ECLI:NL:RBOBR:2025:8676

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
25/3436
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel

De burgemeester van Laarbeek besloot op grond van artikel 13b van de Opiumwet een woning te sluiten voor vier maanden vanwege de vondst van bijna 18 keer de gedoogde gebruikershoeveelheid cocaïne, 3-CMC, en attributen die duiden op drugshandel, zoals een weegschaal, gripzakjes en wapens. Tevens waren er meldingen dat vanuit de woning en op festivals drugs werden verkocht.

Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit en vroegen een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter had eerder een ordemaatregel getroffen die het besluit schorst, maar in deze uitspraak wordt die ordemaatregel opgeheven en het verzoek alsnog afgewezen. De rechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was, dat de sluiting noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat en dat de belangenafweging evenwichtig is.

Hoewel verzoekers stelden dat er geen overlast was en dat er minderjarige kinderen in de woning wonen, acht de voorzieningenrechter dit geen reden om van sluiting af te zien. Veilig Thuis stelde voorwaarden voor de veiligheid van het jongste kind, en de voorzieningenrechter vond dat verzoekers in staat zijn tijdelijke alternatieve woonruimte te vinden. De duur van vier maanden sluiting is passend gelet op het beleid en de omstandigheden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de sluiting van de woning voor vier maanden wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3436

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] uit [woonplaats], verzoeker

