ECLI:NL:RBOBR:2025:8248

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
24/3817 en 24/2322
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor huisvesting van arbeidsmigranten en handhaving last onder dwangsom

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in twee zaken betreffende de weigering van een omgevingsvergunning voor de huisvesting van 15 arbeidsmigranten en de handhaving van een last onder dwangsom. Eiseres had een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor het huisvesten van arbeidsmigranten in een bestaand bedrijfsgebouw in de gemeente Heusden. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag afgewezen op 20 februari 2024, met als argument dat de aanvraag in strijd was met de goede ruimtelijke ordening. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het college heeft de afwijzing in stand gehouden. Daarnaast was er een last onder dwangsom opgelegd voor het gebruik van het pand voor de huisvesting van arbeidsmigranten, die ook in stand bleef. De rechtbank heeft de beroepen van eiseres ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het college op goede gronden had besloten dat de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd was met de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft daarbij de relevante wetgeving, waaronder de Omgevingswet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in haar beoordeling betrokken. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een omgevingsvergunning van rechtswege en dat de handhaving van de last onder dwangsom gerechtvaardigd was. Eiseres kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/3817
SHE 24/2322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaken tussen

SHE 24/3817:[eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. R. Stiekema),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, het college,
(gemachtigde: A.C.A. de Bruin).

SHE 24/2322:

[eiseres]uit [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. R. Stiekema),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, het college,
(gemachtigden: A.H. Kortekaas en mr. I. Lukkien).
Als derde partij hebben in beide zaken aan het geding deelgenomen:
-
[naam 1]en
[naam 1]( [adres] ),
-
[naam 1]en
[naam 1]( [adres] ),
-
[naam 1]en
[naam 1]( [adres] ),
allen wonende te [woonplaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het tijdelijk (vijf jaar) huisvesten van maximaal 15 arbeidsmigranten in een bestaand bedrijfsgebouw op het perceel [adres] in [vestigingsplaats] . Dit beroep is geregistreerd onder SHE 24/3817.
1.1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.2
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank tevens het beroep van eiseres tegen de bij besluit van 19 december 2023 opgelegde last onder dwangsom voor het gebruik van het bedrijfsgebouw [adres] te [vestigingsplaats] voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit beroep is geregistreerd onder SHE 24/2322.
1.2.1.
Bij mail van 5 februari 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de last verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.2.2.
Met het bestreden besluit van 17 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het opleggen van de last gebleven. De begunstigingstermijn is zes weken na verzending van het besluit op bezwaar tegen de last onder dwangsom gebleven en is niet verder verlengd.
1.3.
Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
1.3.1.
Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 april 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres bij [naam 1] , de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, [naam 1] , [naam 1] en [naam 1] (derde partij).
1.5.
Op 7 april 2025 heeft het college -naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank ter zitting- nadere stukken aan de rechtbank en de andere partijen toegezonden. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt zowel de weigering van het college om aan eiseres een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen als de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wettelijk regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Inwerkingtreding Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: IwOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de IwOw het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, hierop van toepassing blijft.
4.1.
Als vóór 1 januari 2024 een overtreding heeft plaatsgevonden én een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de IwOw op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Nu de last is opgelegd bij besluit van 19 december 2023 betekent dit dat het oude recht (Wabo) van toepassing blijft.
Feiten
5. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de beroepen uit van de volgende feiten.
- Bij brief van 16 december 2019 is door het college, naar aanleiding van een principeverzoek voor het omzetten van de bedrijfsbestemming aan de [adres] / [adres] in [vestigingsplaats] , aangegeven dat de [adres] en [adres] met het vaststellen van een nieuwe bestemming in plaats van de huidige bedrijfsbestemming de bestemming “Gemengd” zal krijgen.
- Op 19 juli 2020 is -vanwege het ontbreken van de aanduiding “bedrijfswoning” op het pand [adres] - een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van dit pand (de voorste bebouwing op het perceel) als bedrijfswoning.
- Op 21 september 2023 heeft eiseres een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit “handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening” en “bouwen” voor het tijdelijk (vijf jaar) huisvesten van maximaal 15 arbeidsmigranten in het pand (hoofdgebouw) aan de [adres] . Het betreft een voormalig kantoorgebouw met plat dak. De activiteit “bouwen” ziet op interne bouwkundige aanpassingen t.b.v. de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Gelet op bijgevoegde plattegrond is sprake van 1 woonkamer, een keuken, 4 douches, 7 slaapkamers (waarvan er 6 geschikt zijn voor maximaal 2 werknemers en 1 slaapkamer voor maximaal 3 werknemers) en een opslagruimte.
- Bij brieven van 28 september 2023 respectievelijk bij brief van 13 oktober 2023 zijn door derde partijen verzoeken om handhaving gedaan terzake illegale bewoning door arbeidsmigranten in de bedrijfsruimte en woning aan de [adres] (bedrijfspand)/ [adres] (bedrijfswoning) te [vestigingsplaats] .
- Bij primair besluit van 19 december 2023 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd voor het gebruik van het bedrijfsgebouw aan de [adres] te [vestigingsplaats] voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Hierbij is een dwangsom opgelegd van € 5.000,- per maand waarbij een deel van de maand wordt gerekend als een maand met een maximum van € 15.000,-. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.
- Bij primair besluit van 20 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning voor de huisvesting van 15 arbeidsmigranten voor de duur van maximaal 5 jaar aan de [adres] in [vestigingsplaats] geweigerd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 22 maart 2024 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit op bezwaar van 17 april 2024 heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Tegen dit besluit is door eiseres beroep ingesteld (SHE 24/2322).
- Bij besluit op bezwaar van 24 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag om een omgevingsvergunning gebleven. Tegen dit besluit is eveneens door eiseres beroep ingesteld (SHE 24/3817).
Weigering omgevingsvergunning (SHE 24/3817):
Omgevingsvergunning van rechtswege
6. De aanvraag is door het college beoordeeld met toepassing van artikel 2.12 lid 1 onder 2° Wabo juncto artikel 4 lid 9 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het pand ligt binnen de bebouwde kom. Dit betekent dat de reguliere procedure voor het nemen van een besluit op de aanvraag van toepassing is.
6.1.
