ECLI:NL:RBOBR:2025:8318

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
01/318106-23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met dodelijke slachtoffers en zwaar lichamelijk letsel door roekeloos rijgedrag onder invloed van alcohol

Op 29 oktober 2023 heeft de verdachte in Liessel, gemeente Deurne, een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed met een snelheid van ongeveer 100 km/u, terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 80 km/u was. Tijdens het rijden was hij onder invloed van alcohol, met een alcoholgehalte van 0,27 milligram per milliliter bloed, wat boven de toegestane limiet voor beginnende bestuurders ligt. Door zijn onvoorzichtige rijgedrag verloor hij de controle over zijn voertuig en botste tegen drie bomen, wat resulteerde in de dood van twee inzittenden en zwaar lichamelijk letsel bij een derde inzittende. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtredingen van artikel 6 en artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank paste het adolescentenstrafrecht toe, gezien de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De straf bestond uit een leerstraf van 50 uur, een werkstraf van 120 uur, een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor 3 jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.318106.23
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Liessel, gemeente Deurne, in elk geval inNederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,daarmede rijdende over de weg, Heitrak, zich zodanig heeft gedragen dat een aanzijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elkgeval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,-terwijl hij (als beginnend bestuurder) onder invloed van alcoholhoudende drankverkeerde, en/of-terwijl het wegdek op dat moment nat, althans vochtig was, en/of-terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 80 km per uur was,-te rijden met een snelheid van ongeveer 120 km per uur, althans met een gelet opde situatie en/of omstandigheden ter plaats, (veel) te hoge snelheid, en/of-gekomen ter hoogte van of kort na een kruising van die weg met de RechteHeitraksedijk, ter plaatse waar de weg een gezien zijn, verdachtes, rijrichting flauwebocht naar rechts maakt,het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle te houdenen/of (vervolgens)met dat door hem bestuurde motorrijtuig in een slip te raken en/of (vervolgens)tegen drie, althans een of meer, in de gezien zijn, verdachtes, rijrichtingrechterberm staande bo(o)m(en) te rijden en/of te glijden en/of te slippen en/of tebotsen,waardoor twee inzittenden (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] )werden gedood, en/of waardoor een inzittende (genaamd [slachtoffer 3] )zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheur in de lever, of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening vande normale bezigheden is ontstaanterwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste,tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na hetfeit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,zevende of negende lid van genoemde wet
( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Liessel, gemeente Deurne als bestuurder vaneen voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Heitrak,-terwijl het wegdek op dat moment nat, althans vochtig was, en/of-terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 80 km per uur was,-heeft gereden met een snelheid van ongeveer 120 km per uur, althans met een geletop de situatie en/of omstandigheden ter plaats, (veel) te hoge snelheid, en/of-gekomen ter hoogte van een kruising van die weg met de rechte Heitraksedijk, terplaatse waar de weg een gezien zijn, verdachtes, rijrichting flauwe bocht naar rechtsmaakt, het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeftgehouden en/of (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig in een slip isgeraakt en/of (vervolgens) tegen twee, althans een, in de gezien zijn, verdachtes,rijrichting rechterberm staande bo(m)en is gereden en/of gegleden en/of geslipten/of gebotst,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
Feit 2:hij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Liessel, gemeente Deurne als bestuurder vaneen motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruikvan alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek,als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,0,27 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloedbleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereisten nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor deeerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nogniet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B isafgegeven;
( art 8 lid 3 ahf/sub b onder 2° Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 3 ahf/sub b onder 3°Wegenverkeerswet 1994 )

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich, conform het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Door de schuld van verdachte is een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor twee slachtoffers zijn overleden en waardoor één slachtoffer een gescheurde lever heeft opgelopen. Het letsel van het laatstgenoemde slachtoffer moet gekwalificeerd worden als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het laatstgenoemde slachtoffer kan echter niet bewezen worden wegens het ontbreken van nadere informatie met betrekking tot het letsel en het herstel hiervan. Onder verwijzing naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan alsmede de omstandigheden van het geval, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de mate van schuld als
zeer onvoorzichtig en onoplettendgekwalificeerd kan worden. Van de hoogste schuldgradatie, roekeloosheid, is geen sprake. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft de verdediging, conform de pleitnota, het navolgende bepleit. Het staat niet ter discussie dat verdachte schuld heeft aan het ongeval. Verdachte was de bestuurder van de auto. Hij heeft de maximumsnelheid met 20 km/u overschreden aangezien hij gemiddeld 100 km/u reed, terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 80 km/u was toegestaan. Dat verdachte 120 km/u heeft gereden, kan echter niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte wordt aangemerkt als beginnend bestuurder. Voorafgaand aan het rijden had verdachte anderhalf blikje bier gedronken en bloedonderzoek heeft uitgewezen dat het alcoholgehalte bij verdachte 0,27 milligram bedroeg. Hiermee was het alcoholpercentage net iets hoger dan de wettelijk toegestane 0,2 milligram voor beginnend bestuurders. Ten aanzien van de vraag of de combinatie van deze omstandigheden en gedragingen van verdachte als zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend gekwalificeerd kunnen worden, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, is bepleit dat dit in ieder geval niet als roekeloosheid gekwalificeerd kan worden, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Voorts refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring aangaande het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval. Tot slot heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit en aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het oordeel van de rechtbank.