en [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R. Janssen),
en

de burgemeester van Laarbeek

(gemachtigde: mr. D. Crielaars en [naam]).
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
[naam]te [woonplaats] (de verhuurder)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om een woning te sluiten voor de duur van vier maanden. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben daarom een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 9 december 2025 een ordemaatregel getroffen waarmee het besluit is geschorst. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak of de getroffen ordemaatregel moet worden opgeheven of gewijzigd.
1.1.
De voorzieningenrechter heft de ordemaatregel op en wijst het verzoek om voorlopige voorziening alsnog af. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten, dat daarvoor een noodzaak aanwezig was en dat het besluit om tot sluiting over te gaan gelet op de daarbij te betrekken belangen evenwichtig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 november 2025 heeft de burgemeester -op grond van de aan haar in artikel 13b van de Opiumwet gegeven bevoegdheid en de gehanteerde beleidsregels- besloten de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor de duur van vier maanden te sluiten, omdat in de woning onder meer een handelsvoorraad cocaïne en 3-CMC gevonden is
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de verhuurder, vergezeld door zijn partner [naam] en de gemachtigden van de burgemeester.
2.2.
Met beider instemming heeft voorzieningenrechter verzoekers en de burgemeester op de zitting in de gelegenheid gesteld om na de zitting schriftelijke inlichtingen in te sturen. Verzoekers en de burgemeester hebben vervolgens een op 15 december 2025 gedateerd onderzoeksverslag, respectievelijk een gespreksverslag van 11 december 2025 overgelegd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Op 9 november 2025 heeft de politie de woning doorzocht op grond van het vermoeden dat daar verdovende middelen aanwezig waren. Verspreid door de woning en op het perceel heeft de politie onder meer 8,99 gram cocaïne en 0,67 gram 3-CMC aangetroffen.
4. De bevindingen van de politie zijn gedeeld met de burgemeester in een bestuurlijke rapportage van 14 november 2025. Op 19 november 2025 heeft de burgemeester aan verzoekers haar voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang bekend gemaakt. In het bestreden besluit heeft de burgemeester gereageerd op de zienswijze van verzoekers. In een afzonderlijke brief heeft de burgemeester gereageerd op de zienswijze van de verhuurder.
Hebben verzoekers een spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb [1] alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben, omdat zij bij de sluiting de woning zullen moeten verlaten.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel / belangenafweging
7. De voorzieningenrechter houdt bij zijn beoordeling rekening met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 augustus 2019 [2] (de zogenoemde overzichtsuitspraak), 2 februari 2022 [3] en 6 juli 2022. [4]
8. Zoals op de zitting is bevestigd bestrijden verzoekers niet dat de burgemeester bevoegd is om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. In geschil is daarom de vraag naar de noodzaak van de sluiting en de evenwichtigheid van het besluit om daartoe over te gaan.
Is sluiting van de woning noodzakelijk?
9. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Hierbij is ten eerste van belang de hoeveelheid en de soort aangetroffen drugs. [5] Verder is voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van de woning als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar de woning eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om de woning aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal en een grote hoeveelheid contant geld. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit de woning drugs werden verhandeld, dan zal de burgemeester – als zij zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was – nader moeten onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van de woning en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. In dit soort gevallen is een sluiting van meer dan zes maanden in beginsel onevenredig. Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit de woning werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit ertoe leiden dat er geen noodzaak bestaat om de woning te sluiten.
9.1.
Verzoeker heeft verklaard dat hij slechts cocaïne heeft ingekocht om later te verstrekken aan vrienden en bekenden. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat geen overlast is veroorzaakt, dat geen sprake is geweest van een loop van (onbekende) drugsgebruikers of kopers en dat de openbare orde niet is verstoord.
9.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de in de woning aangetroffen hoeveelheid cocaïne bijna 18 keer de gedoogde gebruikershoeveelheid van 0,5 gram bedraagt. Verder zijn in de woning middelen aangetroffen die bij drugshandel in het criminele circuit gebruikt worden, zoals een weegschaal, gripzakjes en verschillende wapens. Verder is bekend dat sinds juni 2025 vier meldingen via Meld misdaad anoniem zijn gedaan dat verzoeker vanuit zijn woning en op festivals drugs verkoopt. Gelet op die aanwijzingen over ernst en omvang van de overtreding, bezien in samenhang met de rechtsoverweging 9 genoemde elementen, oordeelt de voorzieningenrechter dat de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk heeft kunnen vinden. Aan de stellingen van verzoekers kan niet de door hen gewenste betekenis worden toegekend.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
10. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is, dan moet zij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel, in dit geval vier maanden. [6] Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
10.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak is de aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien. Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo is het in het licht van artikel 8 van Pro het EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind wel van belang dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. In beginsel zijn de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Maar ook hier geldt dat de burgemeester zich dient te informeren over geschikte opvang, waarbij gekeken moet worden in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen.
10.2.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de woning niet mag worden gesloten, omdat daar ook drie minderjarige kinderen wonen. Voor de twee kinderen van verzoeker uit zijn vorige relatie geldt een omgangsregeling die inhoudt dat zij op woensdagmiddagen en 26 weekenden per jaar bij verzoeker verblijven. Het derde kind [naam] is geboren op [geboortedatum] 2024 en is het zoontje van verzoekers. Verzoekster stelt dat zij met [naam] maximaal één maand bij haar moeder kan verblijven en dat haar moeder om medische en huurrechtelijke redenen niet langer voor onderdak kan zorgen.
10.3.
Naar aanleiding van een melding van de politie op 10 november 2025 en een melding van de gemeente Laarbeek van 27 november 2025 heeft Veilig Thuis onderzoek gedaan naar de omstandigheden in de woning. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft Veilig Thuis in de brief van 15 december 2025 met het oog op de veiligheid van [naam] de volgende voorwaarden opgesteld:
“(…)
[naam] verblijft in een veilige, op zijn leeftijd aangepaste, en schone omgeving, d.w.z.;
  • Er ligt geen drugs, wapens of vuurwerk in de woning.
  • De woning is dermate schoon dat [naam] er rond kan kruipen en lopen zonder vies te worden.
  • In de tuin ligt geen hondenpoep of gevaarlijke spullen waar [naam] zich aan kan bezeren.
  • [naam] is geen getuige van oplopende spanningen bij ouders(…)”
10.4.
Gelet op de bevindingen en de gegevens, die zijn vermeld in het rapport van Veilig Thuis en het door de burgemeester overgelegde gespreksverslag, oordeelt de voorzieningenrechter dat van verzoekers kan worden verwacht en dat zij in staat zijn om concrete inspanningen te doen voor het verkrijgen van tijdelijke alternatieve woonruimte. Uit de door Veilig Thuis opgestelde voorwaarden kan niet worden afgeleid dat de veiligheid van [naam] wordt bedreigd als hij tijdelijk verblijft in een passende, alternatieve huisvesting; de houding en het gedrag van zijn ouders zijn bepalend voor het behouden van die veiligheid. Inherent aan de sluiting is dat verzoekers de woning tijdelijk moeten verlaten, wat op zichzelf geen bijzonder omstandigheid is. Zij zijn in beginsel ook zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte.
10.5.
Op de zitting is de mogelijkheid van tijdelijke huisvesting in de woning van de moeder van verzoekster besproken. Uit de beschikbare stukken, waaronder de gegevens over de gezondheidssituatie van de moeder van verzoekster, kan niet worden afgeleid dat de mogelijkheid van tijdelijke huisvesting bij de moeder van verzoekster beperkt moet blijven tot slechts één maand. Bij dat oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat de burgemeester op de zitting heeft verwezen naar inlichtingen van de woningcorporatie, waaruit blijkt dat de moeder van verzoekster een eengezinswoning huurt en niet in een seniorenwoning woont, zoals verzoekster heeft gesteld.
10.6.
In door verzoeker gestelde, maar niet met verifieerbare gegevens onderbouwde omstandigheden met betrekking tot de omgangsregeling voor zijn twee andere kinderen en de feitelijke uitvoering daarvan, heeft de burgemeester evenmin aanleiding hoeven zien om van sluiting van de woning af te zien.
10.7.
Gelet op het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter met het oog op de evenwichtigheid van hete besluit dat de burgemeester in de door verzoekster gestelde omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om van sluiting van de woning af te zien. Met inachtneming van het gevoerde beleid heeft de burgemeester de duur van de sluiting op vier maanden kunnen stellen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter heft de op 9 december 2025 getroffen ordemaatregel op en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de burgemeester de woning kan sluiten.
12. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • heft de ordemaatregel op;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
6.Beleidsregel handhavingsprotocol Opiumwet 13b Laarbeek 2021