ECLI:NL:RBOBR:2025:8635

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C-01-402693 - HA ZA 24-211
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor schade door werkzaamheden aan riolering en waterleiding in woonwijk

In deze civiele zaak vorderen eisers, wonende in een wijk te [woonplaats], schadevergoeding van de gemeente Meierijstad, Brabant Water N.V. en [gedaagde sub 3] B.V. naar aanleiding van werkzaamheden die in 2019 zijn uitgevoerd aan de riolering en waterleiding in hun woonomgeving. Eisers stellen dat deze werkzaamheden hebben geleid tot een verhoogde grondwaterstand, wat resulteert in wateroverlast in hun woningen. De gemeente en de andere gedaagden betwisten de aansprakelijkheid en stellen dat de werkzaamheden noodzakelijk waren voor de modernisering van de infrastructuur. De rechtbank heeft op 17 december 2025 uitspraak gedaan en de vorderingen van eisers afgewezen. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden hebben geleid tot een onrechtmatige verhoging van de grondwaterstand. De gemeente heeft bovendien betoogd dat de oude riolering een drainerende werking had, die door de vervangingen is hersteld. De rechtbank concludeert dat de eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd voor hun stellingen en dat de gedaagden niet onrechtmatig hebben gehandeld. De eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de gedaagden.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaak- en rolnummer C/01/402693 / HA ZA 24-211
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiser sub 2],
3.
[eiser sub 3]en
4.
[eiser sub 4],
allen wonende aan [adres] te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,
eisers,
advocaat mr. M.C.J. Houben,
tegen
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE MEIERIJSTAD,
zetelend te Veghel, gemeente Meijerijstad,
advocaat mr. G.A. van der Veen,
2. de naamloze vennootschap
BRABANT WATER N.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
advocaat mr. I.I.P. Cuijpers,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 3] B.V.,
gevestigd te [plaats] , gemeente [naam gemeente] ,
advocaat mr. M.M.R. Nelissen,
gedaagden, hierna te noemen: de gemeente, Brabant Water en [gedaagde sub 3] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (nrs. 1 t/m 18),
- de conclusie van antwoord van de gemeente met producties (nrs. 1 t/m 9),
- de conclusie van antwoord van Brabant Water met producties (nrs. 1 t/m 3),
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 3] met producties (nrs. 1 t/m 3),
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025 waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van het geschil

Eisers wonen in [adres] te [woonplaats] . Volgens eisers zijn de gemeente, Brabant Water en [gedaagde sub 3] jegens hen aansprakelijk voor de schade die zij stellen te hebben geleden en nog lijden door de in 2019 door de gemeente, Brabant Water en [gedaagde sub 3] in [adres] uitgevoerde werkzaamheden. De gemeente, Brabant Water en [gedaagde sub 3] betwisten een en ander.

3.De feiten

3.1.
Eisers wonen in [adres] in de [naam wijk] te [woonplaats] .
Eiser [eiser sub 1] is eigenaar van de onroerende zaak aan [adres 1] , eiser [eiser sub 2] van de onroerende zaak aan de [adres 2] , eiser [eiser sub 3] van de onroerende zaak aan [adres 3] en eiseres [eiser sub 4] van de onroerende zaak aan [adres 4] .
De [naam wijk] is een van de oudste wijken van [woonplaats] . De woningen van eisers aan [adres] dateren uit de jaren ’50.
3.2.
In 2015 is er een “SAMENWERKINGSOVEREENKOMST GEZAMENLIJKE AANBE-STEDING OPTIMALISATIE [naam wijk] ” gesloten tussen de gemeente, Brabant Water en Endinet.
In deze overeenkomst staat vermeld dat de openbare ruimte en ondergrondse infrastructuur van de [naam wijk] niet voldoet aan de huidige technische eisen, welke wensen partijen hebben, dat partijen zich gezamenlijk willen inzetten om tot optimalisatie en herindeling van de [naam wijk] te komen en dat partijen gezamenlijk tot aanbesteding van de werkzaamheden in het kader van deze overeenkomst willen overgaan. Vervolgens is na een aanbesteding het werk gegund aan [gedaagde sub 3] .
Deze overeenkomst houdt verder onder meer in dat de in het kader van het project uit te voeren werkzaamheden in hoofdzaak onder meer bestaan uit het vervangen van het gemengde rioolstelsel door een gescheiden rioolstelsel, vervanging van verharding en beplanting, alsmede het saneren van asbestcementleidingen inclusief de leidingen ten behoeve van de woningaansluitingen.
3.3.
In 2019 zijn er werkzaamheden in [adres] uitgevoerd. Het gemengde rioolstelsel is toen vervangen door een gescheiden rioolstelsel. Verder is toen in het wegvak ter hoogte van de woningen van eisers onder meer ook de gas- en waterleiding vervangen. Vanwege het vervangen van de gas- en waterleiding hebben de woningen in kwestie in opdracht van de nutsbedrijven ook een nieuwe aansluiting op deze leidingen gekregen. Het vervangen van de huisaansluitingen is in opdracht van Brabant Water door BGM Infra BV uitgevoerd. Dit maakte geen deel uit van de optimalisatie die in opdracht van de gemeente is verricht.

4.Het geschil

4.1.
Eisers vorderen, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat gedaagden jegens hen aansprakelijk zijn voor de schade die zij lijden en hebben geleden door de door gedaagden verrichte werkzaamheden,
2. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan eisers van de door eisers geleden en te lijden schade door de door gedaagden verrichte werkzaamheden, nader op te maken bij staat,
3. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eisers van een voorschot op de vergoeding voor deze schade van € 7.572,- met rente,
4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot opheffing van de door hen veroorzaakte schadeoorzaak en tot herstel van de door hen veroorzaakte schade binnen een maand nadat de rechtbank in deze zaak uitspraak heeft gedaan, onder verbeurte van een dwangsom,
5. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eisers van de deskundigenkosten van € 3.176,25 inclusief btw met rente,
6. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eisers van de buitengerechtelijke kosten van € 1.119,25 inclusief btw met rente,
7. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten met rente.
4.2.
Eisers hebben ter onderbouwing van deze vorderingen onder meer het volgende gesteld.
Gedaagden hebben werkzaamheden (laten) verricht(en) aan de riolering in [adres] en/of aan de waterleiding in en naar de percelen van eisers in deze straat. Na afronding daarvan komt meerdere malen per jaar water te staan in de watermeterput en de kelderkast in de woningen van eisers. Vóór deze werkzaamheden was nooit sprake van dergelijke wateroverlast. De door eisers ingeschakelde deskundige, DEKRA Experts, heeft geconcludeerd dat er causaal verband bestaat tussen het werk en de schade van eisers. Het door eisers (bij dagvaarding als productie 9) overgelegde rapport van Dekra van 30 maart 2023 houdt onder meer het volgende in:

Conclusie 1
Op basis van […]de verklaringen en door partij 2 [rechtbank: [A] , [adres 2] ] verstrekte foto’s en filmpjes concluderen wij dat het ontstaan van de waterlast een relatie heeft met de optimalisatie van de [naam wijk] . […]
Conclusie 2
Op basis van de uitspraken van […] [B] , [C] , [D] en partij 2 concluderen wij dat in het kader van de optimalisatie geen drainage is aangebracht, waardoor in "natte” periode de grondwaterstand de bodem van de watermeterputten en van de kelderkast van de partijen 1 [rechtbank: eiser [eiser sub 1] ] , 2, 3 [rechtbank: eiser [eiser sub 3] ] en 4 [rechtbank: [E] [adres 5] overstijgt. Voornoemde blijkt ook uit de door partij 2 verstrekte meetgegevens van de peilbuismetingen. […]
Conclusie 3
Door de wijze van vervanging van de Tyleen drinkwaterleiding is de omliggende grond geroerd […] en is ter plaatse van de doorgang van de watermeterput ruimte […] ontstaan rondom de tyleenleiding, waardoor bij een hoge grondwaterstand ook via voornoemde ruimte grondwater in de watermeterput stroomt, waarna het grondwater zich langs de koperen drinkwaterleidingen verplaatst naar de kelderkast”.
