Uitspraak
”En als hij niet betaalt ik kom straks terug. Ik schiet jouw kanker moeder dood, wacht maar”.[verdachte] heeft een vuurwapen bij zich en heeft dat getoond aan aangeefster [persoon 2] en haar zus [persoon 3] . Toen aangeefster en haar zus de verdachten naar buiten probeerden te duwen, is [persoon 3] door één van de verdachten geduwd en op de grond gevallen.
[verdachte] heeft tijdens zijn vlucht een revolver achtergelaten op een dak van een schuur. Deze revolver is later – op zijn aanwijzing – gevonden door de politie. Het vuurwapen waarmee [medeverdachte 1] heeft geschoten is niet terug gevonden. Het slachtoffer van de schietpartij is diezelfde dag in het ziekenhuis komen te overlijden door de schotverwonding in zijn hoofd.
Het OVC gesprek in de PI Zeist van 1 september 2024 past bij de feitelijke vaststellingen van de rechtbank waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] met voorbedachten rade heeft gehandeld. Uit dit gesprek blijkt namelijk dat [medeverdachte 1] zich vernederd voelde en wraak wilde nemen omdat het slachtoffer hem geslagen, bespuugd en uitgelachen had. Zo zegt hij:
“Hij had zo’n fles whisky in zijn hand. Hij (ntv). Hij slaat mij. Ik zal op de grond, hij slaat mij. Hij spuugt op mijn (ntv). Vijftien (15) minuten geleden.. na vijftien (15) minuten, na die ruzie, ik kom hem weer tegen. Hij lachte mij uit.”
- het samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] uit de auto stappen en dreigend/intimiderend naar [slachtoffer] te lopen;
- met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een getalsmatige meerderheid vormen en zich niet distantiëren;
- het voorhanden hebben van een vuurwapen;
- het schieten van een kogel in het hoofd van [slachtoffer] .
medeplegenvan het bezit van de revolver. Ten aanzien van de revolver kan immers niet worden vastgesteld dat ook anderen dan [verdachte] daar de beschikkingsmacht over hadden.
vrijvan hetgeen onder parketnummer
01.206918.24 feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd.