ECLI:NL:RBOBR:2025:8885

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
C/01/415338 FA RK 25-1885
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van kinderalimentatie in het kader van draagkracht en schulden van de vader

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 3 december 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van kinderalimentatie. De vader, die in financiële problemen verkeert en schulden heeft, verzoekt de rechtbank om de kinderalimentatie te verlagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader vanaf 10 augustus 2022 een bedrag van € 711 per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, maar dat dit bedrag in 2025 is geïndexeerd naar € 804 per maand. De vader verzoekt om de alimentatie met terugwerkende kracht op nihil te stellen of te verlagen naar € 542 per maand, omdat hij meent dat de vastgestelde bijdrage niet aan de wettelijke maatstaven voldoet.

De rechtbank heeft de draagkracht van de vader berekend op € 536 per maand, maar heeft ook rekening gehouden met zijn schulden aan de ABN-AMRO. De rechtbank oordeelt dat, ondanks de schulden van de vader, er een noodzaak is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Daarom heeft de rechtbank besloten dat de vader vanaf 6 mei 2025 een kinderalimentatie van € 100 per kind per maand aan de moeder moet betalen. De rechtbank heeft ook bepaald dat de moeder de te veel ontvangen kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen, omdat deze al is besteed aan de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de alimentatie ook moet worden betaald als er hoger beroep wordt ingesteld.

De rechtbank heeft in deze beschikking de relevante wetgeving en richtlijnen toegepast, waaronder de Alimentatieverordening en het Burgerlijk Wetboek. De beslissing is genomen door rechter M.P. den Hollander, in samenwerking met griffier A.R. Beeren, en is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familierecht
Zaaknummer: C/01/415338 FA RK 25-1885
Kinderalimentatie
Beschikking van 3 december 2025
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S. Taskent-Demir,
e n
[bewindvoerder],
gevestigd in [plaatsnaam],
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan:
[verweerster],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Kocuroğlu.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1, 2, 4 en 5, ingediend op 6 mei 2025;
het bericht van de vader van 2 juni 2025 met bijlagen 3 en 6 tot en met 8;
het verweerschrift van de bewindvoerder met bijlage 1;
het bericht van de vader van 3 september 2025 met ongenummerde bijlage;
het bericht van de vader van 10 november 2025 met daarin een wijziging van zijn verzoek en met bijlagen 8 tot en met 12.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
20 november 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk in de Turkse taal (tolknummer 18777);
namens de bewindvoerder, de advocaat;
de moeder.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1], geboren op [datum];
  • [minderjarige 2], geboren op [datum];
  • [minderjarige 3], geboren op [datum].
2.2.
De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
2.3.
Op 10 mei 2023 heeft de rechtbank beslist dat de vader met ingang van 10 augustus 2022 een bedrag van € 711 (€ 237 per kind) per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 804 (€ 268,05 per kind) per maand. De vader is in deze procedure niet verschenen.
2.4.
De behoefte van de kinderen bedraagt € 1.206 per maand in 2025.
2.5.
De draagkracht van de moeder bedraagt (in totaal) € 177 per maand in 2025.
2.6.
De zorgkorting bedraagt 35%.
Wat ligt voor?
2.7.
De vader verzoekt de rechtbank de kinderalimentatie met ingang van datum indiening verzoekschrift (6 mei 2025), althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, primair op nihil te stellen, althans subsidiair op een bedrag van € 542 per maand. De vader stelt dat de vastgestelde bijdrage van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven voldoet. Voor wat betreft de door hem betaalde bedragen, heeft de vader verklaard dat de moeder die niet aan hem hoeft terug te betalen.
2.8.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat dat het verzoek van de vader wordt afgewezen.