Als voor 1 januari 2024 een aanvraag om een besluit, zoals een omgevingsvergunning op grond van de Wabo, is ingediend blijft daarop het oude recht van toepassing tot de aangevraagde omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Dit wordt geregeld in artikel 4.3 IwOw. Daarbij geldt één uitzondering: artikel 3.9, derde lid, eerste zin, Wabo geldt na inwerkingtreding van de Ow niet meer. Dat betekent dat als de beslistermijn wordt overschreden na inwerkingtreding van de Ow, er niet meer van rechtswege een omgevingsvergunning wordt verleend.
6.2.
Eiseres is van mening dat het college niet meer bevoegd was om op de aanvraag te beslissen omdat een omgevingsvergunning van rechtswege was verleend. Ten tijde van het nemen van het besluit tot weigering op 20 februari 2024 was de termijn voor het nemen van een besluit al verstreken. Weliswaar is op 22 december 2023 door Th. de Kleijn namens het college een brief verzonden waarin de beslistermijn wordt verlengd maar de ondertekening door deze bouwplantoetser is niet rechtsgeldig. Van een rechtsgeldig mandaat is geen sprake. Aldus was alleen het college bevoegd om de beslistermijn op te schorten. Dat is niet gebeurd zodat de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag op 3 januari 2024 ongebruikt is verstreken. Daarmee is een vergunning van rechtswege ontstaan.
Ter zitting heeft eiseres haar standpunt nader aangevuld in die zin dat is gesteld dat ze geen kennis heeft gehad van de stukken (mail van 13 oktober 2023) waaruit blijkt dat door het college de beslistermijn is opgeschort. Tevens ontbreekt de brief van de gemeente aan eiseres waaruit volgt dat de aanvraag compleet is. Dit is van belang voor de vraag of wellicht de beslistermijn voor de brief van 22 december 2023 is verstreken.
6.3.
Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een omgevingsvergunning van rechtswege. Verwezen wordt naar hetgeen de Commissie in haar advies heeft overwogen. Hierin is aangegeven dat het college bij e-mail van 13 oktober 2023 heeft medegedeeld dat de aanvraag onvolledig is en dat wordt verzocht om deze uiterlijk 1 december 2023 aan te vullen. Hiermee is ingevolge artikel 4:15 lid 1 onder a van de Awb de beslistermijn opgeschort. Bij brief van 22 december 2023 heeft de bouw-plantoetser de beslistermijn met 6 weken verlengd. Indien de termijn om op de aanvraag te beslissen niet rechtsgeldig met 6 weken zou zijn verlengd heeft dit niet tot gevolg dat een vergunning van rechtswege is ontstaan. Hoewel de aanvraag is ingediend voor 1 januari 2024 eindigde de reguliere termijn om op de aanvraag te beslissen pas daarna.
Het overschrijden van de reguliere beslistermijn om op de aanvraag te beslissen heeft ingevolge artikel 4.3 IwOw geen omgevingsvergunning van rechtswege tot gevolg.
6.4.
Ter zitting is met partijen afgesproken dat het college nadere stukken, waaronder de mail van 13 oktober 2023 en de brief van het college -waaruit volgt dat de verzochte nadere stukken betreffende de completering van de aanvraag zijn ontvangen- zal doorzenden naar de rechtbank en andere partijen.
6.5.
De rechtbank merkt op dat -hoewel de grond inzake het ontstaan van een vergunning van rechtswege is aangevoerd in de zaak betreffende de last onder dwangsom (SHE 24/2322)- dit ter beoordeling staat bij het beroep tegen de weigering een omgevingsvergunning te verlenen. Nu door de rechtbank is besloten de zaken te voegen bestaan daarvoor geen juridische belemmeringen.
6.5.1.
Ingevolge artikel 4:13, tweede lid van de Awb dient het bestuursorgaan te beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Uit voormeld artikel 4:15, eerste lid, van de Awb volgt dat de verlenging van de termijn ingaat op de dag ná die waarop het bestuursorgaan de uitnodiging verzendt en eindigt op de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
6.5.2.
Ter beoordeling van de rechtbank is allereerst of de bouwplantoetser bevoegd was om bij brief van 13 oktober 2023 respectievelijk 22 december 2023 -met toepassing van de “Mandaatkaderregeling gemeente Heusden 2022”- namens het college de beslissing op de aanvraag op te schorten dan wel te verdagen.
Gelet op het bepaalde in artikel 5 van de Mandaatkaderregeling, wordt een mandaat aan een ambtenaar verleend voor zover deze overeenkomt met zijn functie. Artikel 6 bevat de voorwaarden en het afwegingskader voor het mandaat.
De rechtbank is van oordeel dat het binnen de functieomschrijving van een bouwplantoetser valt om te beslissen over het opschorten en verdagen van een beslistermijn van een aanvraag.
6.5.3.
Op 21 september 2023 heeft het college de aanvraag ontvangen. Dit betekent dat ingevolge artikel 4:13 lid 2 van de Awb de beslistermijn van acht weken een aanvang nam op 22 september 2023 en in beginsel eindigde op 16 november 2023.
Bij e-mail van 13 oktober 2023 heeft de bouwplantoetser namens het college aan eiseres aangegeven dat de aanvraag onvolledig is en dat eiseres wordt verzocht deze uiterlijk 1 december 2023 aan te vullen. Hierin is tevens aangegeven dat de wettelijke beslistermijn wordt opgeschort totdat alle gevraagde stukken zijn ontvangen.
Uit een e-mailwisseling van 17 november 2023 en 20 november 2023 leidt de rechtbank af dat op dat moment (alleen) het milieukundig bodemonderzoek nog ontbrak.
Op 29 november 2023 heeft eiseres bij het college de ontbrekende rapportage van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek ingediend.
6.5.4.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn met ingang van 14 oktober 2023 rechtsgeldig is opgeschort en dat op 29 november 2023 het bodemonderzoek is ontvangen zodat daarmee de voor de aanvraag benodigde stukken zijn ontvangen. Dit betekent dat op die dag (29 november 2023) de resterende beslistermijn van 8 weken (nadat die eerder tussen 22 september en 13 oktober een aanvang had genomen) weer is gaan lopen en dat daarom uiterlijk 2 januari 2024 een beslissing op de aanvraag had dienen te zijn genomen.
6.5.5.
Bij e-mail van 21 december 2023 heeft de bouwplantoetser namens het college aangegeven dat de stukken inhoudelijk zijn beoordeeld, dat er vanuit milieu nog opmerkingen zijn die aangepast moeten worden en dat de beslissing op de aanvraag zal worden verdaagd. Bij brief van 22 december 2023 heeft de bouwplantoetser namens het college aangegeven dat het college heeft besloten om de beslistermijn met 6 weken te verlengen.
