ECLI:NL:RBOBR:2025:8907

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/01/420384 / FA RK 25-4367
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:9 WvggzArt. 10:3 lid 1 onder f WvggzArt. 10:7 lid 1 en 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling klacht tegen verplichte zorg en depotmedicatie onder Wvggz

De rechtbank Oost-Brabant behandelde een klacht van verzoeker tegen de toepassing van verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie antipsychotica, op grond van een zorgmachtiging. Verzoeker betwistte de aanwezigheid van een psychische stoornis en stelde dat de medicatie onnodig en disproportioneel was, mede vanwege bijwerkingen. Tevens voerde hij aan dat het 8:9-formulier niet voldeed aan de wettelijke vereisten, omdat de exacte medicatie niet was vermeld, de naam van de zorgverantwoordelijke ontbrak en het formulier niet was ondertekend.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van de exacte medicatie op het formulier niet tot niet-naleving van de formele vereisten leidt, aangezien verzoeker wist of had kunnen weten om welke medicatie het ging. Ook het ontbreken van de naam en handtekening van de zorgverantwoordelijke op het formulier was niet doorslaggevend, omdat de beslissing schriftelijk was vastgelegd en verzoeker persoonlijk door de zorgverantwoordelijke was geïnformeerd. De rechtbank concludeerde dat aan de formele vereisten van artikel 8:9 Wvggz Pro was voldaan.

Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat verzoeker vanwege een psychische stoornis ernstig nadeel kan ondervinden zonder medicatie, zoals eerder psychose en katatone kenmerken. Gezien het gebrek aan ziekte-inzicht achtte de rechtbank depotmedicatie proportioneel en noodzakelijk, omdat minder ingrijpende zorgvormen niet effectief zouden zijn. De klacht werd daarom ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking staat cassatie open. De uitspraak werd op 25 november 2025 in het openbaar uitgesproken door rechter L. Jongen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht tegen de verplichte toediening van depotmedicatie ongegrond en bevestigt dat aan de formele en inhoudelijke vereisten van de Wvggz is voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie ’s-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420384 / FA RK 25-4367
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking over een verzoek tot verkrijging van een beslissing over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz Pro
in de zaak van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende en verblijvende in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen verzoeker,
advocaat: mr. M.J.J. Spieringhs,
tegen:
STICHTING GGzE,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: verweerster,
gemachtigden: [beleidsadviseur] , beleidsadviseur juridische zaken en [zorgverantwoordelijke] , verpleegkundig specialist en zorgverantwoordelijke.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 28 oktober 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van verweerster gedateerd 12 november 2025.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025 in het gerechtsgebouw te Eindhoven. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door diens advocaat;
  • [mentor/moeder] , mentor en moeder van betrokkene;
  • [zus] , zus van betrokkene;
  • [beleidsadviseur] ;
  • [zorgverantwoordelijke] .

2.De feiten

2.1.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 augustus 2025 een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg verleend ten aanzien van verzoeker met een geldigheidsduur tot en met 25 februari 2026. In de zorgmachtiging is onder andere ‘toedienen van medicatie’ als vorm van verplichte zorg opgenomen.
2.2.
Verzoeker heeft op 3 september 2025 een klacht ingediend tegen de beslissing tot toepassen van verplichte zorg in de zin van depotmedicatie.
2.3.
De klachtencommissie heeft bij beslissing van 3 september 2025 de klacht gegrond verklaard, omdat geen formele aanzegging ex artikel 8:9 Wvvgz Pro was uitgereikt.
2.4.
Op 22 september 2025 is alsnog een beslissing ex artikel 8:9 Wvggz Pro uitgereikt. In de beslissing is het volgende opgenomen:
“Vanuit het verhoogde risico om opnieuw psychotisch ontregeld te raken met ernstige
gevolgen en nadeel voor client, wat blijkt uit eerdere opname, is het van belang om de
antipsychotica depotmedicatie, voort te zetten tijdens de ambulante behandeling. Uit
ervaring is gebleken de depot medicatie (antipsychotica) een werkzaam middel is met als
doel om het ernstige nadeel af te wenden en terugval te voorkomen (psychose met
katatonie). Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Client vindt
dat er niets met hem aan de hand is, heeft geen ziekte-inzicht en ziektebesef. Hij houdt
contacten af en wenst geen medicatie in te nemen, omdat hij van mening is dat hij geen zorg
nodig heeft. Hij overziet niet de consequenties van zijn gedrag. Daarom is de verplichte zorg nodig. Client heeft een zorgmachtiging. Ook zijn mentor staat achter het besluit om
depotmedicatie te verstrekken.”
2.5.
Op 22 september 2025 heeft de klachtencommissie een klaagschrift ontvangen van verzoeker. In de omschrijving van de klacht is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

