ECLI:NL:RBOBR:2025:8859

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
01-017302-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en vuurwapens in Uden

Op 16 januari 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende verdovende middelen en vuurwapens. De verdachte werd op die datum in een woning in Uden, gemeente Maashorst, aangehouden, waar grote hoeveelheden verdovende middelen, waaronder metamfetamine, MDMA, cocaïne en ketamine, en vuurwapens werden aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, tezamen met anderen, deze middelen opzettelijk aanwezig had en zonder registratie in voorraad had. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 29 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en stelde bijzondere voorwaarden vast, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting. De uitspraak volgde na een uitgebreid proces, waarin de rechtbank de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten, alsook de vordering van de officier van justitie, in overweging nam. De rechtbank concludeerde dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, gericht op het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen en vuurwapens.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.017302.25
Datum uitspraak: 24 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1996] ,
momenteel gedetineerd in de P.I. Sittard.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 april 2025, 17 juli 2025, 14 oktober 2025 en 10 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 maart 2025. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 juli 2025 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven:
het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 940 gram metamfetamine, 621,19 gram MDMA, 1604,53 gram cocaïne en/of 665 gram 2C-B, op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst;
het medeplegen van het al dan niet opzettelijk zonder registratie in voorraad hebben van ongeveer 2821 gram ketamine HCI, op hetzelfde tijdstip en in dezelfde plaats als feit 1;
het medeplegen van het voorhanden hebben van een of meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, op hetzelfde tijdstip en in dezelfde plaats als feit 1.
De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleiding.
Op 16 januari 2025 werden in een (container)woning aan de [adres] onder meer grote hoeveelheden verdovende middelen en vuurwapens aangetroffen – hoofdzakelijk opgeborgen in een in de woning aangetroffen kluis. In de betreffende woning stuitte de politie ook op munitie, diverse andere wapens en een groot geldbedrag. Tijdens de politiedoorzoeking werden de aanwezige verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] aangehouden. De woning stond op naam van [medeverdachte 2] , die op dat moment niet aanwezig was. Hij werd een dag later – op 17 januari 2025 – buiten heterdaad aangehouden in een woning te Sint-Oedenrode.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting – op de gronden zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in eerste instantie vrijspraak bepleit om daarna te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu verdachte – kort gezegd – niet de eigenaar was van de aangetroffen ketamine en vuurwapens, hij daar niet vrij over kon beschikken en zodoende geen beschikkingsmacht had over de genoemde voorwerpen.
Het oordeel van de rechtbank.
Inleidende overweging
De rechtbank zal de ten laste gelegde feiten, gelet op de onderlinge samenhang van het feitencomplex, in gezamenlijkheid bespreken. Daarbij baseert zij zich op het opgemaakte dossier. Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage (Bijlage II) die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Niet ter discussie staat dat er op 16 januari 2025 in de woning te Uden, gemeente Maashorst, verschillende verdovende middelen, ketamine en vuurwapens zijn aangetroffen.
De rechtbank ziet zich voor de (juridische) vragen gesteld of verdachte de in de woning aangetroffen verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet, de ketamine zonder registratie in voorraad heeft gehad als bedoeld in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet én de vuurwapens voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. In dat verband zal de rechtbank voor wat betreft het onder 2 en 3 ten laste gelegde in het bijzonder ingaan op het daaromtrent door de raadsman gevoerde verweer.
Juridisch kader
Voor wat betreft het onder 1 gemaakte verwijt stelt de rechtbank voorop dat op grond van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I aanwezig te hebben. Het met opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar gesteld op grond van artikel 10, derde lid, van de Opiumwet.
Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het middel in zijn machtssfeer aanwezig is geweest.
Het hiervoor uiteengezette juridisch kader is ook toepasbaar voor het in voorraad hebben van ketamine, zoals aan verdachte onder 2 ten laste is gelegd.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen (of de munitie) heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Beoordeling
Op 16 januari 2025 bevond verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning aan [adres] te Uden, gemeente Maashorst. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij – zakelijk weergegeven – beschikte over de sleutel van de genoemde woning. Verdachte beschikte ook over een sleutel van het bovenste compartiment van de in de woning aangetroffen kluis. Verdachte had de bedoelde kluis eerder besteld en op zijn toenmalige thuisadres ontvangen, waarna hij die – ergens in de weken voorafgaand aan 16 januari 2025 – naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gebracht. De bedoeling van de kluis was om daarin vooral harddrugs veilig op te bergen, zo verklaarde verdachte ter terechtzitting. Naar eigen zeggen wist verdachte dus waarvoor de kluis bestemd was. In het bovenste compartiment van de kluis werd een hoeveelheid cocaïne en ketamine aangetroffen. In het onderste compartiment van de kluis werd ook een hoeveelheid ketamine aangetroffen en daarnaast MDMA. De in die kluis gevonden zak met daarin MDMA heeft verdachte – vermoedelijk rond de jaarwisseling – ook vastgehad. Van de in het onderste compartiment aangetroffen ketamine heeft verdachte – zo legde hij in de zittingzaal uit – ook ‘gepakt’. Voor verdachte was het – kortom – geen verrassing wat zich op 16 januari 2025 in de kluis bevond. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat verdachte toegang had tot de gehele kluis – zowel tot het bovenste als onderste compartiment.
De politie trof in het bovenste compartiment van de genoemde kluis ook twee vuurwapens aan. Uit de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring volgt dat hij wist dat [medeverdachte 2] een pistool in zijn bezit had, hoogstwaarschijnlijk van het merk Glock. [medeverdachte 2] zou dat pistool, kort voordat de politie op 16 januari 2025 de woning binnentrad, in de bedoelde woning aan verdachte hebben laten zien. Verdachte heeft het betreffende pistool toen ook vastgehouden. Hoewel verdachte naar zijn zeggen niet heeft gezien dat de betreffende vuurwapens in de kluis lagen, had hij dit naar zijn zeggen wel kunnen concluderen.
De rechtbank is gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte de MDMA, de cocaïne, de ketamine en de vuurwapens - zoals aan verdachte ten laste is gelegd – respectievelijk opzettelijk aanwezig heeft gehad, zonder registratie in voorraad heeft gehad en voorhanden heeft gehad. Verdachte kon de feitelijke macht over de middelen uitoefenen doordat hij er over kon beschikken.
Dat verdachte – zoals de raadsman heeft betoogd – niet de eigenaar was van de ketamine en de vuurwapens – doet aan dit oordeel niets af. Voor wat betreft het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in de Opiumwet en de ketamine is het namelijk niet noodzakelijk dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren.
Voor wat betreft het voorhanden hebben van wapens als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie gaat het om een zekere handelingsbevoegdheid (zo men wil: beschikkingsmacht), waarvan ook kan worden gesproken wanneer verdachte géén zeggenschap heeft over het (vuur)wapen, maar wel over de plaats waar het zich bevindt. Als beschreven: verdachte bevond zich op 16 januari 2025, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , in de woning. Verdachte beschikte over de sleutel van de woning en had aldus toegang tot die woning, verdachte kon immers de (voor)deur openen en sluiten. Daarnaast beschikte verdachte over de sleutel van het bovenste compartiment van de kluis. Verdachte had zodoende beschikkingsmacht over die kluis, met daarin opgeborgen onder meer de betreffende vuurwapens. Daarbij komt dat verdachte het pistool van het merk Glock heeft vastgehad. Verdachte was zich – als gezegd – bewust van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de betreffende vuurwapens in de genoemde kluis. In dat licht doet het door de raadsman gevoerde verweer, luidende dat verdachte niet de eigenaar was van de betreffende vuurwapens, niet ter zake. Het daartoe strekkende verweer wordt eveneens verworpen.
De metamfetamine en 2C-B werden aangetroffen in respectievelijk een keukenkastje onder de gootsteen en in een bigshopper tussen de bank en het keukentje. Hoewel deze middelen dus niet in de genoemde kluis, maar elders in de woning zijn aangetroffen, is de rechtbank niettemin van oordeel dat verdachte ook deze verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft immers verklaard dat in de containerwoning, voor derden, verdovende middelen werden bewaard. Bovendien wist hij naar zijn zeggen dat er buiten de genoemde kluis 2C-B pillen in de tassen lagen. De verklaring van verdachte vindt steun in de omstandigheid dat op meerdere plekken in de containerwoning aanzienlijke hoeveelheden en verschillende soorten verdovende middelen zijn aangetroffen. De containerwoning betreft een open ruimte, slechts de badkamer is dichtgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van de metamfetamine en 2C-B.
De rechtbank is ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde (telkens) van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen verdachte en medeverdachten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die was gericht op het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine en het voorhanden hebben van de vuurwapens. Verdachte kon tezamen met anderen beschikken over de verdovende middelen en de ketamine én kon tezamen met anderen de feitelijke macht uitoefenen over de vuurwapens. Immers, bij het aantreffen van de goederen was verdachte met een ander in de woning van een derde medeverdachte. Verdachte heeft voorts verklaard dat ze er allemaal van wisten en bovendien dat de vuurwapens niet van hem waren en dat medeverdachte één van de vuurwapens aan hem heeft getoond. In dat licht is de rechtbank ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde (telkens) van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 16 januari 2025, te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, verschillende verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zonder registratie ketamine in voorraad heeft gehad en vuurwapens voorhanden heeft gehad, zoals hierna bewezen verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage (Bijlage II) uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 940 gram van een materiaal bevattende metamfetamine,
- 621,19 gram van een materiaal bevattende MDMA,
- 1604,53 gram van een materiaal bevattende cocaïne
en
- 665 gram van een materiaal bevattende 2C-B,
zijnde metamfetamine, MDMA, cocaïne en 2C-B telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Ten aanzien van feit 2:
op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk, zonder registratie 2821 gram ketamine HCI, zijnde een werkzame stof, in voorraad heeft gehad;
Ten aanzien van feit 3:
op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Glock, model 19 gen 3, kaliber 9x19mm
en
- een double-action centraalvuur revolver, van het merk Amadeo Rossi S.A., kaliber .38 Spl,
telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver of pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten dan wel van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 37 maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is verzocht de bijzondere voorwaarden te stellen die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met de mogelijkheid van kortdurende klinische opname), dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. In dat verband heeft hij verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij kan dan een deels voorwaardelijke straf worden opgelegd, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd. Ingeval de rechtbank de hoogte van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf overweegt, heeft de raadsman verzocht aan verdachte geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen – zodat bijzondere voorwaarden te zijner tijd in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen worden vormgegeven.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van verschillende soorten verdovende middelen en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen en illegale geneesmiddelen schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien gaat de handel in dergelijke middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor schade en overlast kan worden toegebracht aan anderen. In het bijzonder wanneer dergelijke feiten midden in een woonwijk worden gepleegd, zoals in onderhavige zaak aan de orde is geweest. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel (in gewone taal gesteld: als partydrug).