6.5.6.
De rechtbank stelt vast dat de bouwplantoetser bij brief van 22 december 2023 en daarmee binnen de beslistermijn van acht weken, de beslistermijn rechtsgeldig heeft verdaagd met zes weken. De beslistermijn eindigde dus zes weken na 2 januari 2024, dus na de inwerkingtreding van de Ow. Gelet op het overgangsrecht in de IwOw is daarom geen omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan. Deze grond slaagt niet.
Omgevingsvergunning voor huisvesting van arbeidsmigranten
7. Vervolgens staat ter beoordeling van de rechtbank of het college op goede gronden een (tijdelijke) omgevingsvergunning voor de huisvesting van maximaal 15 arbeidsmigranten heeft geweigerd.
7.1.
Het pand [adres] -waar het geschil op ziet- is een voormalig bedrijfsgebouw dat een bedrijfsbestemming heeft. [adres] is de bedrijfswoning. Het bedrijfspand met nummer [nummer] bevindt zich achter het pand [adres] en ligt dus niet aan de voorzijde van het perceel. Voor de pand [adres] en [adres] in [vestigingsplaats] gelden de bestemmingsplannen “Parapluplan wonen” en “Vlijmen en Vliedberg herziening 2013”.
Op het perceel rust de enkelbestemming “Bedrijf”. Het pand met nummer 28 heeft geen aanduiding “bedrijfswoning”. Tussen partijen is niet in geschil dat met het laten bewonen van het bedrijfsgebouw aan [adres] door arbeidsmigranten wordt gehandeld in strijd met de bestemmingsplannen.
Bewoning in tweedelijnsbebouwing
7.2.1
Eiseres stelt dat de beleidsregels zoals neergelegd in het “Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2020” al een ruimtelijke afweging zijn en geen ruimte bieden om hier nog andere stedenbouwkundige argumenten aan toe te voegen. De motivering om de vergunning te weigeren, namelijk dat bewoning in tweedelijnsbebouwing niet wenselijk is, betreft een stedenbouwkundige afweging, terwijl het een bestaand gebouw betreft. Als een “herkenbaar stratenpatroon” en “ruimtelijke verrommeling” het doel is dan kan dat slechts worden nagestreefd door regulering van de bebouwing. De vergunningaanvraag heeft betrekking op gebruik, niet op bebouwing.
Daarnaast lijkt het niet toestaan van bewoning in de tweede lijn op voorhand niet consistent. In paragraaf 4 van de beleidsnota is aangegeven dat geconcentreerde huisvesting tot 15 personen kan plaatsvinden in historische dorpsgebieden en bebouwingslinten. Het ligt dan allerminst voor de hand dat dit zal plaatsvinden in gebouwen die direct aan de weg zijn gelegen. De beleidsnota sluit huisvesting in het achterste deel van een hoofdgebouw niet uit, en dat is feitelijk hetzelfde als bewoning in de tweede lijn. Indien huisvesting plaatsvindt op het terrein van een agrarische werkgever dan zal het (ook) gaan om huisvesting in de tweede lijn en die vorm betreft de primaire voorkeur volgens het gemeentelijk beleid. Voorts vermag eiseres niet in te zien dat sprake is van verband tussen tweedelijnsbebouwing en een negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ieder causaal verband tussen veronderstelde overlast en situering ontbreekt.
De stelling dat het niet toestaan van tweedelijnsbebouwing een vaste gedragslijn is kan naar de mening van eiseres niet met feiten worden gestaafd. De verwijzing naar de Omgevingsvisie maakt dit niet anders. De Omgevingsvisie heeft betrekking op de kern van Hedikhuizen en niet op deze situatie waar het gaat om horizontale splitsing.
7.2.2.
In haar reactie op het verweerschrift heeft eiseres aangegeven dat in de directe omgeving ook toegestane tweedelijnsbebouwing aanwezig is in de vorm van een appartementencomplex aan de [adres] . Tevens is van belang dat het college in het verleden heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het realiseren van 10 seniorenappartementen op het perceel [adres] . Hieruit volgt volgens eiseres dat de gemeente geen beleid voert waarin tweedelijnsbebouwing niet is toegestaan.
De gemeente voert juist een beleid waarin tweedelijnsbebouwing wel is toegestaan, zoals de mogelijkheid tot het plaatsen van mantelzorgwoningen in het achtererfgebied.
7.3.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, zowel vanuit stedenbouwkundig oogpunt als vanwege de aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, op grond van strijd met een goede ruimtelijke ordening de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd. Stedenbouwkundige aspecten zijn in het gemeentelijk beleid uit 2020 niet meegenomen.
Het college hanteert als vaste gedragslijn dat tweedelijns bebouwing niet wenselijk is. Deze onwenselijkheid komt ook tot uitdrukking in de Omgevingsvisie die in 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld. In de visie is op pagina 50 aangegeven dat ter voorkoming van tweedelijnsbebouwing horizontale splitsing van bestaande woningen de voorkeur heeft.
Voor de locatie [adres] ligt het bedrijfsgebouw achter op het perceel en is de bedrijfswoning aan de voorzijde van het perceel gesitueerd. Het huisvesten van arbeidsmigranten in een pand in de tweede lijn leidt tot een ruimtelijk ongewenste situatie omdat dit pand niet is georiënteerd op de openbare ruimte en achter de aanwezige bebouwing ligt verscholen. Het pand is minimaal zichtbaar vanaf de openbare weg en een visuele relatie met het openbaar gebied ontbreekt hierdoor. Voorts zal de huisvesting van arbeidsmigranten in deze tweedelijnsbebouwing een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Vanwege het gebruik zal, gezien de ligging van het gebouw en de beschikbare buitenruimte van het pand, sprake zijn woon- en leefgeluiden, die gedurende 24 uur per dag te horen zijn in de direct aangrenzende tuinen en omliggende woningen in de [adres] en de [adres] . Dit is ongewenst.
7.3.2.
Ter zitting heeft het college aangegeven dat met een verleende omgevingsvergunning voor een appartementencomplex aan de Wolput, geen sprake is van bebouwing in de tweede lijn. Weliswaar is voor een drietal appartementen de ingang aan de Achterstraat, maar dit doet er niet aan af dat het complex voornamelijk aan de straatzijde is gelegen. Voorts is verwezen naar een Nota van Zienswijzen inzake het recente bestemmingsplan “Wolput ongenummerd Vlijmen” waaruit ook kan worden afgeleid dat het niet toestaan van tweedelijnsbebouwing de vaste gedragslijn is.
