ECLI:NL:RBOBR:2025:8878

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
11426064
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst na bewijslevering en beoordeling van de transitievergoeding

In deze zaak heeft de kantonrechter op 23 december 2025 uitspraak gedaan over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen ABB E-Mobility B.V. en de verwerende partij, hierna te noemen [verweerder]. De procedure volgde op een verzoek van ABB tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van artikel 7:669 lid 3 sub h BW, na bewijslevering. De kantonrechter heeft vastgesteld dat ABB aan [verweerder] ten onrechte een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft verstrekt door een administratieve fout. De kantonrechter heeft de bewijslevering beoordeeld, waarbij getuigen zijn gehoord en schriftelijke stukken zijn ingediend. De getuigenverklaringen van [B] en [A] gaven aan dat er nooit de intentie was om [verweerder] een vast contract in Nederland aan te bieden, maar dat dit enkel een vergissing was. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [verweerder] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het verstrekte contract en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 februari 2026. Tevens is ABB veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 9.123,75 bruto aan [verweerder]. De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om een billijke vergoeding toe te kennen, omdat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van ABB. De overige verzoeken van [verweerder] zijn afgewezen, en partijen zijn veroordeeld tot betaling van hun eigen proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 11426064 \ EJ VERZ 24-705
Beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
ABB E-MOBILITY B.V.,
gevestigd in Delft,
verzoekende partij,
hierna te noemen: ABB,
gemachtigde: mr. J.J. Margry,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigden: mr. N. Zwijnepoel en mr. L.P.L. van den Hof.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 4 april 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de akte overlegging bijlagen 1 t/m 5 van ABB,
- de akte overlegging aanvullende bijlage 15 van [verweerder] ,
- het bericht met nadere schriftelijke toelichting op bijlage 1 van ABB,
- de akte overlegging bijlagen 6 en 7 van ABB,
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor gehouden op 16 september 2025,
- de akte overlegging bijlagen 18 t/m 22 van [verweerder] ,
- de reactie van ABB op de bijlagen 18 t/m 22 van [verweerder] ,
- de akte na bewijslevering van [verweerder] van 12 december 2025,
- de reactie op de akte na bewijslevering van ABB, met het verzoek delen van die akte buiten beschouwing te laten.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De verdere beoordeling

Een deel van de akte na bewijslevering van [verweerder] zal buiten beschouwing worden gelaten
2.1.
Op 12 december 2025 heeft [verweerder] een akte na bewijslevering genomen. Door ABB is verzocht om daarvan hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4 (en de daarin opgenomen (nieuwe) verzoeken) buiten beschouwing te laten, omdat dit buiten de bewijsopdracht treedt en bovendien in strijd zou zijn met de goede procesorde.
In hoofdstuk 2 van de akte betoogt [verweerder] – zakelijk weergegeven – dat zijns inziens sprake is van een verkapte a-grond, zodat niet gesproken kan worden van een voldragen h-grond. In hoofdstuk 4 van de akte geeft [verweerder] een nadere onderbouwing waarom sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van ABB, waardoor ABB een billijke vergoeding verschuldigd is aan [verweerder] als de arbeidsovereenkomst toch op grond van de h-grond wordt ontbonden.
2.2.
De kantonrechter zal de aangehaalde hoofdstukken niet mee nemen in de verdere beoordeling, omdat [verweerder] daarmee voorbij gaat aan de aard van de akte, hetgeen de kantonrechter in strijd acht met de goede procesorde. In de tussenbeschikking van 4 april 2025 is reeds geoordeeld dat van een verkapte h-grond geen sprake is. Voor het terugkomen op een tussenbeschikking is slechts ruimte als deze berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat er tijdens de getuigenverhoren nieuwe informatie naar voren is gekomen, die in strijd is met eerdere verklaringen van ABB, zodat de tussenbeschikking op een onjuiste feitelijke grondslag is gebaseerd, is de kantonrechter niet gebleken en is door [verweerder] ook niet gesteld. Uit de context van de verklaring van [A] volgt dat haar stelling dat [B] heeft besloten het contract voor onbepaalde tijd te beëindigen, ziet op de arbeidsovereenkomst in Nederland en niet die in Italië. Ook acht de kantonrechter het in deze fase aanvullen van de feitelijke grondslag van de billijke vergoeding, hoewel die feiten eerder reeds bekend waren, in strijd met de goede procesorde.