T.a.v. feit 1:
Aan verdachte is - kort gezegd - primair ten laste gelegd dat hij zich op 29 oktober 2023, als verkeersdeelnemer met zijn personenauto op de Heitrak in Liessel zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval is de door verdachte bestuurde auto tegen een drietal bomen gebotst. Door dit ongeval zijn twee personen om het leven gekomen en is aan een ander persoon zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het primair ten laste gelegde is strafbaar gesteld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: artikel 6 WVW).
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van het misdrijf op grond van artikel 6 WVW moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood en/of zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van (strafrechtelijke) schuld.
Het gaat om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel of het rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een gemiddeld persoon, in dezelfde hoedanigheid (bestuurder van een motorvoertuig), onder vergelijkbare omstandigheden, wordt geëist.
Voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW moet ten minste sprake zijn van onvoorzichtig verkeersgedrag. Hiervan is sprake indien een gedraging is verricht, terwijl de nadelige gevolgen hiervan voorzienbaar waren. Daarnaast moet de verdachte ook verwijtbaar gehandeld hebben. Dat houdt in dat de onvoorzichtige gedraging vermijdbaar moet zijn geweest en dat verdachte redelijkerwijs anders moet hebben kunnen handelen.
Van roekeloosheid - de zwaarste vorm van schuld - als bedoeld in artikel 6 WVW is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
Of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, en zo ja, in welke gradatie, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Het verkeersongeval
Bij de beoordeling van de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, en zo ja, in welke gradatie, neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.
Op 29 oktober 2023 was verdachte samen met zijn vriendin, [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), zijn goede vriend [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] , door vrienden ook wel “ [alias slachtoffer 2] ” genoemd (hierna: [slachtoffer 2] ), en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) bij de visvijver in Meijel, alwaar zij in de auto wat hebben zitten chillen. Op enig moment ontstond het idee om iets te gaan eten in Liessel.
Verdachte nam als bestuurder plaats achter het stuur van zijn auto, een witte Volkswagen Scirocco. [slachtoffer 3] nam plaats naast verdachte, op de bijrijdersstoel. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] namen plaats op de achterbank. [betrokkene] reed in zijn eigen auto achter hen aan. Verdachte reed met zijn voertuig van Meijel, via Neerkant, naar Liessel. Zij reden over de weg Heitrak in Liessel. Toen zij ongeveer 20 minuten onderweg waren en in een flauwe bocht naar rechts reden, is het voertuig van verdachte in een slip geraakt. Verdachte raakte de controle over het hem bestuurde voertuig kwijt en botste het voertuig achtereenvolgens tegen drie bomen die zich langs rechterzijde van de weg bevonden, waarna het voertuig tot stilstand is gekomen.
Omstreeks 16:50 uur werden de hulpdiensten gealarmeerd. Verdachte en [slachtoffer 3] raakten door het ongeval gewond, maar waren wel aanspreekbaar. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren er slecht aan toe en werden met spoed naar het ziekenhuis gebracht. De hulp die geboden werd, mocht niet meer baten. [slachtoffer 1] overleed dezelfde avond en [slachtoffer 2] op 7 november 2023.
