ECLI:NL:RBOBR:2025:8891

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/01/420049 / JE RK 25-139
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in een jeugdzorgzaak met wrakingsverzoek

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 27 november 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarigen, te weten [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige C], [minderjarige D] en [minderjarige E]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van drie weken, met ingang van 28 november 2025 tot 19 december 2025. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B], [minderjarige C], [minderjarige D] en [minderjarige E] verlengd voor dezelfde periode. De vader van de kinderen heeft tijdens de mondelinge behandeling op 7 november 2025 een wrakingsverzoek ingediend tegen de kinderrechter, welke door de wrakingskamer op 19 november 2025 is afgewezen. De kinderrechter heeft in de beoordeling de belangen van de minderjarigen en de verzoeken van de gecertificeerde instelling (GI) en de vader in overweging genomen. De kinderrechter heeft besloten om de verdere beslissingen aan te houden tot een nader te bepalen zittingsdatum, waarbij de GI en de belanghebbenden een oproep zullen ontvangen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420049 / JE RK 25-1398
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging [plaats vestiging] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
over de minderjarigen:
[minderjarige A],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige A] ,
[minderjarige B],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige B] ,
[minderjarige C],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige C] ,
[minderjarige D],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige D] ,
[minderjarige E],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige E] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[Moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,
[Vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de vader, ontvangen op 5 november 2025;
  • de mail van de vader, ontvangen op 6 november 2025;
  • het aanvullende stuk van de GI, ontvangen op 11 november 2025;
  • de e-mail van de vader, ontvangen op 15 november 2025;
  • de brief van de GI, ontvangen op 17 november 2025;
  • de e-mails van de vader, ontvangen op 24 november 2025;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 24 november 2025;
  • de e-mails van de vader, ontvangen op 25 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [vertegenwoordiger GI] , [vertegenwoordiger GI] en [vertegenwoordiger GI] , vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Aan [begeleider] en [begeleider] , begeleiders van vader van [begeleidende instantie] , is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader de kinderrechter gewraakt. Bij beschikking van de wrakingskamer van 19 november 2025 is het wrakingsverzoek van de vader afgewezen.
1.5.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [vertegenwoordiger GI] , [vertegenwoordiger GI] en [vertegenwoordiger GI] , vertegenwoordigers van de GI.
1.6.
Aan [begeleider] , begeleider van de vader van [begeleidende instantie] , is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.
1.7.
De kinderrechter heeft [minderjarige A] en [minderjarige B] naar hun mening gevraagd. [minderjarige A] en [minderjarige B] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2025 heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige A] en [minderjarige B] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en moeder zijn met elkaar gehuwd. De moeder heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] .
2.3.
Bij beschikking van 30 augustus 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 30 november 2024. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gedurende dag en nacht bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, verleend voor de duur van vier weken, daarmee tot
27 september 2024. De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 12 september 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gedurende dag en nacht bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot
30 november 2024. Bij deze beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gedurende dag en nacht in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 30 november 2024.
2.5.
Bij beschikking van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank bij voorlopige voorziening bepaald dat de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd.
2.6.
Bij beschikking van 28 november 2024 zijn [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] onder toezicht gesteld van de GI tot 28 november 2025. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg
verleend voor de duur van zes maanden, daarmee tot 28 mei 2025. De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden.
2.7.
Bij beschikking van 14 mei 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg verleend voor zes maanden, met ingang van 28 mei 2025 tot
28 november 2025.
2.8.
Bij beschikking van 10 september 2025 is aan de vader een voorlopig verbod op contact met [minderjarige A] opgelegd voor de duur van hoogstens vier weken.
2.9.
Bij beschikking van 3 oktober 2025 (zaaknummers C/01/417921 / JE RK 25-1050 en C/01/419040 / JE RK 25-1214) is bepaald dat de vader met ingang van 9 oktober 2025 gerechtigd is tot begeleid contact met [minderjarige A] eens in de twee weken gedurende 1,5 uur waarbij de GI de regie heeft over de frequentie, duur en aard van het contact en de GI tot doel heeft het contact 1,5 uur per week te laten plaatsvinden, mits de vader voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing van 27 mei 2025.
2.10.
Bij beschikking van 3 oktober 2025 (zaaknummers C/01/418125 / JE RK 25-1075 en C/01/417836 / JE RK 25-1030) heeft de kinderrechter de verzoeken van de vader om primair af te zien van terugplaatsing van [minderjarige A] bij de moeder en subsidiair om een 50/50-zorgregeling vast te leggen, afgewezen. Ook is afgewezen het verzoek van de vader om de GI te verplichten tot het inzetten van een second opinion of een nieuwe gecertificeerde instelling aan te stellen.
2.11.
Bij beschikking van 3 oktober 2025 (zaaknummer C/01/417108 / JE RK 25-886) heeft de kinderrechter de volgende voorwaarde voor zover deze ziet op [minderjarige A] uit de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de vader van 27 mei 2025 bekrachtigd:
“Er worden geen volwassenzaken besproken, dan wel onderwerpen besproken die belastend
kunnen zijn voor de kinderen.”
2.12.
Bij beschikking van 27 oktober 2025 (C/01/419073 / JE RK 25-1223) heeft de kinderrechter het verzoek van de vader tot vervanging van de GI door een andere gecertificeerde instelling afgewezen. Daarnaast is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken zoals opgesomd in punt 2 tot en met 9 van rechtsoverweging 3.1. van de beschikking.
2.13.
[minderjarige A] verblijft sinds 23 juli 2025 bij de moeder. [minderjarige B] , [minderjarige C] en [minderjarige D] verblijven bij [organisatie X] in [plaats 1] . [minderjarige E] verblijft bij een pleeggezin in [plaats 2] .

