vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.019230.25
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,
thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks de periode van 30 december 2024 tot en met 9 mei 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, en/of in België en/of in Portugal,
opzettelijk
meerdere minderjarigen, [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [2015] ) en/of [slachtoffer 3] (geboren op [2017] ),
heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende,
terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. Verdachte heeft het ten laste gelegde bekend.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank volstaat, gelet op artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de volgende opgave van bewijsmiddelen, aangezien verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit:
- het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] met bijlagen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 6 januari 2025, dossierpagina 16-18 en 21-23;
- het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [betrokkene 1] opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 mei 2025, dossierpagina 78;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
in de periode van 30 december 2024 tot en met 9 mei 2025 in Nederland en in België en in Portugal, opzettelijk meerdere minderjarigen, [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ) en [slachtoffer 2] (geboren op [2015] ) en [slachtoffer 3] (geboren op [2017] ), heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest op te leggen waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een ambulante behandeling.
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, in de vorm van een contactverbod met aangeefster en de vier kinderen en een gebiedsverbod voor Geldrop en Eindhoven, voor de duur van 5 jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis geldt van 14 dagen, tot een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte en de moeder van de kinderen kort voor het ten laste gelegde stappen hadden gezet om beiden het gezag over hun kinderen te verkrijgen. De raadsman heeft verder aangevoerd dat de kinderen affectie koesteren voor hun vader en dat zij in Portugal niet in een voor hen vreemde omgeving waren omdat zij in het verleden als gezin daar hadden gewoond. Verdachte had ook niet de intentie om de kinderen permanent van hun moeder weg te houden. Hij heeft gehandeld vanuit de wens om de kinderen te beschermen, omdat hij zich zorgen maakte over het welzijn van de kinderen bij hun moeder. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte erkent dat hij niet op de juiste manier heeft gehandeld, dat hij veel heeft geleerd in detentie en dat hij op alle punten gewenst gedrag laat zien.
De raadsman heeft verder aangevoerd dat de kinderen beide ouders nodig hebben en dat een langdurige gevangenisstraf geen oplossing zal bieden. De raadsman heeft verzocht te volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en daarnaast geen vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De raadsman heeft aangevoerd dat de duur van de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel van 5 jaren buitenproportioneel is.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft drie van zijn minderjarige kinderen, alle jonger dan twaalf jaar oud, gedurende een langere periode, ruim vier maanden, onttrokken aan het wettig over hen gestelde gezag dat bij de moeder lag. Verdachte heeft de kinderen zonder medeweten en toestemming van de moeder meegenomen naar het buitenland. Door zijn handelen heeft hij het voor de moeder onmogelijk gemaakt haar taak als degene die met het gezag was belast uit te voeren, hetgeen haar emotioneel heeft aangegrepen. Zij en het jongste broertje hebben de kinderen in die periode moeten missen.
De rechtbank houdt in strafverzwarende rekening met de jonge leeftijd van de kinderen en de omstandigheid dat zij in de periode van de onttrekking niet naar school gingen. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte de kinderen niet zelf heeft teruggebracht naar hun moeder. Verdachte heeft een uitspraak van de Portugese rechter, waarin hem werd opgedragen de kinderen terug te brengen naar hun moeder, naast zich neergelegd. Uiteindelijk was er een Europees aanhoudingsbevel voor nodig om de kinderen terug te krijgen bij hun moeder. Verdachte heeft ervoor gekozen – en de kinderen daar ook op voorbereid - getuige te laten zijn van zijn aanhouding, wat beangstigend voor hen moet zijn geweest. Dat is schadelijk voor kinderen en dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk. De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij het loyaliteitsconflict waarin de kinderen verkeerden, heeft versterkt. Andere aspecten, zoals de leefomstandigheden in Portugal, zijn voor de rechtbank moeilijk vast te stellen. Het dossier bevat daarover verschillende lezingen, zodat de informatie behoedzaam tegemoet moet worden getreden. De rechtbank zal dit bij de strafoplegging dan ook niet mee laten wegen. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin wel rekening met de omstandigheid dat verdachte de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden door zich onder meer niet aan het contactverbod te houden, waarna de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat de kinderen eerder in Portugal hebben verbleven, waar ook hun moeder bij was, en de omgeving in die zin voor hen niet onbekend was. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat er in de periode van de onttrekking enig contact was tussen de kinderen en hun moeder, zodat zij niet in volledige onzekerheid heeft verkeerd. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte, naar inschatting van de rechtbank, op zijn manier een betrokken vader is en de kinderen zich ogenschijnlijk niet onveilig hebben gevoeld.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport door het Leger des Heils d.d. 21 november 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod en een locatieverbod. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot het naleven van de voorwaarden.
De rechtbank zoekt bij haar beslissing over de hoogte van de straf doorgaans aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen dan als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Ten aanzien van onderhavig feit zijn er geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft gelet op de richtlijn voor strafvordering onttrekking minderjarige aan wettig gezag van het openbaar ministerie. De zaak past in categorie 4: internationale kinderontvoering. Deze zaken zijn per definitie maatwerk. De richtlijn houdt in een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden tot 4 jaar. Kijkend naar de jurisprudentie ziet de rechtbank dat daarin, gelet op de sterk variërende omstandigheden, uiteenlopende straffen worden opgelegd.
De rechtbank zal een beduidend lagere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De uitspraken die de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangehaald zijn van een andere aard, zoals een ontvoering naar een land buiten de Europese Unie en gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten 12 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een ambulante behandeling worden verbonden. De rechtbank zal een proeftijd van 3 jaren opleggen.
De rechtbank zal, om het recidivegevaar te verkleinen, het door de reclassering geadviseerde contact- en locatieverbod opleggen in het kader van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 3 jaren. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis zal twee weken bedragen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van zes maanden. De rechtbank zal bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. In het bijzonder de gedragingen van verdachte die tot opheffing van het bevel tot schorsing hebben geleid, geven de rechtbank aanleiding te bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank zal het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
Inleiding.
Door [betrokkene 1] (de moeder) is schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 7.997,53 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat uit materiële schade van € 5.322,53 voor verblijfs-, tol- en reiskosten en gemiste inkomsten en immateriële schade van € 2.675,00.
Namens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (de kinderen) is door hun moeder schadevergoeding gevorderd, ieder tot een bedrag van € 2.675,00 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat geheel uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wel afgevraagd of de vergoeding voor immateriële schade – gelet op het dossier en zonder tekort te doen aan de emoties van de kinderen naar aanleiding van de aanhouding van verdachte – even hoog zou moeten zijn als de vergoeding voor immateriële schade van [betrokkene 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij bereid is de gevorderde schadevergoedingen te betalen.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering van [betrokkene 1]
De rechtbank acht de vordering van [betrokkene 1] in haar geheel toewijsbaar, te weten een totaalbedrag van € 7.997,53. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 5.322,53 voor materiële schade en een bedrag van € 2.675,00 voor immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voldoende onderbouwd en deze is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal zowel het bedrag voor materiële schade als het bedrag voor immateriële schade vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de einddatum van de bewezen verklaarde periode, 9 mei 2025, tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank overweegt ten aanzien van de materiële schade dat het grootste deel van die kosten is gemaakt in het tweede deel van de bewezen verklaarde periode.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is bepaald.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
De rechtbank zal de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. De rechtbank is van oordeel dat niet eenvoudig is vast te stellen dat sprake is van schade, of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht en wat de omvang is van deze schade, omdat de onderbouwing hiervan ontbreekt. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vorderingen zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal, nu de vorderingen niet worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 57 en 279 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
Gevangenisstrafvoor de duur van
18 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan
12 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden: