ECLI:NL:RBOBR:2025:8052

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
24/2426
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen ontheffing voor doden van bevers op grond van de Wet natuurbescherming

Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over een ontheffing die was verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het doden van bevers. Eisers, vertegenwoordigd door mr. M. van Duijn, waren het niet eens met de ontheffing die was verleend door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. M. Box, mr. L. Cloodt en N.L.M. van Kempen. De rechtbank oordeelde dat de inhoudelijke toetsing van de voorwaarden voor ontheffingverlening door het college niet correct was uitgevoerd, omdat deze was doorgeschoven naar de gebruiker van de ontheffing. Dit was in strijd met het stelsel van de Wnb. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. De rechtbank legde een voorlopige voorziening op, waardoor het doden van bevers op basis van de ontheffing niet was toegestaan tot een nieuw besluit was genomen. De rechtbank benadrukte dat het college een nieuwe beslissing moest nemen op het bezwaar van eisers, met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2426

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eisers], eisers
(gemachtigde: mr. M. van Duijn),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigden: mr. M. Box, mr. L. Cloodt en N.L.M. van Kempen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Faunabeheereenheid Noord-Brabant uit 's-Hertogenbosch (de derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (de Wnb) voor het verstoren en vernielen van burchten, dammen en holen en het eventueel vangen en verplaatsen, dan wel doden van bevers. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de ontheffing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de ontheffing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de inhoudelijke toetsing van de vraag of in het concrete geval is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffingverlening door het college wordt doorgeschoven naar de gebruiker van de ontheffing, hetgeen in strijd is met het stelsel van de Wnb. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving en de relevante voorschriften uit de ontheffing zijn opgenomen in de bijlage.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het college de ontheffing verleend. Met het bestreden besluit van 23 april 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers [naam] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en [naam] namens de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 16 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
 De derde-partij heeft op 16 mei 2023 de aanvraag om een ontheffing ingediend. De ontheffing is aangevraagd voor het verstoren en vernielen van burchten, dammen en holen en het eventueel vangen en verplaatsen, dan wel doden van bevers, op basis van het Faunabeheerplan 2023-2029 en het door de Noord-Brabantse waterbeherende organisaties opgestelde beverprotocol wat daar onderdeel van uitmaakt. De ontheffing is aangevraagd voor alle infrastructurele dijklichamen en waterlopen in de provincie Noord-Brabant, voor de periode 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2029. De derde-partij machtigt de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta, Rivierenland en de Dommel en Rijkswaterstaat, om van de ontheffing gebruik te maken en personen aan te wijzen om het beheer uit te voeren.
 Met het primaire besluit heeft het college de ontheffing op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb, verleend. Het betreft een zogenoemde ‘ontheffing op voorhand’, voor het mogen overtreden van artikel 3.5, eerste, tweede en vierde lid, artikel 3.6, tweede lid, artikel 3.24, tweede lid en artikel 3.34, eerste en derde lid, van de Wnb. Aan de ontheffing ligt het Faunabeheerplan 2023-2029 (het Faunabeheerplan) ten grondslag.
 Met het bestreden besluit heeft het college de ontheffing, onder aanvulling van de motivering en met ambtshalve wijzigingen en aanvullende voorschriften 14, 15 en 16, in stand gehouden.
 Het beroep van eisers richt zich uitsluitend tegen de ontheffing van het verbod om bevers te doden en niet tegen de andere handelingen waarvoor ontheffing is verleend.
Het Faunabeheerplan
5. In het Faunabeheerplan wordt het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht beschreven. De derde-partij dient op grond van artikel 3.12,
eerste lid, van de Wnb het Faunabeheerplan vast te stellen. Onderdeel van het Faunabeheerplan zijn passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade aangericht door in het wild levende dieren. Het Faunabeheerplan is met het goedkeuringsbesluit van 11 april 2023 overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de Wnb door het college goedgekeurd.
5.1.
Paragraaf 4.2 van het Faunabeheerplan gaat in zijn algemeenheid in op de noodzaak om te kijken naar andere bevredigende oplossingen en bevat een escalatieladder. Die escalatieladder houdt in dat eerst gekeken moet worden naar preventieve werende of verjagende maatregelen en daarna of er beheermaatregelen beschikbaar zijn die schade kunnen voorkomen zonder dat daar dieren voor gedood hoeven te worden. Hierin dient soorteigen gedrag betrokken te worden. Als de soort niet is vrijgesteld, kan de provincie ontheffing verlenen voor het vangen en doden van dieren.
