. Verder is in deze bekendmaking een correcte rechtsmiddelenclausule opgenomen. Uit de tekst van de bekendmaking wordt duidelijk wie beroep kunnen instellen en tot wanneer. Er zijn geen belanghebbenden geschaad in hun belang om rechtsmiddelen tegen het herstelbesluit aan te wenden.
6.2
Gebleken is dat, na de bekendmaking van 3 oktober 2025, binnen zes weken geen nieuwe beroepen zijn ingesteld. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het onderzoek in deze zaak te heropenen.
Bespreking inhoudelijke beroepsgronden
Kon met een wijzigingsaanvraag worden volstaan?
7. Volgens eisers is met het bestreden besluit en het herstelbesluit een nieuwe situatie vergund die, ondanks dat er eerder twee vergunningen zijn verleend ten behoeve van zonneparken op dezelfde percelen, zelfstandig op de ruimtelijke aanvaardbaarheid moet worden beoordeeld en aan het ruimtelijke beleid moet worden getoetst. Eisers vinden hiervoor steun in een uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 [2] . Dit is volgens hen zelfs zo, als de wijziging ten opzichte van het onherroepelijk vergunde bouwplan van ondergeschikte aard is. De gewijzigde uitvoering levert een nieuwe strijdigheid met het bestemmingsplan op. Eisers baseren zich hierbij op een uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018 [3] .
Er zijn in 2021 twee vergunningen verleend aan twee verschillende vergunninghouders en exploitanten, terwijl nu één vergunning is verleend aan één vergunninghouder en exploitant. Dit is van belang, omdat destijds beleidsmatig enkel kleinschalige initiatieven (tot maximaal 5 hectare) op de locatie wenselijk en mogelijk waren.
Het plan is, wat de omvang, de indeling, de eigendomssituatie en exploitatie betreft, anders. Ook zal de landschappelijke inpassing gewijzigd worden uitgevoerd, is de locatie van transformatorstations anders, evenals de beschikbare transportcapaciteit en is er een andere looptijd en geldigheid van de vergunning, terwijl hiermee wordt vooruitgelopen op fasering.
Van een actuele beoordeling is, gezien het tijdsverloop van vier jaar tussen de verlening van de eerdere vergunningen en de gewijzigde vergunning, geen sprake.
Als sprake zou zijn van een gewijzigde vergunning, zou er geen nieuwe termijn van 25 jaar gaan lopen. Hiermee wordt bovendien de maximale termijn van 25 jaar uit artikel 3.41 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (de IOV) onrechtmatig verlengd, aldus eisers.
7.1
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit en het herstelbesluit enkel zien op de wijziging van een onherroepelijk vergund bouwplan, te weten een kleinere uitvoering daarvan. Het onherroepelijk vergunde bouwplan voor zonnepark IJzerbroek ligt dan ook niet opnieuw in volle omvang ter beoordeling voor, maar alleen de vergunde wijzigingen van het bouwplan. Dit betekent dat in deze procedure alleen de aangepaste verkaveling en daarmee dus de verkleining van het zonnepark ter beoordeling aan de orde is.
Op basis van de aanvullende ruimtelijke onderbouwing in de 'Notitie wijzigingen Zonneparken IJzerbroek' van 24 oktober 2023 (hierna: 'de wijzigingsnotitie') hebben het college en de raad geoordeeld dat de aangevraagde wijzigingen van het project in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De motivering daarvan is opgenomen in het bestreden besluit en de daarbij behorende stukken (waaronder de wijzigingsnotitie).
In de wijzigingsnotitie is ingegaan op de gewijzigde positie van het transformatorstation en de (tijdelijk) gewijzigde landschappelijke inpassing van het project. Het transformatorstation wordt iets zuidelijker in het veld geplaatst, maar nog steeds aan de oostkant en derhalve op grote afstand van de omwonenden. Zoals ook in de wijzigingsnotitie staat geschreven, wordt nog altijd ruimschoots voldaan aan de richtafstanden uit de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: 'VNG-brochure').
In de onherroepelijke omgevingsvergunningen voor het oorspronkelijke zonnepark is bepaald dat het gebruik van de gronden als zonneweide voor een periode van 25 jaar is toegestaan. De gronden zijn nog niet in gebruik als zonneweide, omdat het zonnepark nog niet is gerealiseerd. Desondanks was de termijn van 25 jaar met het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunningen wel al gaan lopen. Om ervoor te zorgen dat de gronden voor een periode van 25 jaar kunnen worden gebruikt als zonneweide is de termijn in de nieuwe omgevingsvergunning opnieuw op 25 jaar gesteld.