Er zijn meerdere oorzaken voor de schade van eisers. Deze hebben te maken met het werk.
Een oorzaak betreft het onrechtmatige handelen van de gemeente jegens eisers doordat het werk in 2019 tot gevolg heeft gehad dat de grondwaterstand ter plaatse hoger is geworden dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand ter plaatse. Het rapport van Dekra houdt dienaangaande onder meer in:
“Volgens het toetsingscriteria (bron: Wareco Ingenieurs, rapport 04-11-2009) mag de hoogst toelaatbare grondwaterstand onder straten en wegen, vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen, maximaal gelegen zijn op 700 mm beneden het hoogste punt van de as van de weg. Dit niveau mag tijdens natte perioden overschreden worden; echter alleen ter plaatse van wegen en straten. De hoogst toelaatbare grondwaterstand in een stedelijke omgeving (daarvan is hier sprake) mag bij woningen met kruipruimtes 900mm onder het woningpeil zijn gelegen en bij woningen zonder kruipruimten mag dit maximaal 500mm zijn. Beiden mogen een maximale overschrijdingsfrequentie hebben van 1 maal per jaar. De hoogst gemeten grond-waterstand ter plaatse van de woningen van de partijen 1, 2, 3 en 4 is circa 9,04+NAP geweest ofwel 300mm onder het vloerpeil. Voorts begrepen wij van partijen dat regelmatig water in de watermetenpunten stroomt en dat betekent dat overschrijdingsfrequentie van de richtlijn meer dan 1 maal per jaar voorkomt”.
Het is een eigenaar van een erf (hier: de gemeente) niet toegestaan om op een onrechtmatige wijze wijzigingen aan te brengen in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van het grondwater (zie artikel 5:39 BW). Volgens Dekra had de verhoogde grondwaterstand voorkomen kunnen worden als drainage was aangebracht.
Op de gemeente rust de verplichting om maatregelen te treffen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is (zie artikel 2.16 lid 1 sub a onder 2 Omgevingswet en artikel 3.6 lid 1 van de voormalige Waterwet). De gemeente heeft dat nagelaten door geen drainage aan te laten brengen en door voorafgaand aan het werk geen onderzoek te doen naar de gevolgen van de nieuwe riolering voor omwonenden.
Het had op de weg van [gedaagde sub 3] als professioneel aannemer gelegen om de gemeente te waarschuwen voor het ontbreken van drainage bij het uitvoeren van het werk. [gedaagde sub 3] had de opdracht niet mogen uitvoeren zonder daarbij rekening te houden met de negatieve gevolgen die dit voor de omwonenden zou kunnen hebben, mede gelet op de relatief simpele aanpassing van de opdracht en de mogelijk grote gevolgen voor de omwonenden. Dit betekent dat sprake is van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit heeft schade tot gevolg (gehad).
Een andere oorzaak betreft de nieuwe waterleiding die Brabant Water heeft aangebracht in de woningen van eisers. Volgens Dekra kan langs de waterleiding water in deze woningen geraken. Het rapport van Dekra houdt dienaangaande onder meer in:
“Naast het via de bodem van de watermeterputten en de kelderkasten dringt in perioden van grondwaterstijging ook water binnen langs de nieuw aangebrachte Tyleen drinkwaterleiding en verplaatst het in de watermeterput binnendringend grondwater zich ook langs de koperen drinkwaterleidingen naar de kelderkast. Volgens de heer [F] van BGM is het saneren van de dienstwaterleidingen uitgevoerd door [gedaagde sub 3] . Daarbij is de oude leiding losgekoppeld en vervolgens vastgemaakt aan de nieuwe tyleenleiding, waarna deze oude leiding inclusief koppelstukken aan de onder/voorzijde van de watermeterput door het zandbed naar buiten is getrokken, aldus […] [F] . Tijdens onze bezoeken constateerden wij rondom de nieuwe Tyleen drinkwaterleiding ruimte en breuken c.q. loszittende stenen van de watermeetputwand”.