Dat het college toestemming heeft gegeven tot het realiseren van seniorenwoningen ter hoogte van het bedrijfsgebouw van eiseres wordt, onder verwijzing naar een schriftelijke reactie op het principeverzoek, ontkend. Voorts worden aan het toestaan van mantelwoningen in de tweede lijn een aantal voorwaarden gesteld om in elk individueel geval een goed woon- en leefklimaat te kunnen borgen.
Goed woon- en leefklimaat (klachten)
7.4.1.
Eiseres stelt zich tevens op het standpunt dat haar sinds oktober 2023 geen klachten van omwonenden over hinder van arbeidsmigranten meer hebben bereikt. De gemeente stelt dat ze nog wel klachten heeft ontvangen maar heeft erkend deze niet te hebben geverifieerd. Van een negatieve beïnvloeding van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden is daarom geen sprake. Het college had ook, zoals door de Commissie in haar advies aangegeven, voorschriften aan de vergunning kunnen verbinden om overlast te voorkomen.
7.4.2.
Het college stelt zich ten aanzien van de grief inzake overlast op het standpunt dat, al voordat de aanvraag is ontvangen, er op het adres [adres] arbeidsmigranten waren gehuisvest. Van omwonenden zijn sinds 2022 meldingen ontvangen over overlast die varieerde van afval, geluidsoverlast, dronkenschap en een verminderd gevoel van veiligheid voor omwonenden. Het huisvesten van 15 arbeidsmigranten in het pand veroorzaakt overlast die het woon- en leefklimaat van omwonenden nadelig beïnvloedt.
Toetsingskader
7.5.
Artikel 2.12 van de Wabo geeft aan dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien een activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Ter beoordeling van de rechtbank staat of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ze wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot verlening van een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan.
Beoordeling
7.6.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanvraag niet in strijd is met het gemeentelijk beleid dat is neergelegd in de nota “Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2020” (het Beleid) voor zover het huisvestingsinitiatief van eiseres ziet op de mogelijkheid van geconcentreerde huisvesting in een als zodanig aangewezen “historisch dorpsgebied en bebouwingslint”. Ook de Wolput is als zodanig in het beleid aangewezen. Wel is in geschil of aan de beleidsdoelstelling wordt voldaan dat een goed woon- en leefklimaat voor zowel arbeidsmigranten als overige inwoners moet worden gewaarborgd.
De beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat is niet alleen een toetsing aan het Beleid, maar ook onderdeel van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dat verband moet ook de stelling over de tweedelijnsbebouwing worden betrokken.
7.6.2.
Het pand waarop de aanvraag betrekking heeft, ligt achter de bedrijfswoning [adres] De panden [adres] en [adres] zijn niet met elkaar verbonden. Er is geen sprake van een zichtbaar en bereikbaar woonpand vanaf de openbare ruimte, de straat. Het pand wordt op korte afstand omringd door bestaande woningen en tuinen aan de Wolput en de Achterstraat . Met de aanvraag voor het bedrijfspand [adres] is derhalve sprake van een vorm van wonen in de zogeheten 2e lijn.
Betekenis van het Beleid
7.6.3.
De rechtbank is niet gebleken dat het Beleid dient te worden opgevat als een limitatief toetsingskader in die zin dat daarin reeds alle afwegingselementen inzake een goede ruimtelijke ordening zijn opgenomen en er geen ruimte bestaat om daar andere ruimtelijk relevante aspecten bij te betrekken. Dat zou slechts anders kunnen zijn als het een specifieke beleidsregel betrof ter invulling van een specifieke bevoegdheid.
De weigering is in dit geval gebaseerd op het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a, van de Wabo. Dit artikel bevat verschillende bevoegdheden van het college om bij strijd met het bestemmingsplan vergunning te kunnen verlenen. Dit zijn dus geen door de gemeenteraad gedelegeerde bevoegdheden, waarbij de raad beleidsregels kan opstellen ter invulling van deze bevoegdheid, maar betreffen een zelfstandige wettelijke bevoegdheden van het college, waarbij alleen in het geval onder 3o een (beperkte) rol voor de gemeenteraad is weggelegd. Het Beleid is een beleidsnota van de gemeenteraad. Alleen al om die reden is geen sprake van een beleidsregel ter invulling van een bevoegdheid. Het Beleid is een nota waarin de gemeenteraad een beleidsdoel formuleert. Het is als zodanig dan ook een document dat het college in een belangenafweging moet betrekken, maar niet een toetsingskader dat zelfstandige betekenis heeft bij de toepassing van een in artikel 2.12 van de Wabo neergelegde bevoegdheid. Daarnaast is de rechtbank met het college van oordeel dat niet alle aspecten van een goede ruimtelijke ordening uitputtend in het Beleid zijn verdisconteerd, waardoor het standpunt van eiseres ook inhoudelijk niet kan worden gevolgd. Deze grond slaagt niet.
Tweedelijnsbebouwing
7.6.4.
De stelling van eiseres dat het standpunt van het college met betrekking tot tweedelijnsbewoning geen vaste gedragslijn is die geldt binnen de gemeente en die ook door het college wordt uitgedragen en gevolgd, waardoor het college dat ten onrechte in de besluitvorming heeft betrokken, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat op pagina 50 van de Omgevingsvisie uit 2023 is aangegeven: “Aansluitend bij de aanpak van de woningvoorraad in de kleine kernen wordt in Hedikhuizen aandacht gegeven aan het intensiever benutten van bestaande bebouwde kavels bij herontwikkeling, door bijvoorbeeld een vrijstaande woning te splitsen. Daarbij heeft, net als in andere kernen, horizontale splitsing de voorkeur, zodat er geen tweedelijns bebouwing ontstaat.” Hieruit volgt dat binnen de gemeente sprake is van een vaste gedragslijn die zich mede uitstrekt tot de overige kernen van de gemeente Heusden, en dus ook ziet op de Wolput. Ook uit een recent vastgesteld bestemmingsplan “Wolput ongenummerd Vlijmen” waarnaar tijdens de zitting is verwezen, volgt dat het uitgangspunt is dat tweedelijnsbebouwing moet worden voorkomen.
