Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie ' [plaats] , hierna te noemen: de
Rechtbank Oost-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot geheimhouding van bepaalde stukken in een procedure over wijziging van de omgangsregeling met minderjarige kinderen. De GI verzocht de kinderrechter om inzage en afschrift van het niet aangepaste verzoekschrift en een document niet aan de vader te verstrekken, vanwege bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De kinderrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat alle belanghebbenden dezelfde stukken kunnen inzien, conform artikel 6 EVRM Pro. Echter kan op grond van artikel 811 lid 2 Rv Pro in zaken over minderjarigen inzage worden geweigerd als het belang van privacy zwaarder weegt. De GI is niet formeel verzoekende partij in dit artikel, maar de rechter past het op grond van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) analoog toe.
De kinderrechter oordeelt dat het belang van de kinderen en moeder bij bescherming van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van de vader bij inzage in de niet aangepaste stukken. De kinderen wonen op een geheim adres, hebben verklaard mishandeld te zijn door de vader, die dit ontkent. De vader heeft slechts beeldbelcontact met de kinderen. De gevolgen voor de procesvoering van de vader zijn beperkt omdat de onthouden gegevens gering zijn.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. De vader krijgt alleen inzage in de aangepaste versie van het verzoekschrift en het document die door de GI zijn verstrekt.
Uitkomst: De vader wordt de inzage in het niet aangepaste verzoekschrift en document onthouden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kinderen en moeder.