3.Het verzoek en het verweer met zelfstandige verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] in een pleeggezin dan wel een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van drie maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de GI. Daarnaast verzoekt de vader om:
primair:
het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen;
de kinderen bij de vader te plaatsen onder voortzetting van de
ondertoezichtstelling;
3. de ondertoezichtstelling te laten uitvoeren door een onafhankelijke
gezinsvoogdijinstelling of onder toezicht van het Landelijk Expertise Team (LET);
subsidiair:
4. het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen;
5. een nieuw, onafhankelijk perspectiefonderzoek te gelasten uitgevoerd door een
extern en onafhankelijk team (niet zijnde de GI);
6. de GI te vervangen door een onafhankelijke gezinsvoogdijinstelling of de GI onder
toezicht te plaatsen van het LET;
7. de kinderen direct te herplaatsen naar een veilige locatie in de regio [plaats 3] ;
meer subsidiair:
8. de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing slechts kort te verlengen
(maximaal drie maanden);
9. een onafhankelijk onderzoek te gelasten naar het functioneren van de GI in deze
zaak;
10. de GI te gelasten structureel wederhoor bij de vader af te nemen en te verwerken
in alle besluitvorming;
11. te gelasten dat de kinderen per direct worden herplaatst naar een veilige locatie
buiten [organisatie X] in de regio [plaats 3] ;
12. de GI te gelasten een nieuw, onafhankelijk en volledig perspectiefonderzoek uit te
(laten) voeren waarbij beide ouders gelijkwaardig worden betrokken;
in alle gevallen:
13. de GI te gelasten de eenzijdige terugplaatsing van [minderjarige A] terug te draaien;
14. de GI te gelasten alle ontbrekende verslagen (met name van SEZ) alsnog aan het
dossier toe te voegen en aan de vader toe te sturen, op straffe van een dwangsom;
15. de GI te gelasten structureel de wil van de kinderen serieus te nemen en niet langer
te bagatelliseren;
16. de GI te gelasten de criminalisering van de vader ongedaan te maken door bij
buren, scholen en andere instanties ruimschoots te rectificeren.

4.De beoordeling

4.1.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 27 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader de behandelend rechter gewraakt. De kinderbeschermingsmaatregelen expireren op 28 november 2025. De kinderrechter zal daarom, ondanks de schorsende werking van het wrakingsverzoek, de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] verlengen voor de duur van drie weken en iedere verdere beslissing aanhouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] voor de duur van drie weken met ingang van 28 november 2025 tot 19 december 2025;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] gedurende dag en nacht in een accommodatie jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie weken, met ingang van 28 november 2025 tot 19 december 2025;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan tot een nader te bepalen zittingsdatum, waarvoor de GI en de belanghebbenden een oproep zullen ontvangen.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Aarts, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Boudewijns-van den Wijngaard als griffier en op 9 december 2025 op schrift gesteld.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.