ECLI:NL:RBOBR:2025:8313

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
01/040938-23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in zedenzaken wegens onvoldoende bewijs

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van verkrachting. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten, omdat er onvoldoende bewijs was om tot een bewezenverklaring te komen. De zaak was aanhangig gemaakt bij dagvaarding op 29 oktober 2025, en de zitting vond plaats op 5 december 2025. De rechtbank heeft de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer, die meermalen had verklaard dat de verdachte haar had verkracht, beoordeeld op hun betrouwbaarheid. Hoewel de rechtbank de verklaringen als betrouwbaar beschouwde, was er geen voldoende steunbewijs aanwezig om de beschuldigingen te onderbouwen. De getuigenverklaringen en medische gegevens konden niet als steunbewijs dienen, omdat ze niet bevestigden dat de verdachte daadwerkelijk de seksuele handelingen had verricht zoals ten laste gelegd. De rechtbank concludeerde dat de beschuldiging niet bewezen kon worden en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding, waarbij de proceskosten voor beide partijen werden vastgesteld. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, bestaande uit drie rechters, en is openbaar gemaakt op 19 december 2025.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.040938.23
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: penitentiaire inrichting Arnhem.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 oktober 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 april 1993 tot en met 31 oktober 2000 te Oss en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte telkens zijn penis en/of (een) voorwerp(en), te weten een fles en/of een kaars en/of een komkommer en/of een vibrator en/of een dildo, in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte haar sloeg als ze niet deed wat hij wilde en/of daarmee dreigde en/of de handen van die [slachtoffer] vastmaakte met handboeien en/of voorbij ging aan tekenen van verzet van die [slachtoffer] en/of (aldus) telkens voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van de tenlastelegging.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte integraal vrij te spreken vanwege – kort gezegd – het ontbreken van steunbewijs.
Het oordeel van de rechtbank.
Juridisch kader.
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, zoals in dit geval, leidt dat er in veel gevallen toe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het is voor een bewezenverklaring noodzakelijk dat er ook ander bewijs is, waaruit kan worden opgemaakt dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het niet nodig is dat in dit type zaken de seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig bevestiging vinden in het andere bewijs. Het is voldoende dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen.
Het bewijsminimum mag niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster.
Op 1 maart 2022 heeft een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [slachtoffer] (hierna: aangeefster). Vervolgens heeft zij op 21 maart 2022 aangifte gedaan en is aangeefster op 28 december 2022 aanvullend gehoord. Zij heeft onder meer verklaard dat verdachte haar tijdens hun relatie meermalen heeft verkracht door zijn penis dan wel voorwerpen in haar vagina te brengen, terwijl zij dit niet wilde. De rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van aangeefster als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt om als uitgangspunt te kunnen dienen.
Bij de beoordeling daarvan wordt gekeken of de verklaringen onder meer concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat elke aangifte van een zedenmisdrijf telkens heel concreet, gedetailleerd en consistent dient te zijn. Onder meer tijdsverloop kan een reden zijn waarom dat niet telkens het geval is. De beoordeling daarvan vindt plaats met het in acht nemen van alle omstandigheden van het geval in een specifieke zaak.
Kijkend naar de aangifte en het aanvullend verhoor van aangeefster overweegt de rechtbank in dit geval dat aangeefster concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent heeft verklaard. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en tot uitgangspunt kunnen dienen in deze zaak. De rechtbank weegt hierbij mee dat de rechtbank ook naar aanleiding van de terechtzitting, waarop aangeefster gebruik heeft gemaakt van haar spreekrecht, geen reden heeft om te twijfelen aan de authenticiteit van haar verklaringen. De officier en de verdediging hebben de betrouwbaarheid van die verklaringen ook niet ter discussie gesteld.
Steunbewijs.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beoordelen is of er ook sprake is van voldoende steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
Het dossier bevat diverse getuigenverklaringen, maar geen van deze getuigen heeft uit eigen waarneming verklaard dat aangeefster onder dwang, geweld of dreiging met geweld seksuele handelingen door verdachte moest ondergaan.
Enkel getuige [getuige] heeft zelf waargenomen dat aangeefster tegen haar wil, omdat “het gewoon moest” van verdachte, een dildo bij zichzelf moest inbrengen. De rechtbank overweegt dat aan verdachte echter enkel ten laste is gelegd dat verdachte zelf, dan wel met een voorwerp seksueel bij aangeefster is binnengedrongen, en niet dat aangeefster zelf die handelingen heeft moeten verrichten. Ook als verdachte haar hiertoe gedwongen heeft kan het dus niet tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze getuigenverklaring daarom niet als steunbewijs worden gebruikt.
Voorts overweegt de rechtbank dat de getuigen ook niet verklaren over de emotionele gemoedstoestand of verandering daarin bij aangeefster (kort) na de ten laste gelegde feiten. Ook om die reden kunnen de getuigenverklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet gelden als steunbewijs.
Voorts bevinden er zich in het dossier medische gegevens en gespreksverslagen met de psycholoog en de huisarts. De rechtbank overweegt ten aanzien van de gespreksverslagen dat de informatie te herleiden is naar één bron, namelijk aangeefster. Ook dit kan niet bijdragen als steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Ten aanzien van de medische gegevens kan de rechtbank niet vaststellen dat het genoemde letsel is ontstaan door het (seksuele) handelen van verdachte. Het letsel is niet typerend voor seksueel geweld en andere oorzaken zijn geenszins uit te sluiten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen daarom ook deze gegevens de verklaringen van aangeefster niet ondersteunen.
Conclusie.
Bij de beoordeling of er sprake is van voldoende steunbewijs, is de rechtbank gebonden aan het juridisch kader en aan de wijze van ten laste leggen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is om de verklaringen van aangeefster te kunnen ondersteunen, dat verdachte met zijn penis of door het gebruik van voorwerpen seksueel bij aangeefster is binnengedrongen, waarbij gebruik is gemaakt van dwang, geweld of dreiging met geweld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beschuldiging zoals ten laste gelegd niet bewezen kan worden en zal verdachte vrijspreken.

De vordering van de benadeelde partij.

Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.
De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het aan verdachte ten laste gelegde niet bewezen en
spreekt hem daarvan vrij;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.F.A.M. de Graauw, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 19 december 2025.