Verkeersfouten
Ten laste is gelegd dat verdachte 120 km/u heeft gereden, alwaar 80 km/u was toegestaan. De rechtbank overweegt dat de door het NFI berekende snelheid van 120 km/u gemeten is op een locatie die meer dan 500 meter verwijderd is van de plaats van het ongeval. Gelet op deze afstand, is de rechtbank van oordeel dat op grond van dit rapport niet geconcludeerd kan worden dat verdachte ten tijde van het ongeval met een snelheid van 120 km/u heeft gereden. Nu verdachte dit ook ontkent en zich geen andere bewijsmiddelen in het dossier bevinden waar deze snelheid uit blijkt, is de rechtbank van oordeel dat deze snelheid niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. .
De betreffende weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden, de Heitrak in Liessel, is een lange rechte weg met twee bochten. De weg is smal en aan weerszijden staan bomen. Daarnaast was het wegdek op dat moment nat. Ter plaatse geldt een maximum snelheid van 80 km/u. Verdachte heeft verklaard dat hij ter plaatse bekend was en op de hoogte was van de ter plaatse geldende snelheidslimiet. Hij heeft ook gezien dat het wegdek nat was. Daarnaast verklaarde hij dat hij over de gehele weg met ongeveer 100 km/u heeft gereden, ook bij de bochten. Dat verdachte ten tijde van het ongeval gemiddeld 100 km/u reed wordt onder meer bevestigd door [betrokkene] , die vlak achter hem reed. Dat verdachte veel te hard door de bocht reed, in het bijzonder veel te hard reed voor de situatie ter plaatse, wordt bovendien bevestigd door de verklaring van getuige [getuige] . Zij heeft verklaard dat verdachte haar vanuit tegengestelde richting tegemoet reed. Verdachte reed met hoge snelheid door de bocht en haalde de bocht niet. Het voertuig van verdachte reed met de linker wielen en een deel van het voertuig op haar weghelft. Zij zag dat verdachte het voertuig niet onder controle had. Als verdachte niet had bijgestuurd, was hij frontaal op de auto van getuige [getuige] en haar gezin ingereden, met alle gevolgen van dien. De getuige geeft aan dat de auto hen als het ware voorbij vloog. Daar komt bij dat op het moment dat verdachte met zijn voertuig over de weg Heitrak in Liessel reed, het wegdek nat was. Verdachte heeft verklaard dat hij dat ook had waargenomen. Naar zijn idee regende het ten tijde van het ongeval, lagen er plassen op de rijbaan en aan de zijkant van de weg en was er sprake van spoorvorming. Ondanks de situatie en (weers)omstandigheden ter plaatse, heeft verdachte nagelaten zijn snelheid aan te passen, terwijl dat naar het oordeel van de rechtbank wel van de bestuurder vereist werd. Ook gelet op deze situatie en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met een veel te hoge snelheid heeft gereden.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat verdachte niet alleen veel harder reed dan ter plaatse was toegestaan, maar ook veel te snel heeft gereden voor de (weers- en verkeerssituatie en omstandigheden ter plaatse terwijl dat naar het oordeel van de rechtbank wel van de bestuurder vereist werd. De rechtbank acht dit ernstige verkeersfouten.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat verdachte in zijn auto reed met drie passagiers. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het toegenomen gewicht van de auto de remweg langer wordt en de auto moeilijker te corrigeren is.
Door de feiten en omstandigheden zoals hiervoor genoemd, heeft verdachte zijn voertuig niet onder controle gehouden, waardoor het voertuig is gaan slippen en tegen drie bomen is gebotst. De rechtbank is van oordeel dat hij de verantwoordelijkheid die hij droeg voor de veiligheid van zijn medepassagiers (en mede weggebruikers) heeft veronachtzaamd.
Ten aanzien van de verkeersfouten, overweegt de rechtbank tot slot als volgt. Verdachte was op de dag van het ongeval 20 jaar oud en was ruim een jaar in het bezit van een rijbewijs. Gelet op het voorgaande wordt verdachte als beginnend bestuurder aangemerkt.
Het is een feit van algemene bekendheid dat men niet als bestuurder achter het stuur moet kruipen na het gebruik van alcohol in verband met de negatieve werking hiervan op de rijvaardigheid. Door het gebruik van alcohol is een bestuurder minder goed in staat te anticiperen op onverwachte gebeurtenissen en ook is de reactiesnelheid vertraagd. In de wet zijn daarom grenswaarden vastgesteld voor het gebruik van alcohol in het verkeer. Waar voor een ‘gewone’ bestuurder een maximum alcoholpercentage van 0,5 milligram per milliliter bloed geldt, is dat voor een beginnend bestuurder 0,2 milligram per milliliter bloed. Verdachte had die middag naar eigen zeggen rond 13:00 uur een heel blikje bier gedronken en rond 15:00 uur nog een half blikje bier. Uit bloedonderzoek is gebleken dat het alcoholpercentage in het bloed van verdachte op dat moment 0,27 milligram bedroeg. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft gereden onder invloed van meer alcohol dan wettelijk was toegestaan.
Dat verdachte met (teveel) alcohol op is gaan rijden, terwijl hij bekend was met de nadelige gevolgen hiervan, is naar het oordeel van de rechtbank een ernstige verkeersfout.
Ondanks het voorgaande is de rechtbank evenwel van oordeel dat de (geringe) overschrijding van het alcoholpercentage niet aantoonbaar substantieel heeft bijgedragen aan het veroorzaken van het ongeluk. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het zwaartepunt van de verkeersfouten waardoor het ongeluk is ontstaan, bij de gereden snelheid en de omstandigheden ter plaatse, zoals hiervoor beschreven.
Schuldgradatie
De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat het door verdachte vertoonde gedrag substantieel afwijkt van het gedrag dat van verkeersdeelnemers in het algemeen wordt vereist en mag worden verwacht en dat sprake is van meerdere verkeersfouten. Verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan.
De rechtbank oordeelt dat het handelen van verdachte schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte heeft door te handelen zoals hierboven uiteengezet onaanvaardbare risico’s op ernstige gevolgen in het leven geroepen, die zich ook hebben verwezenlijkt. Anders dan de officier van justitie, kwalificeert de rechtbank de mate van schuld - onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden - niet als zeer onvoorzichtig en onoplettend, maar als
zeer onvoorzichtig.
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradatie van
roekeloosheid.
Dubbele causaliteit
Op grond van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat sprake is van een causaal verband tussen de verweten gedragingen en het verkeersongeval en tussen het verkeersongeval en de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] alsmede het letsel van [slachtoffer 3] . Hiermee is voldaan aan het vereiste van dubbele causaliteit.
Letsel [slachtoffer 3] .
Volgens vaste jurisprudentie wordt als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt: elk lichamelijk nadeel dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. [slachtoffer 3] heeft door het ongeval een gescheurde lever opgelopen. Zij heeft vijf dagen in het ziekenhuis gelegen, waarvan twee dagen op de Intensive Care afdeling. Hoewel stukken in het dossier met betrekking tot het medisch ingrijpen en herstel ontbreken, is de rechtbank van oordeel dat voornoemd letsel gelet op de aard en ernst hiervan, naar normaal spraakgebruik gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Op grond van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij twee anderen zijn gedood en waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Dit terwijl hij onder invloed was van alcohol en het alcoholgehalte in zijn bloed hoger was dan was toegestaan voor een beginnend bestuurder en terwijl het feit is veroorzaakt doordat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden. De rechtbank merkt het rijgedrag van verdachte aan als zeer onvoorzichtig, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
T.a.v. feit 2
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.
Eendaadse samenloop
Ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten overweegt de rechtbank dat deze feiten op dezelfde tijd en plaats hebben plaatsgevonden en zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Feit 1, primair:
op 29 oktober 2023 te Liessel, gemeente Deurne, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,daarmede rijdende over de weg, Heitrak, zich zodanig heeft gedragen dat een aanzijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig,-terwijl hij (als beginnend bestuurder) onder invloed van alcoholhoudende drankverkeerde, en-terwijl het wegdek op dat moment nat was, en-terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 80 km per uur was,-gelet op de situatie en omstandigheden ter plaatse, met een veel te hoge snelheid, en-gekomen ter hoogte van of kort na een kruising van die weg met de RechteHeitraksedijk, ter plaatse waar de weg een gezien zijn, verdachtes, rijrichting flauwebocht naar rechts maakt,het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle te houdenen vervolgens met dat door hem bestuurde motorrijtuig in een slip te raken en vervolgenstegen drie, in de gezien zijn, verdachtes, rijrichting rechterberm staande bomen te rijden en/of te glijden en/of te slippen en te botsen,waardoor twee inzittenden (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] )werden gedood, en waardoor een inzittende (genaamd [slachtoffer 3] )zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheur in de lever werd toegebracht,terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
T.a.v. feit 2:op 29 oktober 2023 te Liessel, gemeente Deurne als bestuurder vaneen motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruikvan alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek,als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,0,27 milligram alcohol per milliliter bloedbleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereistennog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor deeerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nogniet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B isafgegeven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