2.3.
De slotsom is dat de kantonrechter slechts hoofdstuk 3 van de akte na bewijslevering bij haar verdere beoordeling zal betrekken, omdat [verweerder] enkel daar inhoudelijk op het door ABB aangebrachte bewijs ingaat.
De bewijslevering
2.4.
De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking. Hierin is aan ABB bewijs opgedragen van de stelling dat zij door een administratieve fout aan [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft aangeboden.
2.5.
Om het aan haar opgedragen bewijs te leveren heeft ABB twee getuigen laten horen, te weten [B] (Global Head of Platforms and Technology bij ABB) en [A] (Global People Partner Technology Functions bij ABB). Verder heeft ABB schriftelijke stukken ter bewijslevering ingebracht, bestaande uit e-mailcorrespondentie aangaande het contract van [verweerder] en schriftelijke verklaringen van [B] en [A] . De kantonrechter zal hieronder beoordelen of ABB is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. Dit is het geval als op grond van de bewijsmiddelen met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat ABB door een (kennelijke) administratieve fout aan [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gegeven.
2.6.
[B] heeft – samengevat – het volgende verklaard. [verweerder] heeft verzocht om een brief op te stellen ten behoeve van de lopende visumprocedure in verband met huisvesting in Nederland. [B] heeft toen aan het hoofd HR Global verzocht om deze brief op te stellen. HR Nederland heeft vervolgens ten onrechte een verzoek gedaan voor een contract voor onbepaalde tijd. Toen [B] dat omstreeks 4 augustus 2023 zag, heeft hij direct gezegd dat dit gecorrigeerd moest worden.
Met [verweerder] is nooit een contract voor onbepaalde tijd in Nederland besproken, enkel voor Italië. [verweerder] was aangenomen voor werkzaamheden met productie, en ABB heeft in Nederland geen productiebedrijf. [B] heeft zijn e-mail aan [verweerder] op 24 juni 2023 om 6:01:27 PM als volgt toegelicht. In deze e-mail heeft [B] het belang benadrukt om een tijdspad vast te stellen voor de verhuizing van [verweerder] naar Italië, en dat hij geen functie voor [verweerder] heeft, omdat zijn functie in Nederland niet bestaat en uitsluitend een tijdelijke situatie betreft. Deze e-mail is geschreven in de context van de lopende visumprocedure die huisvesting in Nederland moest veilig stellen en in het kader van de laatste verlenging van het tijdelijke contract. In de periode van 24-27 november 2023 verkeerde [B] in de veronderstelling dat [verweerder] een contract voor bepaalde tijd had in Nederland.
2.7.
[A] heeft – samengevat – het volgende verklaard. Het contract voor bepaalde tijd van [verweerder] zou omstreeks juli 2023 worden verlengd. Anderhalve week later verzocht [B] aan [A] om een brief op te stellen ten behoeve van het verblijf van [verweerder] in Nederland. Dit verzoek is goedgekeurd door [C] (manager) en is vervolgens doorgestuurd naar HR Nederland, in de persoon van [D] . [D] had een brief moeten laten opstellen door het servicecenter van ABB (of had dit zelf kunnen toen), maar [D] heeft ten onrechte verzocht om een contract voor onbepaalde tijd. Op 4 augustus 2023 heeft [A] verzocht deze procedure stop te zetten, omdat er geen goedkeuring was voor een contract voor onbepaalde tijd in Nederland, enkel voor Italië. [D] heeft vervolgens in het administratief systeem verzocht aan het servicecenter om de procedure stop te zetten. Ten onrechte is dit niet opgemerkt door het servicecenter, zodat er alsnog een contract voor onbepaalde tijd aan [verweerder] is afgegeven, zonder toestemming van ABB. [A] was niet eerder op de hoogte van deze fout dan eind februari 2024.
[A] heeft verklaard dat er haars inziens twee fouten zijn gemaakt. Allereerst het misverstand tussen de status van de brief en een contract. Volgens [D] was dit hetzelfde, maar [A] heeft [D] voorgehouden dat er geen vast contract moest worden gegeven. De procedure is vervolgens op 4 augustus 2023 on hold gezet. Door het servicecenter is dit echter niet goed uitgevoerd, zodat er op 7 augustus 2023 een contract voor onbepaalde tijd aan [verweerder] is verstrekt.
[A] heeft opgemerkt dat ABB Nederland in deze tijd verantwoordelijk was voor de uitgifte van contracten rechtstreeks via Adobe Sign aan de betrokken werknemer. De rest van HR was hierbij niet betrokken, waardoor het kon gebeuren dat zonder medeweten van ABB toch een contract voor onbepaalde tijd aan [verweerder] is verstrekt. [A] heeft vervolgens de besproken visa-brief per e-mail rechtstreeks aan [verweerder] verstuurd. Zij verkeerde daarbij in de veronderstelling dat aan hem een contract voor bepaalde tijd was afgegeven.
Omdat het visumproces in Italië niet succesvol verliep, is eind november 2023 een laatste, derde verlenging van het tijdelijk contract geïnitieerd tot en met 31 maart 2024. Door [A] is dit wederom aan [D] gecommuniceerd, die op haar beurt het verzoek heeft doorgezet aan het servicecenter. Daarop heeft het servicecenter aan [D] laten weten dat er op 1 augustus 2023 al een contract voor onbepaalde tijd was afgegeven. [A] was hiervan zelf niet op de hoogte, omdat dit niet aan haar is medegedeeld.
[A] heeft eind februari 2024, in de veronderstelling dat sprake was van een contract voor bepaalde tijd, contact met [verweerder] opgenomen over de beëindiging van zijn contract. Dit omdat de reorganisatie binnen ABB de positie van [verweerder] in Italië raakte. In dit gesprek wilde [A] [verweerder] tegemoet komen, door een opzegtermijn van 4 maanden in acht te nemen en delen uit het sociaal plan. Pas in het eindgesprek op 20 februari 2024 werd het [A] duidelijk dat sprake was van een contract voor onbepaalde tijd. Indien zij dit eerder had geweten, had zij dit anders aangepakt.
ABB is geslaagd in haar bewijslevering
2.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan gelet op de getuigenverklaringen van [B] en [A] , in samenhang met de schriftelijk in het geding gebrachte bewijsstukken, met een redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld dat aan [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is verstrekt door een administratieve fout. Daartoe acht zij het volgende redengevend.
2.9.
De verklaringen van [B] en [A] zijn gedetailleerd en consistent en vinden bovendien steun in hetgeen eerder in het geding is verklaard en hetgeen volgt uit de in het geding gebrachte e-mails aangaande het contract van [verweerder] :
- Aanvankelijk wordt in een e-mail van 20 juli 2023 door [E] gesproken over een verlenging van de arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd) van [verweerder] tot eind december. [1] - Op 4 augustus 2023 is door [D] een verzoek ingediend voor een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van [verweerder] per 1 augustus 2023, waarna [A] diezelfde dag aan [D] verzoekt om de aanvraag te stoppen, met de mededeling dat er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden moet worden. [2]
- [D] heeft vervolgens bevestigd dat zij aan HR heeft verzocht om het proces ‘on hold’ te zetten.
- Op 7 augustus 2023 heeft [A] gebeld met [D] , waarna zij per e-mail aan [B] terugkoppelt dat zij geen brief kunnen opstellen waarin zij aangeven dat [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft in Nederland, omdat dit niet waar is, maar dat zij wel een brief in algemene bewoordingen zullen opstellen, waarin vermeld wordt dat hij een vast contract heeft binnen het bedrijf (waarmee getuige de reactie van [B] het aanstaande contract in Italië is bedoeld). [3]
- [B] reageert hierop dat een immigratiedienst met de bewoordingen in de eerste conceptbrief (waarbij is aangegeven dat de startplaats Nederland is en dat [verweerder] vervolgens naar Italië vertrekt) geen permanent visum zal afgeven. Hij verzoekt deze zinnen ten behoeve van [verweerder] dan ook te verwijderen. [4] - Nadat [D] met [A] heeft gesproken over de intentie, is de aanvraag in het HR-systeem aangepast, waarbij in de omschrijving ‘
permanent contract’ is aangepast naar ‘
contract renewal’. Ter verduidelijking heeft [D] vervolgens op 7 augustus 2023 aan [A] een e-mail gestuurd, waarin zij bevestigt dat deze aanvraag een verlenging van de arbeidsovereenkomst tot eind december 2023 betreft (zoals getuige de e-mail van 20 juli 2023 ook oorspronkelijk zo bedoeld was) en niet de aanvraag van eerder die week voor de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [5] - Op 7 augustus 2023 is aan [verweerder] desondanks een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verstrekt.
2.10.
Het gehele verloop kan – in samenhang met de door [B] en [A] afgelegde verklaringen – naar het oordeel van de kantonrechter niet anders worden uitgelegd dan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op 7 augustus 2023 door een administratieve fout aan [verweerder] verstrekt is. Uit de correspondentie volgt afdoende dat het oorspronkelijke ticket voor de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd berust op een vergissing, die vervolgens gecorrigeerd is nadat [A] heeft verduidelijkt dat er niet daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moest worden verstrekt, maar enkel een werkgeversverklaring om het visum-traject van [verweerder] zo te kunnen bespoedigen. Nergens volgt uit dat vervolgens alsnog gesproken is over het aanbieden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, hetgeen overigens ook niet in de lijn der verwachting had gelegen, omdat het vanaf het begin af aan de intentie van partijen was dat [verweerder] uiteindelijk naar Italië zou vertrekken, en dat zijn positie in Nederland slechts ter overbrugging daarvan was.
2.11.
Mede gelet daarop is de kantonrechter verder van oordeel dat [verweerder] niet zonder meer gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die op 7 augustus 2023 aan hem is verstrekt, zelfs niet nu hij niet persoonlijk in de hierboven aangehaalde e-mailcorrespondentie is betrokken. Hij was immers welbekend met de intentie dat hij, na afronding van de visumprocedure, in dienst zou treden bij de vestiging in Italië. In afwachting van dit traject is [verweerder] op de loonlijst gezet van ABB en toen het visumtraject langer duurde dan aanvankelijk verwacht, heeft [verweerder] op eigen initiatief onderzocht hoe hij dit kon versnellen. Vervolgens is het [verweerder] zelf geweest die op 4 augustus 2023 aan [B] heeft verzocht om – om het visumtraject te bespoedigen – een simpele brief op te stellen waarin ABB verklaart dat hij een vast contract heeft in Nederland. [6] Naar aanleiding van dit verzoek heeft [B] vervolgens aan [A] en [D] verzocht om een dergelijke brief op te stellen, hetgeen de aanleiding is geweest van de daaropvolgende interne e-mailcorrespondentie. [verweerder] had er, gelet op de omstandigheid dat een permanente positie in Nederland nooit aan de orde was geweest én het feit dat hij zelf om ‘een simpele brief’ heeft verzocht, niet zonder meer op mogen vertrouwen dat vervolgens zonder enige afstemming daarover aan hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werd aangeboden.
2.12.
Ook uit het daaropvolgende verloop van gebeurtenissen volgt afdoende dat het verstrekken van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een kenbare vergissing is geweest. Op 24 november 2023 e-mailt [B] aan [verweerder] een vraag met betrekking tot de tijdlijn voor de overgang naar Italië, waarin hij benadrukt dat de functie van [verweerder] in Nederland tijdelijk is. [7] Daarop vermeldt [verweerder] niet dat geen sprake zou zijn van een tijdelijke situatie, hetgeen wel op de weg had gelegen als hij er gerechtvaardigd op vertrouwde dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij ABB had. Eind november 2023 heeft [A] bovendien aan [D] verzocht om de arbeidsovereenkomst voor een laatste keer te verlengen, waarop [D] bevestigend heeft geantwoord. Ook dit is opnieuw in lijn met de stelling dat het verstrekken van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een administratieve fout is geweest. Als het eerder inderdaad de bedoeling was om [verweerder] een vast dienstverband te geven, dan had het immers op de weg van [D] gelegen om op dat moment aan [A] te vragen wat zij bedoelde met een tijdelijke verlenging, omdat [verweerder] al een vast contract zou hebben. Dit heeft zij niet gedaan, zodat haar verklaring dat het een heldere en bewuste keuze was om [verweerder] een vast contract te geven [8] , daarmee niet gerijmd kan worden.
2.13.
Al met al wordt geoordeeld dat ABB geslaagd is in haar bewijslevering dat zij aan [verweerder] slechts een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft verstrekt wegens een (kennelijke) administratieve fout.
[verweerder] heeft het bewijs niet ontzenuwd
2.14.