Brabant Water had de drinkwaterleiding deugdelijk moeten (laten) aanbrengen in de woningen van eisers. Door dit na te laten heeft zij in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hierdoor ontstaat schade in deze woningen. Deze onrechtmatige daad kan aan Brabant Water worden toegerekend, omdat deze te wijten is aan haar schuld. Indien vast komt te staan dat Brabant Water het werk door een derde heeft laten uitvoeren dan doet dat feit niks af aan haar aansprakelijkheid (zie artikel 6:171 BW).
Nu de schade van eisers het gevolg kan zijn van ten minste twee gebeurtenissen waarvoor een andere gedaagde aansprakelijk is en vast staat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, rust de verplichting om de volledige schade te vergoeden op alle gedaagden. Gedaagden zijn daarmee tevens hoofdelijk aansprakelijk voor de volledige schade.
4.3.
De gemeente voert verweer. Zij concludeert, samengevat, tot afwijzing van de vorderingen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de proces- en nakosten met rente.
4.4.
Brabant Water voert verweer. Zij concludeert, samengevat, tot afwijzing van de vorderingen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers, hoofdelijk, in de proces- en nakosten met rente.
4.5.
[gedaagde sub 3] voert verweer. Zij concludeert, samengevat, tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de proces- en nakosten.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank zal de vorderingen afwijzen. Zij zal deze beslissing hierna toelichten.
De vorderingen jegens de gemeente en [gedaagde sub 3]
- artikel 5:39 BW jo. 6:162 BW
5.2.
Eisers stellen dat zij schade lijden en hebben geleden doordat, kort gezegd, door het werk van de gemeente in 2019 de grondwaterstand ter plaatse van hun woningen hoger is geworden dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand ter plaatse. Volgens eisers is dat in strijd met het bepaalde in artikel 5:39 BW jo. 6:162 BW. Volgens eisers had het op de weg van [gedaagde sub 3] gelegen om de gemeente te waarschuwen voor het ontbreken van drainage bij het uitvoeren van de werkzaamheden en heeft zij dat nagelaten, hetgeen onrechtmatig is jegens eisers.
5.3.
De gemeente heeft betwist dat zij jegens eisers in strijd met het bepaalde in artikel 5:39 jo. 6:162 BW heeft gehandeld. Zij heeft aangevoerd dat de rioleringswerkzaamheden die in de [naam wijk] zijn uitgevoerd tot doel hadden om deze wijk te moderniseren en te verduurzamen. Het oude riool ter plaatse was volgens de gemeente 50 á 60 jaar oud en had op enig moment (onbedoeld) een drainerende werking gekregen. In die riolering was een scheur of breuk ontstaan waarlangs grondwater aan de bodem werd onttrokken en afgevoerd. De grondwaterstand werd daardoor kunstmatig laag. Door de vervanging van deze riolering is volgens de gemeente de natuurlijke grondwatersituatie ter plaatse hersteld, hetgeen niet onrechtmatig is jegens eisers. Het was volgens de gemeente wenselijk om de grondwater-situatie ter plaatse te herstellen, omdat de bodem dan beter gehydrateerd is wat bijvoorbeeld het - openbaar - groen en bepaalde typen fundering ten goede komt. Dat in enkele particuliere watermeterputten en/of kelderkasten mogelijk vocht zichtbaar wordt, betekent volgens de gemeente nog niet dat zij daarmee ontoelaatbare hinder veroorzaakt als bedoeld in artikel 5:39 BW indien deze vervanging naar behoren is uitgevoerd en de normale grondwaterstand niet dermate hoog is dat deze watermeterputten en/of kelderkasten daar niet tegen bestand zouden hoeven te zijn.
Volgens de gemeente is voorafgaand aan een schouw bij de woningen van eisers op 2 juli 2024 ter plaatse een sleuf uitgegraven waardoor de grondwaterstanden konden worden geschouwd en bleek uit de schouw, die plaats vond na een langdurig natte periode, dat de grondwaterstanden 0,95 tot 1 meter onder het peil waren. Dat is volgens de gemeente geen dermate hoge grondwaterstand dat de watermeterputten en/of kelderkasten daar niet tegen bestand zouden hoeven te zijn.
Bovendien constateren volgens de gemeente zowel BosBoon Expertise (die namens de verzekeraar van de gemeente naar aanleiding van de aansprakelijkstelling door eisers opdracht had gekregen om onderzoek te doen en daarop het bij dagvaarding als productie 12 overgelegde rapport van 17 juli 2020 heeft uitgebracht) als Dekra dat de watermeterputten en kelderkasten al langere tijd met vocht te maken hebben en dat dat ook logisch is; BosBoon wijst op een niet-water-dichte constructie, terwijl zowel Dekra als eisers zelf erkennen dat de leidingdoorvoeren (die niet door of in opdracht van de gemeente zijn aangebracht) niet waterdicht zijn geweest. Het is volgens de gemeente aan eisers zelf om hun buitenwanden waterdicht te houden. Dat dat niet is gebeurd, ligt volgens de gemeente bij eisers en kan haar niet worden aangerekend.
5.4.
[gedaagde sub 3] heeft ook betwist dat de grondwaterstand na de uitvoering van het werk aan de riolering in 2019 ter plaatse van de woningen van eisers in [adres] ontoelaatbaar hoog is. Dat de oude riolering ter plaatse (onbedoeld) drainerende werking had, betekent volgens haar nog niet dat de nieuwe riolering die drainerende werking dus ook moest hebben. Dat zou volgens [gedaagde sub 3] juist degraderend zijn. Drainage is ter plaatse volgens [gedaagde sub 3] ook niet gebruikelijk. Er is daar geen sprake van kwelwater. Het jaar 2024 betrof volgens [gedaagde sub 3] een nat jaar. Uit de schouw op 2 juli 2024 bij de woningen van eisers blijkt volgens haar dat zelfs in dat natte jaar de grondwaterstand daar niet ontoelaatbaar hoog was.
5.5.
De rechtbank zal de vorderingen jegens de gemeente gebaseerd op het bepaalde in artikel 5:39 jo. 6:162 BW, afwijzen.
Vast staat, als door de gemeente onweersproken aangevoerd, dat de in 2019 vervangen riolering onbedoeld op enig moment een zekere drainerende werking had gekregen. Er is niet komen vast te staan dat door het ontbreken van drainerende werking bij de in 2019 nieuw aangelegde riolering de grondwaterstand in [adres] ter plaatse van de woningen van eisers hoger is geworden en zelfs hoger dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand aldaar. Eisers hebben wel gesteld dat er vóór het werk in 2019 nooit sprake was van overlast door water in hun watermeterputten en kelderkasten, maar dit is betwist. Zo heeft de gemeente er op gewezen dat het rapport van BosBoon Expertise van 17 juli 2020 op bladzijde 6 inhoudt:
“Wij constateerden in de watermeterputten in de woningen van wederpartijen vlekken en kringen op de wanden. Dit wijst erop dat in deze watermeterputten water aanwezig is geweest. Ten tijde van onze opnamen hebben wij geen water in deze waterputten aangetroffen”,
en op bladzijde 7:
“Overigens constateerden wij ter plaatse van alle door ons geïnspecteerde woningen van wederpartijen dat de ijzeren matranden voor de toegangsluiken van de watermeterputten door corrosie zijn aangetast. Aangezien corrosie een langdurig proces betreft, zijn wij van mening dat deze watermeterputten reeds over een lange periode met vocht belast moeten zijn geweest”.