5.2.
In hoofdstuk 36 van het Faunabeheerplan wordt specifiek ingegaan op de bever. Dat hoofdstuk beschrijft de beschermde status van de bever (paragraaf 36.1) en bevat een soortbeschrijving (paragraaf 36.2). Verder beschrijft hoofdstuk 36 van het Faunabeheerplan de populatiegrootte en populatieontwikkeling in Nederland en Noord-Brabant (paragraaf 36.3), de ontwikkelingen van schade aan belangen uit de afgelopen beheerperiode (paragraaf 36.4), het beheer van de bever in de afgelopen beheerperiode (paragraaf 36.5), en tot slot het beheer van de bever in de periode 2023-2029 (paragraaf 36.6).
5.3.
Uit paragraaf 36.5 volgt dat het aantal keer dat een machtiging voor het gebruik van de ontheffing op voorhand die de derde-partij had voor de periode 2016-2022 geleidelijk is toegenomen van enkele machtigingen in 2015/2016 naar bijna 80 machtigingen in 2021/2022. De maatregelen die zijn genomen en geregistreerd betroffen voornamelijk het verwijderen of het verlagen van dammen en het dichten van holen. Ook het aanbrengen van een beaver deceiver (pijp door of over de beverdam die door de dam opgestuwd water afvoert) is diverse keren voorgekomen. In één situatie is een beverfamilie gevangen en losgelaten in de Maas. In paragraaf 36.5 staat verder dat het voorkomen en beperken van schade door de bouw van dammen in waterlopen die in het beheer zijn van de waterschappen op dit moment adequaat is op te lossen op basis van de vigerende ontheffing op voorhand en het beverprotocol. In de praktijk is het vrijgraven en dichtzetten van een hol de meest voorkomende maatregel. Holen zijn gevaarlijk voor de (openbare) veiligheid. Soms is alleen het dichtzetten voldoende. In enkele gevallen is het hol opnieuw uitgegraven en vervolgens gedicht en zijn aanvullende maatregelen genomen zoals het inbrengen van beverwerend gaas. Een nadeel is dat de holen vaak pas ontdekt worden wanneer er al verzakkingen of schades zijn ontstaan. Dit kan gevaarlijke situaties opleveren. Er zijn al locaties bekend waar een gat is ontstaan in een fietspad, een inrit en een afrit van de A50. Ook is er schade bekend aan een woning door verzakkingen. Het wegvangen van bevers blijkt geen toekomstbestendige oplossing, omdat het territorium wat daarmee vrijvalt opgevuld zal worden door een andere bever. Wel kan het gelegenheid bieden om schade te voorkomen of te beperken en een toekomstbestendige oplossing te ontwikkelen. Vanuit ecologisch oogpunt heeft het verplaatsen van bevers naar andere gebieden in Brabant geen toegevoegde waarde, omdat de verwachting is dat bevers deze gebieden op natuurlijke wijze zelf zullen bereiken. Paragraaf 36.5 sluit af met de conclusie dat het gevoerde beheer niet in alle situaties effectief is geweest om schades door beveractiviteiten te voorkomen of te beperken. Niet op alle plekken kon adequaat ingegrepen worden om urgente risico’s voor openbare veiligheid op een duurzame manier op te lossen.
5.4.
Uit paragraaf 36.6 volgt dat de gunstige staat van instandhouding voor de bever in Noord-Brabant is bereikt. Ten aanzien van toekomstige beheermaatregelen gaat de voorkeur uit naar het nemen van preventieve maatregelen. Indien er zich toch situaties voordoen waarbij bevers de openbare veiligheid in gevaar brengen of ernstige schade (dreigen te) veroorzaken, kan er ingegrepen worden conform de escalatieladder die geldt voor bevers, zoals opgenomen in bijlage 3 bij het Faunabeheerplan. Dat wil zeggen dat een ingrijpender maatregel (zoals het vernielen van burchten of het doden van individuele dieren), pas mag worden toegepast als de vorige trede, de inzet van minder ingrijpende maatregelen, onvoldoende werkzaam is gebleken of niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Als probleemsituaties alleen opgelost kunnen worden door bevers te doden, is dat vanwege het incidentele karakter én de huidige gunstige staat van instandhouding geen risico voor het duurzaam voortbestaan van de beverpopulatie in Noord-Brabant. Paragraaf 36.6.6 noemt de volgende preventieve maatregelen: dijkinspecties, het frequent controleren en herstellen van de graverij, gaasrasters, elektrische draadrasters, boommanchetten, de aanleg van een alternatieve burchtlocatie, het plaatsen van een damwand, het plaatsen van gaas, het plaatsen van stenen op de oever, het vangen en verplaatsen van bevers, het verlagen van de waterdiepte, het verleggen van een watergang of de oever, het verwijderen van houtige begroeiing, en het aanleggen van buitendijkse hoogwatervluchtplaatsen.