Het is vervolgens aan [verweerder] om het door ABB geleverde bewijs te ontzenuwen. [verweerder] heeft hiertoe nadere schriftelijke producties in het geding gebracht. Daarbij heeft [verweerder] eveneens interne e-mailcorrespondentie van ABB overgelegd, alsook e-mails die [verweerder] zelf heeft verzonden. Ten slotte heeft [verweerder] een schriftelijke verklaring ingebracht van [F] (Former Executive Director van ABB).
2.15.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] er niet in is geslaagd het door ABB geleverde bewijs te ontkrachten. De e-mailcorrespondentie die door [verweerder] is aangehaald, is grotendeels dezelfde correspondentie als door ABB in het geding is gebracht. [verweerder] legt zijn e-mail van 4 augustus 2023 (waarin hij verzoekt om een brief waarin staat dat hij een vast dienstverband heeft in Nederland) zo uit dat hij hierin expliciet om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft verzocht. Dat [B] dit vervolgens ook zo heeft opgevat, volgt volgens [verweerder] onder meer uit de onderwerpregel van het interne e-mailverkeer dat daarop volgt (“
Letter of permanent job offer in NL to [verweerder] for his NL permanent via extension”). De kantonrechter volgt [verweerder] niet in zijn stellingen. Nergens blijkt uit dat [verweerder] expliciet om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft verzocht, laat staan dat [B] hiermee heeft ingestemd. [verweerder] verzoekt slechts om ‘een simpele brief’, wat redelijkerwijs niet anders kan worden uitgelegd dan dat hiermee de verklaring ten behoeve van het visumtraject wordt bedoeld. Dat het slechts om een brief gaat ten behoeve van dat visumtraject, volgt vervolgens ook uit het onderwerp van het daaropvolgende interne e-mailverkeer en uit de inhoud van die correspondentie zoals bij de beoordeling van het bewijs van ABB reeds is uiteengezet. De stelling dat uit het verloop van de gebeurtenissen volgt dat ABB aanvankelijk de intentie heeft gehad om daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te verstrekken, in plaats van slechts een brief ten behoeve van de visumprocedure, vindt dan ook geen steun.
2.16.
Ook de stelling dat verschillende goedkeuringen nodig zijn voordat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden verstrekt, zodat van een administratieve fout geen sprake kan zijn, kan het door ABB geleverde bewijs niet ontzenuwen. Niet in geschil is dat zonder bepaalde goedkeuringen, geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verstrekt kan worden. ABB heeft echter afdoende toegelicht dat de goedkeuringen waar [verweerder] op doelt, zien op het e-mailverkeer waarin het verzoek wordt gedaan om een brief op te stellen én dat deze goedkeuringen vervolgens verkeerd geïnterpreteerd zijn. Zodra [A] daarachter kwam, heeft zij de intentie op 4 augustus 2023 direct verduidelijkt. Nergens volgt uit dat vervolgens (alsnog) toestemming is verleend voor het verstrekken van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat [B] , [A] en [D] hooggeplaatste functionarissen zijn binnen ABB, maakt niet dat – nu vervolgens alsnog een vast contract is verstrekt – daarbij geen sprake kan zijn geweest van een administratieve fout. Hoe dit zonder werkelijke intentie daartoe heeft kunnen gebeuren is door ABB voldoende onderbouwd aangetoond, en is door [verweerder] onvoldoende ontkracht. Dat [D] , nadat aan haar eind november 2023 bij het verzoek tot het verlengen van het contract van bepaalde tijd van [verweerder] is medegedeeld dat hij reeds een vast dienstverband had, niet heeft geacteerd, kan niet de conclusie rechtvaardigen dat er dus geen sprake is geweest van een fout. De stelling van [verweerder] dat deze fout volledig voor rekening dient te blijven van ABB, wordt door de kantonrechter evenmin gevolgd, nu hiervoor reeds is overwogen dat [verweerder] – gelet op alle omstandigheden – niet zomaar gerechtvaardigd op het vaste dienstverband mocht vertrouwen, integendeel.
Slotsom: de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
2.17.
De slotsom luidt dat ABB is geslaagd in haar bewijsopdracht. Zoals reeds overwogen in de tussenbeschikking van 4 april 2025, betekent dit dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 februari 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [9]
De (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerder]
2.18.
Omdat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, leidt dit tot afwijzing van het primaire tegenverzoek van [verweerder] en komt de kantonrechter toe aan bespreking van de voorwaardelijke tegenverzoeken die [verweerder] heeft ingediend.