De gemeente heeft verder gewezen op het door eisers zelf overgelegde rapport van Dekra, dat op blz. 6 inhoudt:
“Ten tijde van onze bezoeken waren de watermeterputten en de kelderkasten droog, maar wij constateerden wel vochtplekken en afbladdering c.q. afbrokkeling van stuc-/cementwerk wat uitsluitend als gevolg van (open) water kan zijn ontstaan. Dergelijke vochtschade kan naar onze mening niet het gevolg zijn van het normale vochtklimaat in een watermeterput. [...] Naast voornoemde bij alle partijen voorkomende vochtschade in het stuc-/pleisterwerk van de watermeterput en de kelderkast constateerden wij ook bij alle partijen roestvorming van de metalen watermeterputrand en de koperen waterleidingen (groene uitslag)”.
[gedaagde sub 3] heeft verder aangevoerd dat het uit het rapport van BosBoon Expertise blijkt dat de grondwaterstand direct als gevolg van de rioolvervanging niet of nauwelijks is gestegen. Dit rapport houdt op bladzijde 7/8 in:
“Tevens ontvingen wij […] de meetgegevens voor de grondwaterstanden van diverse peilbuizen in de omgeving van de woningen van wederpartijen, gemeten in de periode mei 2017 tot maart 2020. Op basis van deze gegevens concludeerden wij dat in de periode december 2019 februari 2020 sprake is geweest van een hogere grondwaterstand dan de gemiddelde grondwaterstand, maar tevens dat de gemeten waarden niet sterk afweken van vergelijkbare perioden in voorgaande jaren. Ook constateerden wij dat de grondwaterstanden ter plaatse van de diverse peilbuizen onderling niet sterk afweken, maar dat de grondwaterstanden in de straten waar een waterbergende fundatie onder de wegverhardingen is aangebracht hoger is geweest dan ter plaatse van [adres], waar deze waterbergende fundatie ontbreekt. Wij hebben derhalve geen duidelijk aanwijsbare invloed van de vervanging van de riolering op de grondwaterstand kunnen vaststellen”.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het vervolgens op de weg van eisers gelegen om hun stelling dat er vóór het werk in 2019 nooit sprake was van overlast door water in hun watermeterputten en kelderkasten, voldoende feitelijk en concreet (nader) te onderbouwen. Nu dat is nagelaten, wordt aan het opdragen van bewijs van die stelling aan eisers niet toegekomen. Het bewijsrecht strekt er immers niet toe om lacunes in de (nadere) stelplicht te repareren.
Eisers hebben verder wel gesteld dat door het werk in 2019 de grondwaterstand in [adres] ter plaatse van hun woningen hoger is geworden dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand ter plaatse, maar ook dit is betwist. De gemeente heeft aangevoerd dat voorafgaand aan een schouw bij de woningen van eisers op 2 juli 2024 ter plaatse een sleuf is uitgegraven waardoor de grondwaterstanden konden worden geschouwd en bleek uit de schouw, die plaats vond na een langdurig natte periode, dat de grondwaterstanden 0,95 tot 1 meter onder het peil waren en dat geen dermate hoge grondwaterstand is dat watermeterputten en/of kelderkasten daar niet tegen bestand hoeven te zijn. Ook [gedaagde sub 3] heeft dit aangevoerd. Volgens [gedaagde sub 3] blijkt verder uit het rapport van BosBoon Expertise dat de grondwaterstand direct als gevolg van de rioolvervanging niet of nauwelijks is gestegen.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het vervolgens op de weg van eisers gelegen om hun stelling dat door het werk in 2019 de grondwaterstand in [adres] ter plaatse van hun woningen hoger is geworden dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand ter plaatse, voldoende feitelijk en concreet (nader) te onderbouwen. Ook dat is nagelaten, zodat aan het opdragen van bewijs van die stelling aan eisers ook niet wordt toegekomen.