Het gebruik van het zonnepark is dus slechts voor een periode van 25 jaar toegestaan en is daarmee in overeenstemming met de bepalingen uit de IOV. Binnen zes maanden na de instandhoudingstermijn van 25 jaar moeten de bouwwerken ook daadwerkelijk verwijderd zijn, zoals vastgelegd in de vergunning.
Omdat alleen sprake is van een nieuwe verkaveling, maar geen wijzigingen plaatsvinden in de paneelopstelling, is alleen sprake van een verkleining van het onherroepelijk vergunde zonnepark. Er bestond dan ook geen aanleiding voor burgemeester en wethouders om deze wijziging opnieuw aan het beleid te toetsen. Wat de gewijzigde eigendomssituatie en tenaamstelling betreft, stelt het college zich op het standpunt dat die niet ruimtelijk relevant zijn.
7.2
Vergunninghoudster volgt de visie van het college.
7.3
Blijkens de wijzigingsnotitie houden de wijzigingen in het zonnepark verband met het op het moment van de aanvraag bestaan van onvoldoende transportcapaciteit voor een zonnepark van 10 hectare. Het voornemen bestaat overigens wel om, als de transportcapaciteit weer voldoende is, de rest van het zonnepark te realiseren.
Als gevolg van het realiseren van een kleiner zonnepark wordt de positie van twee transformatorstations iets gewijzigd. Wel worden ze nog steeds opgericht langs de oostgrens van het perceel. In verband met de verkleining wordt verder de landschappelijke inpassing iets aangepast, maar wordt deze nog steeds aangebracht rond de opgestelde zonnepanelen.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat deze wijzigingen niet van dien aard zijn dat hierdoor de ruimtelijke uitstraling en de uiterlijke verschijningsvorm van het bouwplan zodanig veranderen, dat moet worden gesproken van een nieuw initiatief en niet kon worden volstaan met het aanvragen van een wijzigingsvergunning. In de onherroepelijke omgevingsvergunningen is uitgebreid beoordeeld of het zonnepark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Van de wijzigingen gaat geen grotere ruimtelijke impact uit dan van het onherroepelijk vergunde project. Het gewijzigde project zal niet leiden tot een grotere of meer ingrijpende impact op het uitzicht, de landelijke omgeving en het gebruik van de landbouwgronden dan het onherroepelijk vergunde project al zou hebben. De impact zal juist eerder geringer zijn.
Het college heeft dan ook terecht gesteld dat alleen de wijzigingen en de gevolgen hiervan ten opzichte van de vergunde situatie ter beoordeling voorliggen en niet (die van) het reeds vergunde bouwplan in volle omvang. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 [4] .
7.5
In dit geval is een gewijzigde vergunning aangevraagd. Uit de door eisers genoemde uitspraak van 24 september 2018 kan niet worden afgeleid dat niet kon worden volstaan met een aanvraag waarmee beoogd wordt een reeds vergunde situatie te wijzigen. In die zaak was nog geen sprake van een reeds vergunde situatie, maar van een gewijzigde aanvraag, zodat die uitspraak geen betrekking heeft op de situatie die nu voorligt. De rechtbank zal daarom niet ingaan op standpunten die betrekking hebben op de vraag of sprake is van ondergeschikte wijzigingen.
De door eisers genoemde uitspraak van 14 november 2018 heeft betrekking op een situatie waarin uit de aanvraag niet bleek waar de wijzigingen ten opzichte van het eerder vergunde bouwplan op zagen. Die situatie is naar het oordeel van de rechtbank hier niet aan de orde. Daarnaast doet de omstandigheid dat in die zaak de eerder verleende omgevingsvergunning werd ingetrokken, zich in deze zaak niet (meer) voor, omdat de intrekking van de eerder verleende vergunningen met het herstelbesluit ongedaan is gemaakt.
7.6
De rechtbank deelt niet de opvatting van eisers dat bij een gewijzigde vergunning geen sprake kan zijn van een nieuwe termijn van 25 jaar. Deze termijn ziet, zoals het college heeft aangegeven en ook uit de toelichting op artikel 3.41 volgt, op het gebruik van het terrein als zonnepark en dit gebruik was ten tijde van de verlening van de gewijzigde vergunning nog niet aangevangen. Die termijn is in overeenstemming met artikel 3.41 van de IOV.
7.7
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gewijzigde eigendomssituatie en de tenaamstelling van de vergunning geen ruimtelijk relevante wijzigingen zijn.
7.8
Wat eisers verder hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat niet met een gewijzigde aanvraag kon worden volstaan, treft geen doel.
Dit betoog van eisers slaagt niet.
8. Omdat naar het oordeel van de rechtbank met een wijzigingsaanvraag kon worden volstaan en het herstelbesluit louter ziet op de wijzigingen ten opzichte van de situatie die is vergund met de onherroepelijke omgevingsvergunningen uit 2021, neemt de rechtbank dit bij de beoordeling van de overige beroepsgronden als uitgangspunt en zal bij die beoordeling het herstelbesluit als voorwerp nemen.
Ruimtelijke onderbouwing en toetsing gewijzigd plan
9. Volgens eisers mist het plan een ruimtelijke onderbouwing en is de vergunning daarom in strijd met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo en de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb verleend. De bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing dateert van 1 juli 2021 en ziet op twee andere plannen. In de wijzigingsnotitie wordt alleen bevestigd dat de beoogde realisatie niet past binnen de bestaande vergunningen, maar vindt geen ruimtelijke onderbouwing plaats. Ook de onderliggende rapporten zien op de oorspronkelijke plannen.
Verder zit er bij het herstelbesluit geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad; er wordt verwezen wordt naar de vvgb van 6 februari 2025. Deze is echter op een ander besluit van toepassing en in ieder geval niet op het wijzigen van één dan wel twee eerder verleende vergunningen.
Ook heeft ten aanzien van de wijzigingen geen participatie plaatsgevonden.
9.1
Volgens het college is er een aanvullende ruimtelijke onderbouwing opgesteld ten behoeve van de gewijzigde uitvoering van het vergunde zonnepark. Het gaat in dit geval enkel om de gewijzigde uitvoering van een vergund project. In een dergelijk geval hoeft niet het bouwplan in volle omvang (opnieuw) te worden beoordeeld, maar enkel de wijziging die voorligt. Er bestond volgens het college dan ook geen aanleiding om de rapporten die aan de onherroepelijke omgevingsvergunningen ten grondslag liggen, te actualiseren.
9.2
Vergunninghoudster wijst op de wijzigingsnotitie en het aangepaste landschappelijk inpassingsplan. Ook is door de raad een nieuwe vvgb afgegeven. Voor de motivering is ook daarnaar verwezen en niet alleen naar de ruimtelijke onderbouwing uit 2021. De belangrijke elementen uit die ruimtelijke onderbouwing gelden nog steeds, zoals een maximale hoogte voor de opstelling van 1,50 meter en openingen tussen de panelen. Volgens vergunninghoudster is een gedegen en gemotiveerde afweging gemaakt van wat de ruimtelijke effecten zijn van het gewijzigde plan.
In de wijzigingsnotitie is aangegeven wat de wijzigingen zijn ten opzichte van de vergunde activiteit en dat deze wijzigingen hoofdzakelijk plaatsvinden binnen de ruimtelijke structuur van het vergunde zonnepark. Er vinden geen wijzigingen plaats in de opstelling van de zonnepanelen. Volgens de wijzigingsnotitie is er sprake van een (tijdelijke) wijziging van de landschappelijke inpassing rondom een kleiner gebied dan die welke bij de verleende vergunningen al is beoordeeld. Met betrekking tot de wijziging van de positie van de transformatorstations is vermeld dat, in de ruimtelijke onderbouwing bij de onherroepelijke vergunningen, alle relevante milieuaspecten, zoals geluid, reeds zijn getoetst. De wijziging van de positie van de transformatorstations kan ervoor zorgen dat de getoetste richtafstanden wijzigen ten opzichte van de vergunde situatie, maar gelet op de grote afstand van omliggende woningen tot aan de technische installaties (meer dan 100 meter) wordt ook met de nieuwe positie van de transformatorstations voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering'. De conclusie van de wijzigingsnotitie is dat de wijziging ruimtelijk uitvoerbaar is.
9.3
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat ten aanzien van het gewijzigde project geen ruimtelijke toetsing heeft plaatsgevonden. Het college heeft terecht aanvaardbaar geacht dat vergunninghoudster heeft volstaan met een onderbouwing van alleen de ruimtelijke gevolgen van de wijzigingen. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag liggende rapporten. Deze zijn niet van een zodanige ouderdom dat hieraan geen betekenis meer kan worden toegekend. De rechtbank betrekt hierbij dat op dit moment ook het onherroepelijk vergunde project zou kunnen worden gerealiseerd zonder dat nieuwe onderzoeken zouden moeten plaatsvinden.
In de Notitie wijzigingen Zonneparken IJzerbroek van 24 oktober 2023 zijn de wijzigingen beschreven waarop het gewijzigde project betrekking heeft. Dit project is in de Notitie aangeduid als fase 1. Blijkens de vvgb van 6 februari 2025 ziet deze verklaring op deze eerste fase en daarmee op het gewijzigde project. De rechtbank volgt dan ook niet eisers opvatting hierover.
Anders dan eisers stellen heeft er wel degelijk participatie plaatsgevonden over het gewijzigde project. In januari 2024 heeft vergunninghoudster omwonenden via een brief op de hoogte gesteld van de wijzigingen. Naar aanleiding daarvan zijn drie reacties ingekomen. Van deze participatie heeft vergunninghoudster een notitie opgesteld die deel uitmaakt van de gedingstukken.
Ook dit betoog van eisers kan niet leiden tot vernietiging van het herstelbesluit.
Toetsing aan nieuw gemeentelijk beleid
10. Volgens eisers geldt er binnen de gemeente Land van Cuijk gewijzigd beleid voor de aanleg van zonneparken, vastgelegd in het "Beleidskader zon-op-land gemeente Land van Cuijk", waarin het initiatief niet past.
10.1
Het college stelt zich op het standpunt dat het gaat om de gewijzigde uitvoering van een reeds onherroepelijk vergund project. In dat geval behoeft het project niet opnieuw aan gemeentelijk beleid te worden getoetst, zodat de wijziging van het beleid geen invloed heeft. Overigens past het gewijzigde project volgens het college in het nieuwe beleid.
10.2
Vergunninghoudster onderschrijft de opvatting van het college.
10.3
Eisers stellen terecht dat in de gemeente Land van Cuijk nieuw beleid geldt voor zonneparken. Het beleidskader geldt met ingang van 15 december 2023 bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het realiseren en exploiteren van zonneparken.
In het beleidskader is aangegeven dat het doel ervan is om aan te geven waar in de gemeente zonneparken mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Het beleidskader heeft betrekking op de ontwikkeling van zon-op-land in het landelijk gebied binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Land van Cuijk. De rechtbank leidt hieruit af dat de beleidsregel van toepassing is op gevallen waarin nog een keuze moet worden gemaakt ten aanzien van de locaties waar de realisering van zonneparken mogelijk is. Omdat in dit geval die keuze al is gemaakt bij de verlening van inmiddels onherroepelijke vergunningen, is de beleidsregel niet op dit project van toepassing. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van een wijziging in de verkaveling, waarbij geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eisers aanvoeren over de ligging van het project in de [locatie].
Ook dit betoog slaagt niet.
Toetsing aan rijks- en provinciaal beleid
11. Volgens eisers heeft het college ten onrechte niet getoetst aan de zogenoemde 'zonneladder' uit het landelijk afwegingskader. Ook had moeten worden getoetst aan artikel 5.54 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant en niet aan artikel 3.41 van de IOV.
11. 1 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat moest worden getoetst aan de IOV, omdat de aanvraag voor 1 januari 2024, de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet, is ingediend.
Artikel 3.41 van de IOV is volgens het college niet op de locatie van toepassing, omdat geen sprake van een 'nieuwvestiging', als in de IOV bedoeld.
11.2
De rechtbank overweegt dat er geen landelijk afwegingskader is waaraan de aanvraag voor een omgevingsvergunning rechtstreeks had moeten worden getoetst. In zoverre kan het betoog van eisers dan ook niet worden gevolgd.
Omdat, zoals het college heeft betoogd, de aanvraag is ingediend op een moment dat de Omgevingswet nog niet in werking was getreden, is het oude recht van toepassing gebleven. Dit betekent dat de aanvraag moest worden getoetst aan artikel 3.41 van de IOV.
11.3
In artikel 3.41 van de IOV is bepaald dat binnen landelijk gebied de nieuwvestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk is om te kunnen voldoen aan de doelstelling voor het opwekken van duurzame energie. Een nieuwvestiging is volgens artikel 1.1 van de IOV de vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan. In artikel 3.1 van de IOV is bepaald dat onder een bestemmingsplan ook moet worden begrepen: een omgevingsvergunning waarbij, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo, van het bestemmingsplan wordt afgeweken.