In afwijking van het advies van de reclassering van 17 november 2025 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen toepassing gegeven moet worden aan het adolescentenstrafrecht, maar aan het volwassenenstrafrecht. Toch is de jeugdreclassering betrokken bij de strafeis, omdat uit de rapportage van de reclassering volgt dat de jeugdreclassering beter aansluit op het leervermogen van verdachte en verdachte hierdoor beter begeleid kan worden op zijn niveau. Hoewel oplegging van een gevangenisstraf blijkens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie onder de gegeven omstandigheden aangewezen is, stelt de officier van justitie dat dit in de onderhavig zaak niet passend is. Hierbij is gewezen op de jonge leeftijd van verdachte, de schuld die hij moet dragen en de (persoonlijke) omstandigheden zoals genoemd in de rapportage van de reclassering. Omdat er wel een straf moet volgen, voorkomen moet worden dat dit soort gedrag - zeker met deze gevolgen - nogmaals voorkomt en verdachte hulp moet krijgen bij de verwerking van het ongeval, vordert de officier van justitie dat aan verdachte wordt opgelegd de maximale taakstraf van 240 uur (bij niet voldoen te vervangen door 120 dagen hechtenis) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering in de rapportage van 17 november 2025, te weten: begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering en ambulante behandeling. Daarnaast moet aan verdachte opgelegd worden een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Door de verdediging is verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals beschreven in voornoemd advies van de reclassering en zoals besproken ter terechtzitting. Verdachte is zelf ook getroffen door de gevolgen van zijn gedragingen. Het heeft niet alleen lichamelijke gevolgen (gebroken ribben, een klaplong en gebroken neus) voor hem gehad, maar het heeft hem vooral ook mentaal zwaar getekend. Hij heeft psychische hulp gezocht en wordt nog steeds dagelijks geconfronteerd met verdriet en gevoelens van schuld. Onder verwijzing naar voornoemd reclasseringsadvies, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat toepassing gegeven moet worden aan het adolescentenstrafrecht. Dat biedt ruimte voor een sanctie die niet alleen recht doet aan de ernst van de feiten, maar ook aan de persoonlijke omstandigheden, de begeleidbaarheid en toekomst van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en ernst van de strafbare feiten
De destijds 20-jarige verdachte heeft zich op 29 oktober 2023 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Door zijn zeer onvoorzichtige rijgedrag heeft verdachte een verkeersongeluk veroorzaakt waarbij twee jonge mensen om het leven zijn gekomen en waarbij een ander persoon zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Verdachte heeft op de weg Heitrak in Liessel zo hard gereden, dat hij met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur met zijn auto tegen drie bomen is aangereden. Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die zich op de achterbank van het voertuig bevonden, zijn door dit ongeval om het leven gekomen. Zijn vriendin [slachtoffer 3] , die naast verdachte op de bijrijdersstoel zat, heeft hierdoor een gescheurde lever opgelopen, waarvoor zij vijf dagen in het ziekenhuis heeft gelegen. Daarnaast heeft verdachte gereden onder invloed van een (geringe) overschrijding van het maximum alcoholpercentage.
Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk. De rechtbank overweegt dat op verkeersdeelnemers een zorgplicht rust en dat de verdachte hierin ernstig tekort geschoten is. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn passagiers en ook ten opzichte van de medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.
Nabestaanden
Verdachte heeft diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van de twee overleden slachtoffers. De impact van het fatale ongeval is zeer groot. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn door het gedrag van verdachte plotseling uit het leven weggerukt. Zij worden als zoon, als broer, als familie en als vriend enorm gemist. Ter zitting heeft de zus van [slachtoffer 1] vertelt wie hij was. Zij heeft op invoelbare wijze verwoord wat het verlies van [slachtoffer 1] voor haar en anderen betekent en uiting gegeven aan haar intense verdriet.
De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van de slachtoffers, de gezinsleden van de slachtoffers en de overige familieleden en vrienden, ongedaan kan maken. Uit een oogpunt van vergelding is voor dergelijke feiten iedere straf te licht. Maar vergelding kent in een rechtsstaat haar grenzen. Die grenzen worden mede bepaald door andere omstandigheden waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de bepaling van de hoogte van de straf. Zo spelen de persoonlijke omstandigheden van verdachte een rol. Daarnaast dient niet uit het oog te worden verloren dat ook verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag voor anderen niet heeft gewild en deze ten zeerste betreurt. Verdachte heeft door zijn handelen twee vrienden verloren. Een daarvan, [slachtoffer 1] , was een zeer dierbare jeugdvriend.