Er zijn tot slot geen althans onvoldoende concrete aanwijzingen dat, zo na het werk aan de riolering in 2019 al sprake zou zijn van een grondwaterstand ter plaatse van de woningen van eisers die hoger is dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand ter plaatse, de overschrijding van de door Dekra aangehaalde richtlijn dan meer dan een maal per jaar voorkomt.
5.6.
De rechtbank zal, gelet op de afwijzing van de vordering jegens de gemeente gebaseerd op het bepaalde in artikel 5:39 jo. artikel 6:162 BW, ook de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] afwijzen die zijn gebaseerd op de stelling dat zij de gemeente als professioneel aannemer had moeten waarschuwen voor het ontbreken van drainage bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Dat drainage in [adres] had behoren te worden aangebracht is, gelet op het eerder overwogene met betrekking tot de grondwaterstand ter plaatse, niet komen vast te staan. Zoals namens [gedaagde sub 3] ook is verklaard tijdens de mondelinge behandeling volgt uit de enkele omstandigheid dat de oude riolering in [adres] (onbedoeld) een zekere drainerende werking had (gekregen) nog niet dat ook de in 2019 nieuw aangebrachte riolering in [adres] drainerende werking moest hebben.
- artikel 2.16 lid 1 sub a onder 2 Omgevingswet en art. 3.6 lid 1 van de voormalige Waterwet
5.7.
De rechtbank zal ook de vorderingen jegens de gemeente gebaseerd op artikel 2.16 lid 1 sub a onder 2 Omgevingswet en artikel 3.6 lid 1 van de voormalige Waterwet, afwijzen.
Zoals hiervoor al is overwogen is niet komen vast te staan dat, zoals eisers hebben gesteld, door het werk in 2019 aan de riolering de grondwaterstand in [adres] ter plaatse van hun woningen is verhoogd en wel zodanig dat deze hoger is geworden dan de hoogst toelaatbare grondwaterstand ter plaatse en/of dat de door Dekra aangehaalde richtlijn ter plaatse meer dan een maal per jaar wordt overschreden. Van de voor toewijzing van deze vorderingen vereiste structurele nadelige gevolgen van een te hoge (of te lage) grondwater-stand is daarom niet gebleken.
5.8.
De rechtbank zal, gelet op de afwijzing van de vorderingen gebaseerd op artikel 2.16 lid 1 sub a onder 2 Omgevingswet en art. 3.6 lid 1 van de voormalige Waterwet jegens de gemeente, ook de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] afwijzen die zijn gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 3] de gemeente had moeten waarschuwen voor het ontbreken van drainage bij het uitvoeren van het werk. Nu van de voor toewijzing van de vorderingen jegens de gemeente vereiste structurele nadelige gevolgen van een te hoge (of te lage) grondwaterstand niet is gebleken, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom [gedaagde sub 3] de gemeente had moeten waarschuwen voor het ontbreken van drainage bij het uitvoeren van het werk in 2019.
De vorderingen jegens Brabant Water
5.9.
Eisers hebben ter onderbouwing van de vorderingen jegens Brabant Water gesteld dat Brabant Water de drinkwaterleiding deugdelijk had moeten (laten) aanbrengen in hun woningen en dat zij dat heeft nagelaten. Eisers onderbouwen die stelling door erop te wijzen dat volgens Dekra langs de waterleiding water in de woningen van eisers kan geraken door de wijze van vervanging van de tyleen drinkwaterleiding waarbij ter plaatse van de doorgang van de watermeterput ruimte is ontstaan rondom de tyleen leiding waardoor bij een hoge grondwaterstand ook via voornoemde ruimte grondwater in de watermeterput stroomt, waarna het grondwater zich langs de koperen drinkwaterleidingen verplaatst naar de kelderkast.
5.10.