In het gegeven dat een appartementencomplex aan de Achterstraat in de tweede lijn zou zijn gerealiseerd ziet de rechtbank - anders dan eiseres - geen bevestiging voor het standpunt dat het college zich niet conformeert aan de gestelde gedragslijn. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de omgevingsvergunning d.d. 22 februari 1994 voor de bouw van dat appartementencomplex met kantoren aan de Wolput te Vlijmen niet af te leiden dat daarmee bewoning in de tweede lijn wordt toegestaan en dat het college zich niet aan de gedragslijn houdt. Dat betreft allereerst een vergunning die lange tijd geleden onder een ander wettelijk kader is afgegeven en ten tweede blijkt uit het enkele feit dat een drietal appartementen van dit grotere complex een ingang aan de achterkant van het complex heeft nog niet dat sprake is van tweedelijnsbewoning. Daarmee wordt immers bedoeld dat geen sprake is van directe toegang tot de openbare weg. Ook de stelling dat het college in het verleden zou hebben aangegeven medewerking te zullen verlenen aan het realiseren van 10 seniorenappartementen op zijn perceel waarmee tweedelijnsbewoning mogelijk zou worden, kan eiseres niet baten nu daarvan niet is gebleken. Bij de gedingstukken bevindt zich een schrijven van 8 oktober 2024 waarin het college afwijzend heeft gereageerd op een principeverzoek van 17 mei 2024 voor de herontwikkeling van de bestaande bedrijfsbebouwing naar seniorenappartementen. Daarbij is medegedeeld dat het principeverzoek ruimtelijk / stedenbouwkundig onaanvaardbaar is, mede vanwege bewoning in de tweede lijn.
De door eiseres gemaakte vergelijking met huisvesting op het terrein van een agrarische werkgever is evenmin een ondersteuning voor haar standpunt dat het college niet conform deze gedragslijn handelt. De gedragslijn ziet op tweedelijnsbewoning in een dorpslint. Huisvesting bij agrarische bedrijven kan daarmee niet worden vergeleken nu deze met name ziet op huisvesting in het buitengebied.
Ten aanzien van mantelwoningen en eventuele plaatsing daarvan in de tweede lijn heeft het college ter zitting aangegeven dat in het daarvoor geldende beleid veel voorwaarden zijn opgenomen. Er moet onder meer een familierelatie zijn, een goede stedenbouwkundige inpassing en een goed woon- en leefklimaat. Het beleid is vooral bedoeld voor tijdelijke huisvesting. Indien sprake is van een klein en ingesloten perceel zal geen medewerking worden verleend. Ook in dit beleid ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het standpunt dat het college niet handelt conform het gemeentelijk beleid inzake bewoning van tweedelijnsbebouwing. Van handelen in strijd met de vaste gedragslijn is dus geen sprake.
7.6.5.
Wanneer een door het college gevolgde vaste gedragslijn niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt en deze niet onjuist is toegepast, mag het de gedragslijn volgen, ook als deze niet in een beleidsregel is neergelegd als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, mits het de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert.
Het bestuursorgaan moet wel motiveren waarom de aangevoerde omstandigheden geen reden zijn om van de vaste gedragslijn af te wijken.
De door het college gehanteerde gedragslijn om wonen in tweedelijnsbebouwing onwenselijk te achten, is naar het oordeel van de rechtbank niet kennelijk onredelijk. Van een onjuiste toepassing is voorts niet gebleken. Het college mag daarbij meewegen dat een logische ruimtelijke ordening uitgaat van een herkenbaar stratenpatroon waarbij woningen zichtbaar en bereikbaar zijn vanaf de openbare ruimte en dat afwijking hiervan zorgt voor ruimtelijke verrommeling.
Verder heeft het college daarbij kunnen betrekken dat aannemelijk wordt geacht dat intensief gebruik van het losstaande bedrijfspand door bewoning van 15 personen die in ploegendiensten werken, die (ook) hun eigen vervoer zullen hebben en in hun vrije tijd (met hun bezoek) gebruik maken van de tuin, bepaalde vormen van overlast zal geven die een belemmering kunnen zijn voor een goed woon- en leefklimaat van derden. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat aannemelijk is dat hiervan daadwerkelijk sprake is, mede vanwege hetgeen door derde partijen ter zitting inzake overlast door (eerdere) bewoning van het bedrijfspand aan de orde is gesteld.
Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ze geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van haar vaste gedragslijn. Dat mogelijke overlast bij bewoning in tweedelijnsbebouwing op het punt van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden wellicht met vergunningvoorschriften te ondervangen is, maakt niet dat het college op grond daarvan gehouden is om van haar gedragslijn af te wijken, nu die gedragslijn meer omvat dat het goede woon- en leefklimaat van omwonenden en ook de overwegingen van het college ten aanzien van de goede ruimtelijke ordening meer omvatten dan de belangen van omwonenden.
Tot slot merkt de rechtbank op dat de argumenten voor het standpunt van het college ten aanzien van tweedelijnsbebouwing betrekking hebben op een goed woon- en leefklimaat en op de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van tweedelijnsbebouwing voor bewoning. Dat zijn aspecten die het college verplicht moet meewegen in bij de toepassing van de bevoegdheden die zijn neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, omdat deze aspecten onderdeel zijn van een goede ruimtelijke ordening. Nu deze bevoegdheden specifiek betrekking hebben op gebruik in strijd met het bestemmingsplan, kan de rechtbank het standpunt van eiseres dat een dergelijke weging alleen betrekking kan hebben op bouwen, waaronder nieuwbouw of uiterlijke wijziging van een pand moet worden begrepen en niet op het gebruik van een pand zoals in dit geval waarbij enkel inpandig wordt verbouwd, niet volgen. Het college heeft deze aspecten moeten betrekken bij de beoordeling in het kader van artikel 2.12 van de Wabo.
Het college heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten dat de huisvesting door arbeidsmigranten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening zodat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo om af te kunnen wijken van het bestemmingsplan. De beroepsgronden slagen niet en er bestaat derhalve geen grond tot vernietiging van het bestreden besluit.
Last onder dwangsom (SHE 24/2322):
Bevoegdheid
8. Eiseres heeft aangevoerd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het pand [adres] te [vestigingsplaats] voor de huisvesting van arbeidsmigranten een overtreding is. Het gebruik van het pand was al gelegaliseerd voordat het bestreden besluit was genomen doordat een omgevingsvergunning van rechtswege was verleend.
8.1.
