Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1037

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24/4154
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing toevoeging voor bezwaarschrift herhaalde asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand waarin zijn aanvraag voor een toevoeging werd afgewezen. De toevoeging was bedoeld voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de staatssecretaris over zijn herhaalde asielaanvraag.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep. Uit de procedure blijkt dat eiser niet langer in Nederland verblijft maar in Bulgarije, en dat er geen contact meer is tussen eiser en zijn gemachtigde. De gemachtigde heeft niet gereageerd op verzoeken van de rechtbank om bewijs van contact en ondertekende formulieren, hoewel het griffierecht is betaald.

De rechtbank concludeert dat het procesbelang ontbreekt omdat eiser door zijn uitzetting naar Bulgarije feitelijk geen belang meer heeft bij de toevoeging. Eerder verleende toevoegingen en voorlopige voorzieningen konden het verblijf in Nederland niet meer veiligstellen. Ook is niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door het niet verlenen van de toevoeging.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst het af. De uitspraak is gedaan door rechter M.M.L. Wijnen en griffier A. Buijk-Ibrahimovic op 20 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de toevoeging wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en contact met de gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4154

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de Raad

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het op 17 december 2024 ingestelde beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 5 november 2024. In dit besluit is de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging gehandhaafd. De gevraagde toevoeging (1KK 8247) zag op het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit ex artikel 3.1. van het Vreemdelingenbesluit 2000 waarmee de staatssecretaris een voorlopig oordeel geeft over de herhaalde asielaanvraag asiel van eiser. Volgens de raad was er onvoldoende reden voor rechtsbijstand.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. De rechtbank heeft drie beroepen van eiser aanhangig jegens verschillende in een kort tijdsbestek genomen besluiten van de raad over geweigerde toevoegingen. In die zaken heeft de gemachtigde al op 14 januari 2025 laten weten dat eiser inmiddels niet langer in Nederland verblijft maar op een onbekend adres in Bulgarije en dat zij niet in staat is om het formulier betalingsonmacht door haar cliënt te laten ondertekenen.
3. Vervolgens is de gemachtigde gevraagd om bewijsstukken waaruit blijkt dat eiser nog steeds contact met de gemachtigde heeft en haar gemachtigd heeft deze procedure te voeren. Tevens is verzocht om het formulier betalingsonmacht door haar cliënt zelf te laten ondertekenen. De gemachtigde heeft niet op de vragen van de rechtbank gereageerd maar wel het griffierecht betaald. Gelet op het bepaald in artikel 8:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag de rechtbank van een advocaat geen schriftelijke machtiging verlangen. Een advocaat die zonder opdracht procedeert kan immers tuchtrechtelijke worden aangesproken [1] . Dit laat echter onverlet dat de advocaat met het oog op de beoordeling van het procesbelang wel gevraagd kan worden te verklaren of zij nog contact heeft met haar cliënt. Uit het uitblijven van een antwoord leidt de rechtbank af dat zij dit dus niet heeft. De vraag naar het procesbelang houdt tevens de vraag in of het doel dat eiser met deze procedure wil bereiken (een toevoeging) voor hem nog van feitelijke betekenis is. Het feit dat hij geen contact meer onderhoudt met de advocaat om wiens toevoeging hij heeft verzocht maakt dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden. Daarbij komt dat indien er wel contact zou zijn, er naar het oordeel van de rechtbank ook geen procesbelang is.
4. Eiser verzoekt namelijk om een toevoeging voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een
voorlopigoordeel van de staatssecretaris van 5 juli 2024. Hierin heeft de staatssecretaris beslist dat eisers overdracht naar Bulgarije in weerwil van de door hem ingediende herhaalde asielaanvraag niet achterwege wordt gelaten. De rechtbank ziet niet in dat het alsnog verlenen van een toevoeging voor die procedure voor eiser nog van feitelijke betekenis is. Hij is immers inmiddels alsnog naar Bulgarije is uitgezet, nadat dit voorlopige oordeel had plaatsgemaakt voor definitieve besluitvorming over zijn herhaalde asielaanvraag. Voor de beroepszaak is wel een toevoeging verleend (1KL5980), hetgeen ook geldt voor de door de voormalige gemachtigde (succesvol) aanhangig gemaakte voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting op 8 juli 2024 (1KK8254). Eiser kan dus met eventueel (alsnog) toegevoegde rechtsbijstand niet meer bereiken dat hij in Nederland mag blijven. Feitelijke betekenis bij een toevoeging ontbreekt daarom voor hem. Gelet op de geschetste gang van zaken is verder niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door het niet verlenen van de toevoeging. Dat eiser zijn gemachtigde opdracht heeft gegeven om niet uitsluitend op toevoegingsbasis maar tegen facturering werkzaamheden voor hem te verrichten, acht de rechtbank gelet op het gestelde ontbreken van inkomen niet aannemelijk. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit over de afwijzing van zijn verzoek om (gefinancierde) rechtsbijstand. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat, anders dan in de zaak 25/146, de rechtsbijstandsverlener zelf geen belanghebbende is bij deze procedure. Het ingestelde rechtsmiddel kan dus niet worden toegerekend worden aan de gemachtigde.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Buijk-Ibrahimovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.