Brabant water heeft ter afwering van de vorderingen onder meer aangevoerd dat er geen nieuwe doorvoeren zijn gemaakt. Zij wijst daarbij onder meer op:
- het door eisers overgelegde rapport van Dekra dat op blz. 5 inhoudt: “De leidingdoorvoeren in de watermeterputten zijn niet voorzien van een waterdichte voorziening en waren dat ook niet voor de optimalisatie”, en
- het door haar bij conclusie van antwoord als productie 2 overgelegde rapport van Crawford en Company Nederland dat ten aanzien van de door BGM uitgevoerde werkzaamheden op blz. 2 inhoudt: “De zwart waterleiding, die in het kader van het werk namens [Brabant Water] zou zijn aangelegd, wordt op een diepte van 80 centimeter onder begane grondvloer ingevoerd in de watermeterput. Door ons werden in de watermeterputwand geen breeksporen aangetroffen, die wijzen op hak- en breekwerken ten behoeve van het invoeren van de waterleiding bij de aanleg daarvan."
5.11.
De rechtbank zal ook de vorderingen jegens Brabant Water, afwijzen.
Eisers hebben daartoe gesteld dat door de wijze van vervanging van de tyleen drinkwater-leiding ter plaatse van de doorgang van de watermeterput
ruimte is ontstaanrondom de tyleen leiding waardoor bij een hoge grondwaterstand ook via voornoemde ruimte grondwater in de watermeterput stroomt, waarna het grondwater zich langs de koperen drinkwaterleidingen verplaatst naar de kelderkast. Dat deze ruimte, zoals gesteld, is ontstaan door de wijze van vervanging van de tyleen drinkwaterleiding, is niet komen vast te staan, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Brabant Water zoals hiervoor verkort is weergegeven. Volgens het door eisers zelf overgelegde rapport van Dekra waren de leidingdoorvoeren in de watermeterputten vóór de optimalisatie niet voorzien van een waterdichte voorziening en is daarin ná de optimalisatie niets veranderd. Er kan op basis van die informatie niet worden geconcludeerd dat de leidingdoorvoeren in de watermeterputten van eisers vóór de werkzaamheden door of namens Brabant Water daaraan wel konden voorkomen dat bij een hoge grondwaterstand ook via voornoemde ruimte grondwater in de watermeterput zou stromen (waarna het grondwater zich langs de koperen drinkwaterleidingen verplaatst naar de kelderkast), en dat deze leidingdoorvoeren dat ná deze werkzaamheden door of namens Brabant Water niet meer konden voorkomen. Dat de door eisers gestelde ontstane ruimte rondom de tyleen leidingen door handelen of nalaten door of namens Brabant Water is ontstaan, is evenmin komen vast te staan. Een concrete aanwijzing daarvoor is niet gesteld. Crawford en Company Nederland heeft in de waterputwand geen breeksporen aangetroffen die wijzen op hak- en breekwerken ten behoeve van het invoeren van de waterleiding bij de aanleg daarvan.
De proceskosten
5.12.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
5.13.
De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
2.889,-
- salaris advocaat
1.228,-
(2 punten × € 614,-)
- nakosten
178,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
4.295,-.
5.14.
De proceskosten van [gedaagde sub 3] worden begroot op:
- griffierecht
2.889,-
- salaris advocaat
1.228,-
(2 punten × € 614,-)
- nakosten
178,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
4.295,-.
5.15.
De proceskosten van Brabant Water worden begroot op:
- griffierecht
2.889,-
- salaris advocaat
1.228,-
(2 punten × € 614,-)
- nakosten
178,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
4.295,-.
5.16.
De door de gemeente en Brabant Water gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.17.
De veroordeling in de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde (hier: iedere eiser) kan worden gedwongen om het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen, af,
6.2.
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van de gemeente ten bedrage van € 4.295,-, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan deze veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en veroordeelt eisers hoofdelijk tot betaling van de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.3.
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde sub 3] ten bedrage van € 4.295,-, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan deze veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van Brabant Water ten bedrage van € 4.295,-, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan deze veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en veroordeelt eisers hoofdelijk tot betaling van de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis, voor zover het deze veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.