De transitievergoeding
2.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat ABB op grond van artikel 7:673 lid 1, aanhef en sub a, onder 2 BW een transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd is, nu de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. De kantonrechter zal bij de berekening van de transitievergoeding uitgaan van het door [verweerder] genoemde salaris van € 10.264,22 (bestaande uit een bruto maandsalaris van € 9.503,91, vermeerderd met 8% vakantietoeslag). Bij de inleiding van het verzoekschrift is ABB van een laatstelijk betaald loon van € 8.958,40 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag) uitgegaan in plaats van € 9.503,91, maar dit bedrag is niet nader toegelicht en correspondeert niet met in het geding gebrachte recente loonstroken.
De billijke vergoeding
2.20.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [10] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [11] In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
2.21.
Geen van de omstandigheden die door [verweerder] zijn aangedragen, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat ABB jegens hem ernstig verwijtbaar gehandeld heeft. In de tussenbeschikking is reeds overwogen dat geen sprake is van een verkapt beroep op de a-grond, of het construeren van een ontslaggrond, zodat hieruit geen ernstig verwijtbaar handelen van ABB voortvloeit. Dat ABB aanvankelijk wel een procedure heeft gestart bij het UWV op grond van de a-grond, maakt dit voorgaande niet anders. Eveneens is in de tussenbeschikking geoordeeld dat ABB haar herplaatsingsplicht niet heeft geschonden, zodat ook daaruit geen ernstig verwijtbaar handelen van ABB voortvloeit. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil [verweerder] bij aanvang van zijn werkzaamheden heeft verklaard tot doel te hebben tot aan zijn pensioen te werken, maar niet gebleken is dat ABB hierover enige garantie heeft verstrekt, die zij nu grovelijk geschonden zou hebben.
De cumulatievergoeding
2.22.
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van de h-grond, en niet op grond van de i-grond, komt de kantonrechter aan de beoordeling van de verzochte cumulatievergoeding niet toe.
Eindafrekening
2.23.
Het tegenverzoek van [verweerder] om ABB te veroordelen tot uitbetaling van hetgeen zij in het kader van de eindafrekening verschuldigd is aan vakantiegeld en tegoed niet genoten vakantiedagen, en om daarvan een specificatie te verstrekken, zal worden toegewezen zoals in de beslissing opgenomen. ABB zal hiervoor één maand de tijd krijgen na het einde van het dienstverband. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden, omdat niet gesteld of gebleken is dat ABB niet zonder een financiële prikkel aan deze veroordeling zal voldoen.
Deugdelijke netto/bruto-specificatie
2.24.
ABB zal verder worden veroordeeld om een deugdelijke netto/bruto-specificatie te verstrekken na het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit moet ABB binnen één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst verstrekken. Ook hier ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden.
Proceskostenveroordeling
2.25.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft. Daarmee gaat de kantonrechter voorbij aan het verzoek van [verweerder] om ABB in de werkelijk door hem gemaakte proceskosten te veroordelen. Voor een veroordeling tot betaling van de werkelijke proceskosten is alleen plaats in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld als sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dat daarvan hier sprake is, is niet gebleken.
Vergoeding van de overige advocaatkosten (anders dan proceskosten)
2.26.
Tot slot maakt [verweerder] aanspraak op vergoeding van de overige advocaatkosten (anders dan proceskosten). Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat ABB kwalijk heeft gehandeld, op valse gronden een UWV-procedure zou zijn gestart en dat zij niet heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting. De kantonrechter volgt, zoals hiervoor reeds is overwogen, [verweerder] niet in deze stellingen, zodat dit tegenverzoek zal worden afgewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2026,
3.2.
veroordeelt ABB om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 9.123,75 bruto,
3.3.
veroordeelt ABB om binnen één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst aan [verweerder] uit te betalen hetgeen in het kader van de eindafrekening is verschuldigd aan vakantiegeld en tegoed niet genoten vakantiedagen, en om daarvan aan [verweerder] een specificatie te verstrekken,
3.4.
veroordeelt ABB om binnen één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een schriftelijke deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken van alle door haar aan [verweerder] te betalen bedragen,
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
3.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [12] ,
3.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.
3.
4.
5.
6.
7.
8.Productie 15 van [verweerder] .
9.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
10.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
11.Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63.
12.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.