De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor in overwegingen 6-6.5.6 is overwogen. Er is niet van rechtswege een vergunning ontstaan. Omdat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van bewoning van het pand aan [adres] door arbeidsmigranten, dat in strijd is met het bestemmingsplan en daarvoor geen vergunning was verleend was, sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat – zoals ter zitting gesteld – het pand inmiddels gebruikt wordt voor opslag, maakt niet dat het college ten tijde van het opleggen van de last niet bevoegd was handhavend op te treden.
Zorgvuldigheid
9. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Het college had ervoor zorg dienen te dragen dat de besluitvorming inzake de last onder dwangsom in de bezwaarfase gelijktijdig plaatsvond met de weigering een omgevingsvergunning te verlenen. Dan zou naar alle waarschijnlijkheid de last niet in stand zijn gebleven. De Commissie heeft immers tot gegrondverklaring van het bezwaar inzake de geweigerde omgevingsvergunning geadviseerd.
9.1
Hoewel de zaken samenhangen en om die reden in de beroepsfase gevoegd zijn behandeld, is het niet onzorgvuldig om de zaken niet al in de bezwaarfase gezamenlijk te behandelen. Daartoe is onder meer van belang dat het college is overgegaan tot handhavend optreden nadat een drietal verzoeken tot handhaving is ingediend. Verder is het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning ruim twee maanden na het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom genomen. Het college hoefde onder deze omstandigheden in de bezwaarfase niet te wachten op de bezwaarprocedure tegen het weigeren een vergunning te verlenen. Het college heeft in redelijkheid het belang van de omwonenden bij een snelle besluitvorming inzake de het beëindigen van de overtreding kunnen laten prevaleren boven de belangen van eiseres en daarbij niet redelijkerwijs de keuze hoeven te maken voor het gelijktijdig voeren van de bezwaarprocedures, temeer nu het college daarbij ook oog heeft gehad voor de belangen van eiseres. Immers is aangegeven dat vooralsnog geen dwangsommen zijn verbeurd omdat pas tot controle ter plaatse wordt overgegaan indien sprake is van nieuwe meldingen van overlast. Deze grond slaagt niet.
Concreet zicht op legalisatie
10. Eiseres is van mening dat van handhaving moet worden afgezien omdat er sprake is van concreet zicht op legalisering.
10.1.
Deze grond slaagt niet. Ten tijde van het bestreden besluit inzake de last onder dwangsom was sprake van een weigering een omgevingsvergunning voor de huisvesting van 15 arbeidsmigranten te verlenen. Zoals hierboven is overwogen, kan deze weigering in stand blijven. Er is dan ook geen sprake van concreet zicht op legalisering.
Het feit dat het college bij brief van 16 december 2019 heeft aangegeven dat met het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan het pand [adres] de bestemming “Gemengd” zal krijgen, maakt dat niet anders. Ook met die wijziging van het bestemmingsplan is het gebruik van het pand voor bewoning door arbeidsmigranten nog niet zonder meer mogelijk. Er is daarom geen concreet zicht op legalisatie.
Evenredigheid
11. Eiseres stelt voorts dat handhavend optreden onevenredig is. Ze is ervan op de hoogte dat er in het verleden klachten zijn geweest als gevolg van hinder die wordt veroorzaakt door de tijdelijke bewoners van [adres] . De huisvesting van arbeidsmigranten, waaraan veel behoefte is, leidt vaak tot bezwaren van omwonenden die liever geen arbeidsmigranten in hun buurt hebben. In dit geval is door omwonenden een succesvolle lobby gevoerd die ertoe heeft geleid dat een last onder dwangsom is opgelegd.
Eiseres heeft echter, nadat zij op de hoogte was van klachten, steeds adequaat ingegrepen. Bovendien heeft ze contactgegevens verstrekt aan omwonenden, zodat ze bij hinder direct en rechtstreeks contact kunnen opnemen.
11.1
Het college is van mening dat er na het verstrekken van de contactgegevens en het adequaat reageren van eiseres nog diverse meldingen van overlast zijn ontvangen. De mate van overlast werd tijdens het opleggen van de last onder dwangsom als zeer groot ervaren.
De maatregelen die werden genomen waren klaarblijkelijk niet voldoende.
Het college is voorts van mening dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. In de algemene omstandigheid dat sprake is van de behoefte aan geschikte huisvesting voor arbeidsmigranten behoeft geen aanleiding te worden gezien om van handhaving af te zien.
11.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht wordt toegekend dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden die maken dat het opleggen van een last onevenredig is. Zelfs als de stelling van eiseres dat ze klachten adequaat kan ondervangen en dus een goed woon- en leefklimaat van omwonenden kan borgen, zou kloppen, is daarmee handhaving nog niet onevenredig. De reden voor de beginselplicht tot handhaving is immers dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nog bevestigd in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. Deze grond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn ongegrond.
12.1
Het college heeft op goede gronden besloten dat de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de vergunning daarom niet wordt verleend. Het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning blijft daarom in stand. (SHE 24/3817).
12.2.
Het college heeft terecht aan eiseres een last onder dwangsom voor het gebruik van dit bedrijfspand voor de huisvesting van arbeidsmigranten opgelegd. (SHE 24/2322). De last blijft in stand.
13. Eiseres krijgt daarom het griffierecht in beide zaken niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.3 (besluit op aanvraag)
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:5
1.Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. (..),
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Artikel 4:13
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.
Artikel 4:15
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
b. (..).
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
a. t/m c. (..).
3. (..).
4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschik-king alsnog moet worden gegeven.
Artikel 10:1
Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.
Artikel 10:2
Een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als een besluit van de mandaatgever.
Artikel 10:3
1. Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.
2. Mandaat wordt in ieder geval niet verleend indien het betreft een bevoegdheid:
a. tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, tenzij bij de verlening van die bevoegdheid in mandaatverlening is voorzien;
b. tot het nemen van een besluit ten aanzien waarvan is bepaald dat het met versterkte meerderheid moet worden genomen of waarvan de aard van de voorgeschreven besluitvormingsprocedure zich anderszins tegen de mandaatverlening verzet;
c. tot het vernietigen van of tot het onthouden van goedkeuring aan een besluit van een ander bestuursorgaan.
3. Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, wordt niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.
4. (..).
Wet van 25 juli 1964, houdende berekening van termijnen in verband met de zaterdag, de zondag en algemeen erkende feestdagen
Artikel 1
1. Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
2. Het vorige lid geldt niet voor termijnen, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis.
Artikel 3
1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.
3. (..).