Persoon van de verdachte
Verdachte was ten tijde van het ongeval 20 jaar oud en was pas ruim een jaar in het bezit van een rijbewijs. Ter terechtzitting kwam verdachte terughoudend over, waren zijn emoties niet duidelijk zichtbaar en kwamen zijn woordkeuzes soms ongelukkig over. Naarmate de zitting vorderde, kwam duidelijker naar voren dat dit alles, zoals ook de reclassering vermeldde in de over verdachte uitgebrachte adviesrapportage van de reclassering van 17 november 2025, (onder meer) verband houdt met een lichte vorm van autisme en een licht verstandelijke beperking. Voorts is ter zitting gebleken dat verdachte oprecht veel spijt heeft van het door zijn handelwijze ontstane ongeval en dat hij gebukt gaat onder de onomkeerbare gevolgen daarvan, waar hij in gedachten dagelijks mee geconfronteerd wordt en de rest van zijn leven mee zal moeten leren leven.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van voornoemde adviesrapportage van de reclassering van 17 november 2025. Hieruit volgt onder meer het navolgende:
“Gezien de leeftijd van betrokkene is in het kader van het adolescentenstrafrecht overwogen in hoeverre het jeugd- of volwassenstrafrecht van toepassing is. Het staven van de casus aan de door Van Montfoort ontwikkelde specifieke richtlijnen wijst het volgende uit:
De vragen omtrent de justitiële voorgeschiedenis, criminele levensstijl, psychopathische trekken en pedagogische (on)mogelijkheden leveren geen contra-indicatie op ten aanzien van het jeugdstrafrecht.
Op basis van het ASR-wegingskader blijkt dat er geconcludeerd kan worden dat betrokkene beschikt over beperkte handelingsvaardigheden, daar hij (tussen de keuze niet/enigszins/sterk) ‘enigszins’ scoort op intellectuele beperkingen en gebrekkige plannings- en organisatievaardigheden. Hij scoort ‘sterk’ op het slecht kunnen inschatten van risico's van eigen handelen en kinderlijker gedrag. Hij scoorde ‘niet’ op impulsiviteit. Dit duidt op het toepassen van jeugdstrafrecht.
Op het cluster pedagogische mogelijkheden, scoort hij ‘sterk’ op deelname gezin, de ontvankelijkheid/vatbaarheid voor een pedagogische of opvoedkundige aanpak en de noodzaak van gezinsgerichte behandeling. Hij scoort ‘enigszins’ op impulsiviteit en het volgen van een interventie die alleen beschikbaar zou zijn bij jeugdstrafrecht. Hij scoorde ‘niet’ op het belang van continuering van de schoolgang en op de noodzakelijkheid voor het leven in een groepsklimaat.
Dit cluster duidt ook op een toepassing van het jeugdstrafrecht.
Samengevat kunnen we constateren dat er zowel op handelingsvaardigheden en pedagogische mogelijkheden voldoende score is voor een toepassing van jeugdstrafrecht.”
Naar aanleiding van deze bevindingen, adviseert de Reclassering het adolescentenstrafrecht toe te passen. Bij het adolescentenstrafrecht gelden andere, veelal lagere richtlijnen voor straftoemeting. Bij de strafoplegging wordt meegewogen wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jong volwassene. Er wordt meer dan bij volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank deelt de geformuleerde bevindingen en conclusie van de Reclassering en zal conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het adolescentenstrafrecht toepassen, nu zij daartoe grond vindt in de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van verdachte ten tijde van het ongeval alsmede de persoonlijkheid en huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter terechtzitting is gebleken.