Vandaag kwam mijn zorgverantwoordelijke [zorgverantwoordelijke] mij thuis een brief brengen om de depotmedicatie opnieuw aan te zeggen. Ik ben het hier nog steeds niet mee eens en wil hierbij dan ook opnieuw bezwaar maken. Ik verzoek de commissie tevens om de behandeling te schorsen totdat u een besluit genomen heeft over deze klacht.
2.6.
Op 23 september 2025 heeft verweerster een verweerschrift bij de klachtencommissie ingediend.
2.7.
Op 2 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de klacht door de klachtencommissie plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft verzoeker zich, naast de klacht op het klachtenformulier, ook op het standpunt gesteld dat de aangezegde verplichte zorg niet aan de formele vereisten van de Wvggz voldoet, omdat uit de aanzegging onvoldoende blijkt welke antipsychotica exact zal worden toegediend, het 8.9-formulier niet is ondertekend en de naam van de zorgverantwoordelijke niet op het formulier is vermeldt.
2.8.
Bij beslissing van 9 oktober 2025 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard. De klachtencommissie overweegt daartoe (kort samengevat) dat er geen sprake is van schending van de formele vereisten van verplichte zorg en dat ook de in de wet geformuleerde inhoudelijke eisen in acht zijn genomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Verzoeker verzoekt de rechtbank om zijn klacht gegrond te verklaren. Verzoeker is het namelijk niet eens met de beslissing van de klachtencommissie. Verzoeker stelt dat hij gezond is en geen medicatie nodig heeft. Verzoeker is van mening dat er geen sprake is van een psychische stoornis noch ernstig nadeel. Hetgeen genoemd is als ernstig nadeel is volgens hem niet aan de orde. Hij ervaart vervelende bijwerkingen van de medicatie tijdens zijn dagelijkse bezigheden. Hij is oververmoeid en voelt zich suf, hij kan niet meer sporten, zijn reactievermogen neemt af en hij wordt zwaarder. Toediening van de medicatie acht hij niet proportioneel.
Verder stelt verzoeker dat in het 8:9- formulier niet is opgenomen welke medicatie zal worden toegediend, dat de naam van de zorgverantwoordelijke niet is genoemd en dat het formulier niet is ondertekend. Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke vereisten, aldus verzoeker. Verzoeker verzoekt de klacht tegen de beslissing 8:9 Wvggz alsnog gegrond
te verklaren.
3.2.
Verweerster voert verweer en concludeert tot ongegrondverklaring van de klacht.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Heeft verzoeker het verzoek tijdig ingediend?
4.1.
Op grond van artikel 10:7, tweede lid, Wvggz bedraagt de termijn voor het indienen van een verzoekschrift zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan verzoeker is meegedeeld. De rechtbank leidt uit de beslissing van de klachtencommissie af dat deze is genomen op 9 oktober 2025. Ervan uitgaande dat de beslissing ook op deze datum aan verzoeker is meegedeeld, had verzoeker tot en met 20 november 2025 de gelegenheid om een verzoekschrift in te dienen. Het verzoekschrift is op 28 oktober 2025, en daarmee tijdig, ontvangen.
Is de klacht klachtwaardig en is verzoeker klachtgerechtigd?
4.2.
In hoofdstuk 10 van de Wvggz is een klachtenprocedure opgenomen. Deze
regeling is bedoeld als een toegankelijke voorziening, waarbij zo min mogelijk drempels
worden opgeworpen voor de betrokkene om zijn klachten door een onafhankelijke
commissie te laten beoordelen.
Artikel 10:3 lid Pro 1, aanhef en onder f, Wvggz bepaalt dat onder meer de betrokkene een
schriftelijke en gemotiveerde klacht kan indienen bij de klachtencommissie over de
nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro.
Artikel 10:7 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat nadat de klachtencommissie een beslissing heeft
genomen of indien de klachtencommissie niet tijdig een beslissing heeft genomen, de
betrokkene, de vertegenwoordiger, de zorgaanbieder of een nabestaande van betrokkene een
schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift kan indienen bij de rechter ter verkrijging van een
beslissing over de klacht. Aangezien de klachtencommissie in dit geval een beslissing heeft genomen kan verzoeker de rechtbank verzoeken om een beslissing over de klacht te geven.
Inhoudelijk
4.3.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van de klacht. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Formele vereisten
4.4.
De rechtbank moet allereerst beoordelen of de aanzegging van de verplichte zorg voldoet aan de formele vereisten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
In artikel 8.9 Wvggz is bepaald dat de zorgverantwoordelijke een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging op schrift stelt en de beslissing van een schriftelijke motivering voorziet. Daarnaast is bepaald dat de geneesheer-directeur betrokkene, de vertegenwoordiger en de advocaat een afschrift van de beslissing geeft en hen schriftelijk in kennis stelt van de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de patiënten vertrouwens persoon en de familievertrouwenspersoon.