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte in december 2018 voor het eerst werd veroordeeld voor wapenbezit en overtredingen van de Opiumwet. Verdachte pleegde deze misdrijven in 2016; hij was toen twintig jaren oud. In 2021 werd verdachte opnieuw veroordeeld wegens het overtreden van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich, ondanks de reeds eerder ingezette interventies in een gedwongen kader, wederom schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten – relatief kort na de beëinding van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Uit het reclasseringsadvies van 2 december 2025 volgt dat bij verdachte sprake is van een delict-patroon inzake drugs- en wapendelicten. Onderhavige zaak valt binnen dat delict-patroon. De rechtbank betrekt dit gegeven bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf.
De rechtbank heeft nader kennisgenomen van het door Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies van 2 december 2025. Daaruit volgt – voor zover van belang –
dat in ieder geval verdachte zijn sociaal netwerk, middelengebruik en gebrek aan inkomen mogelijk delict-gerelateerde factoren zijn geweest. Verdachte heeft verteld dat zijn middelengebruik en het hebben van een pro-crimineel sociaal netwerk verband houden met de reden waarom hij nu opnieuw met justitie in aanraking komt. Verdachte had ten tijde van onderhavige bewezen verklaarde feiten geen inkomen. Wegens de aard van het delict is een financieel motief niet uit te sluiten. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld-hoog en het risico op letsel als gemiddeld. De reclassering acht een behandeling gericht op het middelengebruik van veroordeelde noodzakelijk om de kans op recidive te reduceren. De kans van slagen van een dergelijke behandeling hangt sterk samen met de motivatie en wil van verdachte om daadwerkelijk te werken aan positieve veranderingen in zijn leven. Bij een veroordeling heeft de reclassering geadviseerd tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van meerdere bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen zwaarwegende negatieve consequenties voor een gevangenisstraf anders dan de algemene nadelen die voor iedereen gelden.
De op te leggen straf
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het aanwezig hebben van 3000 – 4000 gram harddrugs (het totale gewicht dat verdachte op 16 januari 2025 aanwezig heeft gehad is 3.830,72 gram) is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden onvoorwaardelijk. Voor het voorhanden hebben van een pistool, dan wel een revolver in een woning is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden onvoorwaardelijk. Verdachte heeft zowel een pistool als een revolver voorhanden gehad, zodat de rechtbank bij het onder 3 bewezen verklaarde een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden onvoorwaardelijk als oriëntatiepunt hanteert. Ten aanzien van het in voorraad hebben van een hoeveelheid ketamine bestaan geen oriëntatiepunten. Echter, omdat dit middel gebruikt en verhandeld wordt als partydrug, dan wel genotsmiddel, heeft de rechtbank hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten ten aanzien van het bezit van harddrugs in plaats van die van economische delicten. De rechtbank realiseert zich dat ketamine niet voorkomt op lijst I Opiumwet, maar constateert dat het uiteindelijke eindgebruik niet verschilt met het aanwezig hebben van stoffen die op lijst I van de Opiumwet staan. Voor het aanwezig hebben van 2000 – 3000 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden onvoorwaardelijk.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van deze oriëntatiepunten.
Hoewel het strafblad van verdachte strafverhogend zou kunnen werken, ziet de rechtbank bij verdachte een veranderde houding. Zo ziet hij intussen in dat zijn langdurige verslaving behandeling vraagt en is hij bereid zich daarvoor in te zetten.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal aldus een lichtere gevangenisstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank legt deze gevangenisstraf voor een deel voorwaardelijk op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en als hulpmiddel om aan zijn problemen te werken en om zo het recidiverisico terug te dringen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen daarom de na te noemen en door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet;
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
38 van de Geneesmiddelenwet en;
26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • verklaart het onder 1,2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
29 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan
12 maanden voorwaardelijken een
proeftijdvan
2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:
  • veroordeelde meldt zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd bij verslavingsreclassering GGZ van Vincent van Gogh op het telefoonnummer 0475 - 78 67 30. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering en houdt zich aan aanwijzingen van de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vind;
  • veroordeelde laat zich behandelen door een Forensische Polikliniek van de verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start vanaf het moment dat er een behandelplek voor betrokkene beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
  • veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of een opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 24 december 2025.