Hoewel uit de justitiële documentatie van 3 november 2025 volgt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten, geeft het reclasseringsadvies blijk van een aantal zorgwekkende opvallendheden. De reclassering wijst hierbij op het drugs- en alcoholgebruik van verdachte en op het gegeven dat verdachte vaker te hard rijdt en hierbij wel eens risico’s neemt. Verdachte is meerdere keren betrokken geweest bij ongevallen met auto, scooter of crossmotor, onder meer door eigen onoplettendheid. Zo zou verdachte vorig jaar opnieuw betrokken zijn geweest bij een verkeersongeval, omdat hij geen voorrang aan rechts had verleend. Daarnaast is een aantal maanden na het onderhavige dodelijke verkeersongeval, dat onder invloed van alcohol heeft plaatsgevonden, een melding gedaan bij de wijkagent met betrekking tot een incident waarbij verdachte als bestuurder van een auto betrokken is geweest en waarbij verdovende middelen in het spel waren. Hoewel verdachte zichzelf een goede en veilige chauffeur vindt, is uit het contact met de wijkagent gebleken dat verdachte soms opvallend, met een antisociale rijstijl, door het dorp rijdt. De wijkagent begrijpt niet dat verdachte zijn rijstijl niet heeft aangepast sinds het onderhavige ongeval. Ook de rechtbank vindt dit onbegrijpelijk en zorgwekkend. Ook om die reden vindt de rechtbank begeleiding en sturing van de jeugdreclassering nodig.
De reclassering adviseert bij een veroordeling aan verdachte op te leggen de leerstraf So-Cool (verlengd) voor de duur van 50 uur. Deze leerstraf is geschikt voor jongeren (met een IQ tussen 50 en 85) met tekorten in de sociale probleemoplossingsvaardigheden.
Verdachte wordt bovendien in staat geacht een werkstraf te verrichten. Daarnaast wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen waaraan de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: begeleiding door jeugdreclassering en ambulante behandeling. De reclassering ziet een vrijheidsbenemende sanctie als minder passend dan overige strafmodaliteiten.
Redelijke termijn
Elke verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Deze op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is in deze zaak gestart op 7 november 2023, de dag dat verdachte door de politie als verdachte is verhoord. Gerekend vanaf deze datum zijn er 25 maanden en twee weken verstreken, terwijl het uitgangspunt is dat iedere verdachte in beginsel recht heeft op afdoening van zijn zaak binnen een termijn van twee jaar. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn met zes weken is overschreden. Wel zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met het tijdsverloop sinds het begaan van de feiten.
Eendaadse samenloop
De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met het bepaalde in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, omdat ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop.
De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit
Gelet op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten is voor volwassenen in beginsel een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld. Bij zeer onvoorzichtig rijgedrag met de dood van een persoon tot gevolg, waarbij sprake is geweest van alcoholgebruik tot 570 μg/l, is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar. Nu de rechtbank het adolescentenstrafrecht zal toepassen, ziet de rechtbank reden af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten.
De rechtbank zal bovendien een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf gelet op onder meer de omstandigheid dat de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie niet bewezen acht dat verdachte 120 km/u heeft gereden waar een maximum snelheid van 80 km/u was toegestaan en ook omdat de rechtbank het adolescentenstrafrecht toepast. De rechtbank is van oordeel dat de straffen die de rechtbank zal opleggen passend en geboden zijn en de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengen.
Conclusie
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten So-Cool zoals geadviseerd door de reclassering, voor de duur van 50 uur en beveelt, voor het geval dat verdachte de leerstraf niet of niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen. Verder zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van 120 uren opleggen, bij niet of niet naar behoren voldoen te vervangen door 60 dagen jeugddetentie. Daarnaast zal aan verdachte worden opgelegd een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal hier de voorwaarden aan verbinden zoals geformuleerd door de reclassering in het advies van 17 november 2025, te weten: toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en ambulante behandeling. De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf enerzijds op om de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen te gaan. Ook legt de rechtbank deze straf op om verdachte de hulp en begeleiding te bieden die hij nodig heeft bij de verwerking van het ongeval. De rechtbank ziet geen aanleiding een langere proeftijd op te leggen dan twee jaar. Tot slot zal de rechtbank aan verdachte opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
55, 77aa, 77c, 77i, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht
6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart
het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezenzoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1, primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor anderen worden gedood, en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van deze wet, en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden
T.a.v. feit 2:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 (0,27 milligram)

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn in eendaadse samenloop gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

een leerstraf,zijnde het volgen van een
leerproject, te weten So-Cool (verlengd), voor de duur van 50 uuren beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de leerstraf niet of niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

een werkstraf voor de duur van 120 urenen beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Algemene voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
1) Begeleiding door jeugdreclassering
Veroordeelde werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt.
2) Ambulante behandeling
Indien door de jeugdreclassering geïndiceerd, zal veroordeelde zich laten behandelen door een GGZ-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering.
De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Opdracht toezicht
Geeft aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
 Een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. M.J.C. van der Vegte en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,
en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.