3.De beoordeling

conclusie
3.1.
De rechtbank zal beslissen dat de vader vanaf 6 mei 2025 een kinderalimentatie van
€ 100 per kind per maand aan de moeder moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekening die de rechtbank heeft gemaakt, is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekening rondt de rechtbank af op hele euro’s.
rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.
De vader heeft de Turkse nationaliteit. Dit geeft de zaak een internationaal karakter. Om die reden moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende verzoeken en welk recht zij bij de beoordeling van de verzoeken moet toepassen.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de moeder in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft en het verzoek zich tegen haar richt. [1]
3.4.
Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en zij in deze procedure de onderhoudsgerechtigden zijn, past de rechtbank het Nederlandse recht toe. [2]
reden voor de wijziging
3.5.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als deze nooit goed is berekend omdat de rechtbank eerder is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. [3] Daarvan is hier sprake, want bij de vaststelling van de kinderalimentatie is de rechtbank uitgegaan van een te hoog inkomen aan de zijde van de vader.
omvang van het geschil
3.6.
Partijen zijn het eens over de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de moeder en de zorgkorting. Aan de rechtbank ligt nog voor de ingangsdatum en de draagkracht van de vader.
ingangsdatum
3.7.
De wet [4] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
3.8.
Hier hanteert de rechtbank 6 mei 2025 als ingangsdatum, omdat dit de datum is waarop het verzoek door de vader is ingediend. Vanaf dit moment had de moeder rekening kunnen houden met een mogelijke wijziging in de bijdrage.
bijdrage vader
3.9.
Bij de berekening van de kinderalimentatie die de vader kan betalen (draagkracht) maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is (in beginsel) 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
3.10.
Partijen zijn het eens dat voor de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van een inkomen van € 3.350 per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Hierop wordt ingehouden een pensioenpremie van € 191,05 bruto, een premie ANW-hiaat van
€ 47,56 bruto, een WIA-premie van € 15,04 bruto en een premie Whk van € 3,04 netto. In tegenstelling tot partijen houdt de rechtbank geen rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat de vader daar geen recht op heeft. Het NBI van de vader is dan € 2.966. [5]
3.11.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vader een draagkracht van € 536 per maand.
3.12.
De vader stelt dat rekening moet worden gehouden met zijn schuld aan de ABN-AMRO en dat hij daarom geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. Uit een brief van de ABN-AMRO van 4 december 2024 volgt dat de schuld op dat moment € 35.619 bedroeg. De vader heeft een stabilisatieovereenkomst getekend waarmee de mogelijkheden voor een minnelijke schuldregeling (MSNP) worden onderzocht. De moeder stelt dat ook met de vastgestelde bijdrage de vader nog ruimte heeft om zijn schuld af te lossen.
3.13.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel met alle schulden van de onderhoudsplichtige rekening moet worden gehouden. [6] Ter zitting heeft de vader verklaard dat de ABN-AMRO hem via zijn schuldhulpverlener heeft gevraagd om nihilstelling van de kinderalimentatie te verzoeken bij de rechtbank. De rechtbank merkt op dat het (zuiver financiële) belang van de ABN-AMRO niet zomaar voor het belang van de kinderen dient te komen. Rekening houdend met een draagkracht aan de zijde van de moeder van
€ 177 per maand is er, ook zonder rekening te houden met een aflossing aan schulden aan de zijde van de vader, al een groot tekort om in de behoefte van de kinderen (€ 1.206) te voorzien. Rekening houdend met alle belangen die hier spelen en het gegeven dat de vader deels in de kosten van de kinderen voldoet op de momenten dat zij bij hem verblijven, zal de rechtbank de bijdrage van de vader in redelijkheid verlagen naar € 300 (€ 100 per kind) per maand. Dat betekent dat de vader ook ruimte houdt om (in maandelijkse termijnen) zijn schuld aan de ABN-AMRO af te gaan lossen. De rechtbank merkt daarbij op dat het aan de vader is om de bewindvoerder van de moeder actief op de hoogte te houden van de afspraken die de vader daaromtrent maakt met de ABN-AMRO.
alimentatie terugbetalen
3.14.
De moeder hoeft de te veel ontvangen kinderalimentatie niet terug te betalen, omdat die kinderalimentatie al is uitgegeven aan de kinderen. De vader is het daar ook mee eens.
alimentatie vooruitbetalen
3.15.
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
uitvoerbaar bij voorraad
3.16.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 10 mei 2023, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 6 mei 2025 € 100 per kind per maand bedraagt;
4.2.
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
4.3.
bepaalt dat de moeder de door de vader vanaf 6 mei 2025 tot aan heden te veel betaalde kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen;
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. M.P. den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met A.R. Beeren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage:
Bijlage 1: berekening NBI en draagkracht van de vader in 2025.

Voetnoten

1.Artikel 3 sub a van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 (“Alimentatieverordening”).
2.Artikel 15 van de Alimentatieverordening jo. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
3.Artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek.
4.Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek.
5.Bijlage 1: berekening NBI en draagkracht van de vader in 2025.
6.HR 29 september 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6360.