Artikel 4
Deze wet geldt niet voor termijnen:
a. omschreven in uren, in meer dan 90 dagen, in meer dan twaalf weken, in meer dan drie maanden, of in een of meer jaren;
b. betreffende de bekendmaking, inwerkingtreding of buitenwerkingtreding van wettelijke voorschriften;
c. van vrijheidsbeneming.

Mandaatkaderregeling gemeente Heusden 2022

Artikel 5 Algemeen mandaat van het college en de burgemeester aan de ambtenaren
5.1
Het college en de burgemeester verlenen de ambtenaar die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur het mandaat om alle besluiten te nemen en alle overige (rechts)handelingen te verrichten, waaronder de vertegenwoordiging in rechte, die in het kader van een goede uitoefening van zijn taken en verantwoordelijkheden nodig zijn.
Artikel 6 Voorwaarden en afwegingskader mandaat Algemeen kader
6.1
Het in het artikel 5, eerste lid, bedoelde mandaat kan mandaathouder slechts gebruiken, voor zover de uitoefening van de bevoegdheid overeenstemt met:
a. de taken en verantwoordelijkheden van het organisatieonderdeel of project of taakveld,
b. die zijn gebaseerd op de geldende organisatiestructuur, de functieomschrijving en daarbij behorende competenties van de werknemer en de actuele lijst van functies/functionarissen en
c. de gemaakte afspraken binnen het organisatieonderdeel en mandaatgever, die voor eenieder kenbaar en toegankelijk intern zijn vastgelegd.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)

Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. + b. (..),
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (..),
d. t/m i. (..).
Artikel 2.12
1.Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;
c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;
d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.
Artikel 3.9
1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:
a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en
b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.
2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.
4. Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk mededeling van de bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet bestuursrecht, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

Bijlage II Besluit omgevingsrecht (oud)

Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.3 (besluit op aanvraag)
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
bestemmingsplan “
Vlijmen en Vliedberg herziening 2013” (vastgesteld 12-05-2015 - geheel onherroepelijk in werking)
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.19
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
1.2
bedrijfswoning/ dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.
1.48
hoofdgebouw:
een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw op een bouwperceel of bouwvlak kan worden aangemerkt.
1.55
huishouden:
een persoon of groep personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren.
Met een huishouden worden gelijkgesteld:
a. de huisvesting van maximaal 5 personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur);
b. tijdelijke huisvesting in de vorm van logies aan maximaal 5 seizoenarbeiders;
c. de huisvesting van maximaal 12 personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, een psychiatrisch ziektebeeld of psychosociale problemen dan wel de huisvesting van maximaal 12 personen die tijdelijke opvang behoeven, al dan niet met inbegrip van begeleiding en toezicht, dit alles gericht op zelfstandige bewoning.
1.102 woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat krachtens zijn indeling geschikt en bedoeld is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
Artikel 5 Bedrijf
5.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën A en B, met uitzondering van:
1. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
2. risicovolle inrichtingen;
b. een luifel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - luifel’;
c. een zend-/ontvanginstallatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘zend-/ontvanginstallatie’;
d. een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg’;
e. een timmerbedrijf met een maximale oppervlakte van 500 m2, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - timmerbedrijf';
f. een showroom, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’;
g. bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
h. nutsvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘nutsvoorziening’;
i. gasontvangstation, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – gasontvangstation;
j. parkeervoorzieningen;
k. tuinen, erven en verhardingen;
l. groenvoorzieningen;
m. water en waterhuishoudkundige doeleinden.
5.5
Specifieke gebruiksregels
a. detailhandelsbedrijven zijn niet toegestaan, met uitzondering van:
1. niet voor particulieren toegankelijke detailhandelsbedrijven die zich uitsluitend toeleggen op postorderactiviteiten;
2. ondergeschikte detailhandel als onderdeel van bedrijven als genoemd in lid 5.1, met dien verstande dat niet meer dan 10% van de bebouwde oppervlakte van het bedrijf gebruikt mag worden voor ondergeschikte detailhandel.
5.6
Afwijken van de gebruiksregels
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 sub a ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande, dat deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de toegelaten categorie volgens het bepaalde in lid 5.1.
5.7
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in die zin dat een aanduiding ter plaatse wordt aangebracht, waarbinnen een in de aanduiding benoemd risicovolle inrichting wordt toegestaan, mits:
a.de toepasselijke grenswaarden voor het risico en risico-afstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht worden genomen;
b. met de toepasselijke richtwaarden voor het risico en risico-afstanden ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten rekening wordt gehouden.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. het bedrijf dient ter plaatse te zijn beëindigd;
b. het totaal aantal woningen mag ten opzichte van de ten tijde van het wijzigingsbesluit bestaande situatie niet worden vergroot, tenzij het past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma en de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose;
c. de oppervlakte bijgebouwen bij de woning dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 100 m², waarbij cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gehandhaafd dienen te blijven, tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid h;
d. de vestiging van de nieuwe woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
e. voldaan dient te worden aan de eisen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder;
f. de nieuwe woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat;
g. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
h. bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing mag, ofwel 10% van de oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen worden toegevoegd aan de oppervlakte van de woning tot een maximum van 850 m³, ofwel 10% van de oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen worden toegevoegd aan de oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 200 m²;
i. de woning mag niet zijn gelegen binnen de veiligheidszone van een inrichting in de zin van het BEVI;
j. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing mogen niet onevenredig worden aangetast.
bestemmingsplan “
Parapluplan Wonen” (vastgesteld 13-07-2021 - geheel onherroepelijk in werking)
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1
plan
het bestemmingsplan 'Parapluplan wonen' met identificatienummer NL.IMRO.0797.BPwonen-ON01 van de gemeente Heusden;
1.2
bestemmingsplan
de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;
1.3
bestaand
het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan legaal aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning.
1.4
huishouden
één of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in samenstelling ervan. Kamerverhuur wordt hieronder niet begrepen.
1.5
wonen (woondoeleinden)
het gehuisvest zijn in een woning conform het begrip 'woning'.
1.6
woning
een (gedeelte van een) gebouw dat krachtens zijn indeling geschikt en bedoeld is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
Artikel 2 Reikwijdte
2.1
Herziene bestemmingsplannen
Met dit plan worden alle bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen van de gemeente Heusden, die op het moment van vaststelling van dit 'Parapluplan wonen' zijn vastgesteld, herzien voor zover het betreft de bestemmingen die wonen mogelijk maken in de bestemmingsomschrijving, op de wijze zoals is aangegeven in artikel 2.2 en 2.3 en laat de overige regels uit die onderliggende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen ongewijzigd.