In dit geval is voor het zonnepark al onherroepelijk een omgevingsvergunning verleend. Van een nieuwvestiging is daarom geen sprake. Artikel 3.41 van de IOV is dan ook niet op het project van toepassing.
Dit betoog van eisers slaagt niet.
Natuurbescherming en stikstofdepositie
12. Volgens eisers is de Quickscan Wet natuurbescherming (Wnb) uit 2020 gedateerd. Het omgevingsplan ter plaatse kent de aanduiding 'Leefgebied Struweelvogels' en
dit betekent dat daar aandacht aan besteed moet worden. Uit de besluitvorming
wordt niet duidelijk of hieraan is getoetst, dan wel of hiervan is afgeweken.
Weliswaar is volgens eisers de stikstofberekening uit 2021 geactualiseerd met een berekening van 2 november 2023, maar bij de beoordeling van de effecten van de stikstofdepositie heeft het college ten onrechte niet de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, over intern en extern salderen, betrokken.
12.1
Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
12.2
De bepalingen uit de Wnb waarop het onderzoek in dit geval is gebaseerd, strekken tot bescherming van plant- en diersoorten en daarmee tot de bescherming van een algemeen belang. De belangen van eisers bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving zijn niet zodanig verweven met dit algemene belang, dat de Wnb ook deze belangen beoogt te beschermen. Volgens de Afdeling zal, als die afstand hemelsbreed meer dan honderd meter bedraagt, in het algemeen zo'n verwevenheid niet worden aangenomen [5] . In dit geval bedraagt de afstand van de woningen van eisers tot het projectgebied in alle gevallen meer dan honderd meter. De bepalingen uit de Wnb strekken dan ook kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers.
12.3
Voor zover het gaat over de stikstofdepositie strekken de bepalingen uit de Wnb tot bescherming van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Ook hierbij geldt dat de belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt
te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. In dit geval ligt het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied, de 'Oeffelter Meent', op een afstand van meer dan 9 kilometer
van de woningen van eisers en maakt daarmee geen deel uit van hun leefomgeving. Daarom kan niet worden gezegd dat de normen uit de Wnb die betrekking hebben op de bescherming van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden strekken tot de bescherming van de individuele belangen van eisers.
In wat eisers aanvoeren over de bepalingen van de Wnb kan dan ook geen grond worden gevonden voor vernietiging van het herstelbesluit.
Netcongestie
13. Volgens eisers is het de vraag of een veilig elektriciteitsnet gegarandeerd kan worden en of, gezien de netcongestie, het zonnepark uitvoerbaar is. Die onduidelijkheid levert strijd met een goede ruimtelijke ordening op.
13.1
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is op welke rechtsregel eisers zich beroepen. Normen of regels over de beschikbaarheid van een aansluiting op het net strekken in ieder geval niet tot bescherming van de belangen van omwonenden, zodat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met die normen of regels.
13.2
Voor zover eisers met deze beroepsgrond hebben beoogd een beroep te doen op artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waarin is bepaald dat de toelichting bij een bestemmingsplan of een ontwerp ervan inzichten moet bevatten over de uitvoerbaarheid ervan, kan dit beroep niet slagen.
In de wijzigingsnotitie is verwoord dat de gewijzigde aanvraag verband houdt met het ontbreken van voldoende transportcapaciteit om de twee zonneparken waarvoor omgevingsvergunning is verleend volledig aan te sluiten. De rechtbank leidt hieruit af dat voor het kleiner uitgevoerde zonnepark wel voldoende transportcapaciteit aanwezig is. Aldus is in voldoende mate uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro.
Ter zitting heeft vergunninghoudster overigens laten weten dat de netaansluiting al is gerealiseerd en er voldoende transportcapaciteit is vastgelegd in de overeenkomst met de regionale netbeheerder, wat de wijzigingsnotitie onderschrijft.
Dit betoog kan niet slagen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, niet-ontvankelijk. Voor zover het beroep is gericht tegen het herstelbesluit is het ongegrond. Dit betekent dat het herstelbesluit in stand blijft. In de omstandigheid dat het college een herstelbesluit heeft genomen nadat eisers beroep hebben ingesteld ziet de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb, aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van € 934,00 die samenhangen met de indiening van het beroepschrift. Nu het beroep ongegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit;
  • verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het herstelbesluit, ongegrond;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M. Kleijn Hesselink, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
De voorzitter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Als u het niet met deze uitspraak eens bent, kunt u een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze datum staat hierboven.
Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Kunt u de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.