4.5.
Niet in geschil is dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op schrift is gesteld en dat deze beslissing schriftelijk is gemotiveerd. In het 8.9-formulier is opgenomen dat het gaat om het toedienen van antipsychotica depotmedicatie. Hoewel uit het
8.9-formulier niet blijkt om welk medicijn het precies gaat, volgt uit de motivering van de beslissing dat het om dezelfde medicatie gaat als de medicatie die verzoeker gedurende zijn opname kreeg toegediend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de zorgverantwoordelijke bevestigd dat verzoeker sinds zijn opname op de HIC in juli 2025 steeds hetzelfde antipsychoticum in depotvorm heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoeker in dit geval dus kunnen begrijpen om welk antipsychoticum het ging en had hij, indien hij het met deze medicatie niet eens was, hierover in overleg kunnen treden. De stelling van de advocaat, dat verzoeker de mogelijkheid is ontnomen om naar aanleiding van het 8.9-formulier in overleg te treden over het soort antipsychoticum dat zou worden toegediend, omdat de naam van de medicatie niet op het 8.9-formulier is vermeld gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op. Hoewel het aanbeveling verdient om de exacte medicatie in het 8.9-formulier te benoemen, maakt het achterwege laten ervan in dit geval niet dat niet aan de formele vereisten is voldaan.
4.6.
Dat de naam van de zorgverantwoordelijke niet op het 8.9-formulier is opgenomen en dat het formulier niet is ondertekend leidt evenmin tot het oordeel dat niet aan de formele vereisten voor het toepassen van verplichte zorg is voldaan. Uit het formulier blijkt dat de beslissing door de zorgverantwoordelijke is genomen en dat die hiertoe overleg heeft gevoerd met de psychiater. Normaliter staat de naam en de handtekening van de zorgverantwoordelijk op het formulier, maar die zijn volgens verweerster in dit geval om onduidelijke redenen ‘weggevallen’. Los van het feit dat ondertekening van het formulier niet als formeel vereiste in de wet is opgenomen, maakt het ontbreken ervan niet dat voor verzoeker niet duidelijk was of had kunnen zijn wie zijn zorgverantwoordelijke is die de beslissing heeft genomen. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het zorgplan en is bekend bij zijn moeder, tevens mentor. Van belang is dat de beslissing op schrift is gesteld en dat verzoeker hiervan persoonlijk door zijn zorgverantwoordelijke in kennis is gesteld. Verzoeker heeft ter zitting weliswaar verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren dat zijn zorgverantwoordelijke het 8.9-formulier persoonlijk aan hem heeft overhandigd, maar zijn mentor en zus hebben dit ter zitting bevestigd en het blijkt bovendien uit de klacht (zie 2.5.) die verzoeker nog diezelfde dag heeft ingediend.
4.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de formele vereisten voor het toepassen van verplichte zorg is voldaan.
Inhoudelijke eisen
4.8.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de toegepaste verplichte zorg, in dit geval het toedienen van antipsychotica depotmedicatie voldoet aan de Wvggz-criteria van
proportionaliteit, doelmatigheid en subsidiariteit. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.9.
Uit de stukken blijkt dat het gedrag van verzoeker als gevolg van een psychische stoornis tot ernstig nadeel voor hemzelf kan leiden. Er is in het recente verleden sprake geweest van een psychose. Er werden katatone kenmerken gezien, waarbij verzoeker urenlang niet bewoog, at of dronk. Hierdoor is verzoeker opgenomen op de spoedeisende hulp. Tijdens de mondeling behandeling ontkent verzoeker dat sprake is van een psychische stoornis en dat hij dit gedrag heeft vertoont. Volgens verzoeker voelt hij zich juist prima zonder medicatie. Vanwege het gebrek aan ziektebesef – en inzicht bij verzoeker verwachten de behandelaren niet dat verzoeker de voorgeschreven antipsychotica vrijwillig en trouw (oraal) zal innemen. Een minder vergaande vorm van verplichte zorg dan het toedienen van depotmedicatie, ligt dus niet in de rede. In het verleden is behandeling met antipsychotica succesvol en doeltreffend geweest ter verbetering van de gezondheidssituatie van verzoeker.
4.10.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de beslissing om antipsychotica via depotmedicatie toe te dienen aan de criteria van de Wvggz voldoet. De rechtbank zal daarom de klacht van verzoeker ongegrond verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de klacht van verzoeker ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Jongen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
25 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.