2.2
Aanvulling begrippen
De begrippen van de bestemmingsplannen zoals genoemd in artikel 2.1 worden herzien of aangevuld met de begrippen:
“huishouden” zoals genoemd in artikel 1.4;
“wonen” zoals genoemd in artikel 1.5;
“woning” zoals genoemd in artikel 1.6.
2.3
Herziening regels
De regels van de bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen, zoals genoemd in artikel 2.1, worden herzien of aangevuld met de regels zoals opgenomen in artikel 3 van dit 'Parapluplan wonen'.
Artikel 3 Algemene gebruiksregels
3.1
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
Het gebruik van een woning voor de huisvesting anders dan van een huishouden.
3.2
Afwijken van de gebruiksregels
3.2.1
Afwijken ten behoeve van de huisvesting arbeidsmigranten en/of seizoenarbeiders in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur)
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 voor het gebruik van een woning voor de huisvesting van maximaal 5 arbeidsmigranten en/of seizoenarbeiders in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur), mits:
wordt voldaan aan het beleid 'Huisvesting arbeidsmigranten 2020', zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Heusden op 15 december 2020;
indien het beleid als bedoeld onder a gedurende de planperiode van het bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning rekening gehouden met deze wijziging.
Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2020(vastgesteld door de raad op 15 december 2020 en geldend van 19-12-2020 t/m heden (deels weergegeven)
2. Doelstelling en totstandkoming beleid
Dit leidt tot de volgende tweeledige doelstelling:
- voorzien in goede, gespreide en voldoende huisvesting voor de toenemende groep arbeidsmigranten op korte afstand van het werk. Korte afstand van het werk betekent dat de voorkeur uitgaat naar de huisvesting bij het desbetreffende (agrarische) bedrijf, daarna in de directe nabijheid van het bedrijf en eerst daarna in een reguliere woonomgeving;
- waarborgen van een goed woon- en leefklimaat voor zowel arbeidsmigranten als overige inwoners.
3.2.
Onderscheid in arbeidsmigranten en doelgroep beleid
Dit beleid richt zich op de huisvesting van shortstay- en midstay-arbeidsmigranten die op grond van een EU-paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal werkzaam zijn in de gemeente Heusden. In het beleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen shortstay en midstay. Er is geen vast omlijnde definitie voor de begrippen shortstay en midstay. De gemeente beschouwt shortstay-arbeidsmigranten als personen die korter dan vier maanden hier gevestigd zijn. Als midstay-arbeidsmigranten beschouwt de gemeente de personen die vier maanden tot drie jaar hier zijn gevestigd, maar zich niet permanent willen vestigen. De koppeling aan de termijn van vier maanden heeft te maken met de inschrijfplicht in de Basis Registratie Personen (BRP, bij een verblijf van vier maanden of langer verplicht).
4. Algemene uitgangspunten
Huisvesting van arbeidsmigranten willen we toestaan op de volgende manieren.
-
Kleinschalige huisvesting in de bestaande woonomgeving
Dit kan plaatsvinden in reguliere eengezinswoningen in de bebouwde kom. Ook kan het gaan om huisvesting in de bestaande burgerwoningen die in het buitengebied liggen. Het gaat hier om kamergewijze verhuur in maximaal vier wooneenheden 1 voor in totaal maximaal vijf personen.
-
Huisvesting op het terrein van de agrarische werkgever
Huisvesting op het eigen terrein kan plaatsvinden in de vorm van een tijdelijke huisvesting of in een huisvestingsvorm die permanent op het terrein aanwezig is.
-
Geconcentreerde huisvesting
Het gaat hier om grootschalige huisvesting (meer dan vijf personen) van arbeidsmigranten geconcentreerd op één locatie, tot maximaal 15 personen voor historische dorpsgebieden en bebouwingslinten en maximaal 30 personen aan randen van bedrijventerreinen.
Het beleid is zodanig ingericht dat, naast huisvesting in maximaal vier wooneenheden, voor in totaal maximaal vijf personen, in bestaande woningen, de nadruk ligt op de huisvesting op het terrein van de agrarische werkgever en meer geconcentreerde huisvesting aan de randen van bedrijventerreinen, in historische dorpsgebieden en bebouwingslinten. Met het beleid wordt mede beoogd sturing te geven aan de spreiding van de huisvestingslocaties en inzicht te houden/verkrijgen in de locaties waar arbeidsmigranten zijn gehuisvest.
5.4
Geconcentreerde huisvesting
Mogelijkheden voor geconcentreerde huisvesting worden ook gezien voor de gebieden die in de Update Welstandsnota Heusden 2019 zijn aangegeven onder het bebouwingstype ‘Historische dorpsgebieden en bebouwingslinten’. Deze gebieden/linten kennen vanuit hun ontstaansgeschiedenis vaak al een gevarieerde functie/invulling. Er komen veel grote panden voor en ze zijn vaak een belangrijke schakel in het wegennetwerk waardoor woon- werkverkeer niet door de hele wijk hoeft. In deze gebieden worden daarom ook mogelijkheden gezien voor meer geconcentreerde huisvesting.
De volgende voorwaarden gelden bij de geconcentreerde huisvesting van arbeidsmigranten.
-Er mogen maximaal 30 arbeidsmigranten per locatie aan randen van bedrijventerreinen en maximaal 15 arbeidsmigranten per locatie in historische dorpsgebieden en lintbebouwing worden gehuisvest. Deze aantallen worden maximaal aanvaardbaar geacht vanuit de aard en omvang van de gemeente en de positionering ten opzichte van de bedrijfslocatie/omgeving.
-Locaties, straten, voor geconcentreerde huisvesting zijn hiervoor onder de kopjes ‘Randen van bedrijventerreinen’ en ‘Historische dorpsgebieden en bebouwingslinten’ opgenomen.
-Arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest in een bedrijfs- en kantoorgebouw, zijnde het hoofdgebouw op een perceel. Dat kan door hergebruik van een bestaand bedrijfsgebouw of kantoorgebouw. Ook kan huisvesting plaatsvinden in een bestaande woning. De oprichting van nieuwe gebouwen (behoudens evt. bergingen e.d.) voor de huisvesting is niet toegestaan.
-Omliggende bedrijven en woningen mogen in hun bedrijfsvoering niet worden belemmerd door de geconcentreerde huisvesting van arbeidsmigranten.