Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
- Verzoeken 1 en 2: wat van [eiser] kon worden verlangd voor wat betreft het beperken van zijn verlies aan verdienvermogen vormde nog geen onderwerp van geschil tussen partijen: in november 2024 had Zurich ingestemd met een bevoorschotting voor een periode van negen maanden, waarna partijen in augustus 2025 de haalbaarheid van het ondernemerschap van [eiser] zouden toetsen.
- Verzoek 3: [D] was bij de zaak betrokken en zou medio juli 2025 rapporteren. Over diens rol daarna hadden partijen nog niet gesproken. Over de vraag of [E] begeleiding zou mogen bieden, had Zurich zich nog niet uitgelaten.
- Verzoeken 4a en 4b: de bevoorschotting voor verlies aan verdienvermogen was geen onderwerp van geschil, gelet op de gemaakte afspraak om nog tot augustus 2025 te bevoorschotten, en daarna de situatie opnieuw te beoordelen.
- Verzoek 4c: Zurich heeft € 5.000,- aan smartengeld bevoorschot in november 2024, waarna geen verzoek om een aanvullend voorschot is ontvangen en daarover ook geen geschil is ontstaan.
- Verzoeken 5 en 6: over de vergoeding voor werkzaamheden van mr. Leemhuis van juni 2023 tot en met 24 juni 2024 (inclusief de werkzaamheden voor het verzoekschrift voor een voorlopig deskundigenbericht) hadden partijen op 9 juli 2024 al een akkoord (totaal € 11.239,57). Voor de redelijkheid en noodzaak van de gevorderde kosten voor de opgestelde concept verzoekschriften heeft Zurich op 15 november 2024 een toelichting van mr. Leemhuis gevraagd, maar niet verkregen.
- In de denkbeeldige situatie zonder ongeval zou [eiser] , na het behalen van zijn diploma interieurbouwer in april 2022, fulltime zijn gaan werken als meubelmaker in loondienst, om vervolgens gefaseerd richting het zelfstandig ondernemerschap te bewegen. Vermoedelijk zou hij twee jaar na zijn afstuderen volledig als zelfstandige werkzaam zijn geweest, maar hierover is discussie mogelijk. Mogelijk moet hier nog arbeidskundig onderzoek naar plaatsvinden. Voor het berekenen van het voorschot kan worden uitgegaan van het behoudende uitgangspunt dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval als meubelmaker in loondienst werkzaam zou zijn gebleven. Hij zou dan een loon hebben ontvangen dat hoort bij functiegroep D van de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie.
- In de werkelijke situatie met ongeval is [eiser] , na het behalen van zijn diploma in april 2022, een vervolgopleiding gaan doen waarbij hij vanaf september 2022 in deeltijd heeft gewerkt op basis van een BBL-contract. Vanaf juni 2024 is hij werkzaam voor zijn onderneming, waarmee hij geen inkomsten heeft verworven (de omzet tot februari 2025 is teruggevloeid in het eigen bedrijf en heeft nog geen winst opgeleverd).
- Het verschil tussen deze beide situaties vormt de geleden schade. De bij de berekening van die schade gehanteerde bedragen staan vermeld in een schade-overzicht dat is overgelegd als productie 19 bij verzoekschrift. Ter zitting heeft [eiser] daarop nog een toelichting gegeven. De gegevens over de gegenereerde omzet zijn ontleend aan het rapport van [E] van 25 februari 2025.
- In de denkbeeldige situatie zonder ongeval zou [eiser] naar hij stelt twee jaar na zijn afstuderen volledig als zelfstandige werkzaam zijn geweest. Voor de begroting van het verlies aan verdienvermogen moet dan ook een vergelijking worden gemaakt met deze situatie, waarin [eiser] – net als nu in de situatie met zijn onderneming [B] – te maken zou hebben gehad met alle onzekerheden en financiële instabiliteit die het zelfstandig ondernemerschap met zich meebrengt, wat moet worden meegenomen in de schadebegroting.
- In de situatie met ongeval is [eiser] vrijwel volledig belastbaar voor het verrichten van werkzaamheden als werkvoorbereider, dan wel in een vergelijkbare functie. [eiser] heeft zelf ontslag genomen als werkvoorbereider, waardoor hij geen aanspraak heeft kunnen maken op een werkloosheidsuitkering, wat vragen oproept over de causaliteit en redelijkheid van het gestelde verlies aan verdienvermogen.
- Voor de schade van [eiser] wegens verlies aan verdienvermogen heeft Zurich vanaf november 2024 (voor de duur van negen maanden) maandelijks een bedrag van € 1.500,- bevoorschot.
- de nota van 16 juli 2024 heeft betrekking op 9 uur voor het opstellen van het eerste concept verzoekschrift, plus 1 uur voor het opstellen van een schadestaat;
- de nota van 23 december 2024 heeft betrekking op 2 uur voor het actualiseren van het eerder opgestelde concept verzoekschrift, op 0,5 uur voor het actualiseren van de schadestaat, en op bijna 10 uur voor allerhande correspondentie, telefoongesprekken en besprekingen, voornamelijk in de periode van medio oktober tot 25 november 2024.