In paragraaf 36.6.8 is de inzet van de escalatieladder beschreven. Voor de inzet van de escalatieladder voor bevers wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een ecologische functie en gebieden zonder ecologische functie. Gebieden met een ecologische functie zijn gebieden, of landschapselementen die vanuit beleid een ecologische doelstelling toegewezen hebben gekregen (zoals natuurterreinen, bossen, Natuurnetwerk Nederland, beekherstel, Natura 2000-gebieden en KRW-waterlopen). Het Faunabeheerplan onderscheidt in deze gebieden zeven potentiële maatregelen, namelijk het herbegrenzen van het Natuurnetwerk, Agrarisch Natuurbeheer Regeling / andere compensatieregeling, dijklichamen die direct grenzen aan water versterken, beverdammen verlagen of afbreken, beverdammen ondertunnelen (beaver deceiver plaatsen), rasters plaatsen om leefgebied te beperken en tot slot habitat ongeschikter maken. De overige gebieden zijn gebieden zonder ecologische functie. Van nature zijn gebieden zonder ecologische functie minder geschikt voor bevers. Als er voldoende diep water beschikbaar is én er komt in de omgeving voedsel voor, dan is het, ondanks de minder optimale omstandigheden wel mogelijk dat er bevers voorkomen. Het Faunabeheerplan onderscheidt in deze gebieden negen potentiële maatregelen, namelijk een tegemoetkoming in landbouwgewasschade, beverdammen ondertunnelen (beaver deceiver plaatsen), vestiging ontmoedigen door inperking leefgebied met rasters, vestiging ontmoedigen door wegnemen voedselbronnen, beverdammen verlagen of afbreken, direct ingrijpen, dijklichamen versterken die direct grenzen aan water, bevers wegvangen (vangen mag alleen als er binnen zeer korte tijd voor de gevangen bever een geschikte loslaatplek voorhanden is) en tot slot het doden van bevers. Het doden van bevers wordt ingezet indien vangen en vervolgens herplaatsen niet mogelijk is als gevolg van een ontbrekende loslaatplek.
Het op voorhand verlenen van een ontheffing is in strijd met het stelsel van de Wnb
6. Eisers voeren aan dat de ontheffing ten onrechte op voorhand is verleend. Het verlenen van een ontheffing op voorhand is in strijd met artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb. In dat artikel staan de voorwaarden waaronder een ontheffing kan worden verleend. Het is volgens eisers niet mogelijk om voor toekomstige, nog onbekende situaties aan te tonen dat aan de voorwaarden wordt voldaan. In voorschrift 9 is dan wel bepaald dat de ontheffingshouder volgens de escalatieladder in bijlage 3 van het Faunabeheerplan dient te werken, maar dat is geen oplossing. Daarmee komt de escalatieladder in de plaats van de door het college uit te voeren toets of aan de voorwaarden uit artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de Wnb is voldaan, en wordt die toets ten onrechte uitbesteed aan de ontheffingshouder. Ook de nieuwe voorschriften 14 en 15 herstellen dit gebrek niet. De toetsing vooraf door het college mag niet vervangen worden door een controle achteraf door een toezichthouder, waartegen ook geen rechtsbescherming open staat.
6.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een ontheffing op voorhand niet in strijd is met het stelsel van de Wnb. De systematiek van artikel 3.12 en volgende van de Wnb is namelijk juist zodanig dat de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers dient plaats te vinden op basis van een Faunabeheerplan. In het Faunabeheerplan is de ontheffing op voorhand als middel voor de bestrijding van schadeveroorzakende dieren mogelijk gemaakt. Het Faunabeheerplan Noord-Brabant 2023-2029 is vastgesteld en onherroepelijk en vormt de basis voor de ontheffing op voorhand. Op basis van deze systematiek is de ontheffing verleend. Van het doorschuiven van de beoordeling van het wettelijk belang en de alternatievenafweging naar de ontheffinghouder is geen sprake. De onderbouwing van het wettelijk belang als bedoeld in artikel 3.8,
vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb heeft immers reeds plaatsgevonden in paragraaf 2.4 van het besluit en in paragraaf 36.4 van het Faunabeheerplan, dat als aanvraagstuk deel uitmaakt van het besluit. In paragraaf 2.6 van het besluit is bovendien ingegaan op de alternatievenafweging (artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wnb). Bij het bestreden besluit zijn de voorschriften 14 en 15 aan de ontheffing verbonden. Deze voorschriften zijn gesteld zodat het college toezicht kan houden op het doden van de bever en de in dat kader gestelde voorschriften. Anders dan eisers stellen, komt het toezicht dus niet in de plaats van de beoordeling of aan de voorwaarden van artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de Wnb is voldaan. Deze beoordeling heeft bij het verlenen van de ontheffing reeds plaatsgevonden.
6.2.
Deze grond slaagt. De rechtbank is gelet op de voorschriften uit de ontheffing, in samenhang gelezen met het Faunabeheerplan, van oordeel dat in dit geval de inhoudelijke toetsing van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffingverlening, namelijk of zij nodig is in het belang van onder meer de openbare veiligheid en of er geen andere bevredigende oplossingen zijn, wordt verricht na ontheffingverlening. Dit acht de rechtbank in strijd is met het stelsel van de Wnb, waarin de bevoegdheid tot ontheffingverlening, en daarmee de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffingverlening, berust bij het college. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.3.
Op grond van de escalatieladder uit het Faunabeheerplan is het doden van de bever enkel toegestaan als er vanwege beveractiviteiten sprake is van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid. Ook beveractiviteiten die leiden tot verstoring van het waterpeil kunnen leiden tot het doden van een bever. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat vanwege beveractiviteiten nabij infrastructurele dijklichamen en waterlopen de belangen als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb geraakt kunnen worden, ziet de rechtbank niet in dat elke beveractiviteit nabij infrastructurele dijklichamen en waterlopen een wettelijk belang raakt. Zo zal niet de ondergraving van iedere dijk direct gevaar opleveren voor de openbare veiligheid. Ook een waterstandsverhoging ten gevolge van het aanleggen van dammen behoeft niet in ieder oppervlaktewater te leiden tot een zodanige stijging van het waterpeil, dat dit acuut gevaar voor de openbare veiligheid oplevert. Op grond van de escalatieladder is het doden van bevers slechts toegestaan bij een wettelijk belang. Daarmee is het in dit geval dus feitelijk aan de gebruikmaker van de ontheffing om te bepalen of in een concrete situatie sprake is van een wettelijk belang, en dus of het doden van een bever in die situatie nodig is. Zoals hierboven uiteengezet, is het echter aan het college om die afweging te maken. Alleen al daarom slaagt deze grond.
6.4.
Uit voorschrift 16 en de escalatieladder volgt verder dat het doden van een bever in gebieden met een ecologische functie niet is toegestaan. Zoals in overweging 5.4 gesteld zijn in het Faunabeheerplan gebieden met een ecologische functie omschreven als gebieden of landschapselementen die vanuit beleid een ecologische doelstelling toegewezen hebben gekregen, zoals natuurterreinen, bossen, Natuurnetwerk Nederland, beekherstel, Natura 2000-gebieden en KRW-waterlopen. De rechtbank ziet niet in hoe het voor een gebruikmaker van de ontheffing duidelijk is of sprake is van een gebied met ecologische functie of een gebied zonder ecologische functie. Zo acht de rechtbank in ieder geval niet duidelijk wat het college onder ‘natuurterreinen’ en ‘bossen’ verstaat. Daarmee is het wederom feitelijk aan de gebruikmaker van de ontheffing om te bepalen of sprake is van een gebied zonder ecologische functie. Alleen in een gebied zonder ecologische functie mag immers - onder voorwaarden - tot het doden van een bever worden overgegaan.
6.5.
Uit de escalatieladder volgt tot slot dat alleen tot het doden van een bever mag worden overgegaan als verplaatsen van de bever niet mogelijk is. In het Faunabeheerplan staat hierover dat bevers alleen worden gevangen om te verplaatsen als er een geschikte afzetplaats in de natuur voor is, binnen en/of buiten Noord-Brabant. Is er geen mogelijkheid
tot herplaatsing, dan komt de optie doden aan de orde. De rechtbank constateert dat het ook op dit punt aan de gebruikmaker van de ontheffing is om te beoordelen of verplaatsing van de bever al dan niet onmogelijk is. Alleen als het niet mogelijk is de bever te verplaatsen mag immers tot het doden van de bever worden overgegaan.
6.6.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat op grond van voorschrift 15 minimaal twee weken voordat tot het doden van een bever wordt overgegaan het college een melding ontvangt. Het college zal naar aanleiding van die melding beoordelen of de escalatieladder op de juiste manier is doorlopen, of het standpunt van de ecoloog helder is en of terecht is aangenomen dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Of sprake is van een gebied met een ecologische functie zal per geval moeten worden beoordeeld, aldus het college. Ook beoordeelt het college na de melding of er geen andere verplaatsingsgebieden zijn. Als het nodig is, dan zal het college ook ter plaatse komen kijken. Indien de beoordeling van het college afwijkt van die van de gebruiker van de ontheffing en de ecoloog, dan kan het college handhavend optreden door middel van het opleggen van een preventieve last onder dwangsom. De rechtbank begrijpt dat het college met de voorschriften heeft willen waarborgen dat wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb, maar de rechtbank ziet in deze werkwijze juist ook de bevestiging dat het college in dit geval de inhoudelijke toetsing van de vraag of in het concrete geval is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffingverlening verricht na ontheffingverlening, hetgeen in strijd is met het stelsel van de Wnb. Bovendien brengt die wijze van ontheffingverlening met zich dat de rechtsbescherming voor belanghebbenden wordt beperkt, nu, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, het geen goedkeuringsbesluit neemt waartegen bezwaar of beroep open staat, en het college de melding evenmin publiceert.
7. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep, omdat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat wordt voldaan aan artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb. Dit is een motiveringsgebrek. De beroepsgronden van eisers over de noodzaak van de ontheffing en andere bevredigende oplossingen, en over de strijd met de vereiste rechtszekerheid behoeven geen bespreking meer. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het college dient daarom een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eisers. Tot die tijd zal de rechtbank de voorlopige voorziening treffen dat het doden van bevers op basis van de in geding zijnde ontheffing niet is toegestaan. Indien het college in een nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van eisers de ontheffing voor het doden van bevers in stand houdt, acht de rechtbank het volgende nog van belang.
7.1.
Uit het Faunabeheerplan en het verhandelde ter zitting volgt dat tot op heden er eenmalig een (incidentele) ontheffing is verleend voor het doden van een bever. Verder volgt uit het Beverprotocol dat bij directe en acute bedreigingen van de openbare veiligheid of volksgezondheid (het Beverprotocol noemt dit een ‘calamiteit’) de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet of de beheerder op grond van artikel 5.30 van de Waterwet (oud) direct kunnen optreden. Daarnaast kan voor het doden van bevers een reguliere ontheffing worden aangevraagd (onder de Omgevingswet is dit een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit). Gelet op dit wettelijke instrumentarium en de tot dusver kennelijk beperkte noodzaak om tot het doden van bevers over te gaan, acht de rechtbank het aangewezen dat het college, indien het de verleende ontheffing op voorhand ook voor het doden van bevers in stand zou willen laten, in het nieuw te nemen besluit uitdrukkelijk motiveert waarom een ontheffing op voorhand voor het doden desalniettemin nodig is. De rechtbank acht dit noodzakelijk op basis van artikel 3.8,
vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst voor zover ontheffing is verleend voor het doden van bevers, tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van eisers.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van een zitting met een waarde per punt van € 907,00). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 april 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- schorst, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, het besluit van
27 juni 2023 voor zover ontheffing is verleend voor het doden van bevers tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,00 aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming
Artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb luidt:

Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
zij is nodig:
1.
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
2.
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
3.
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
4.
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.”
Voorschriften
Voorschrift 1 luidt:

De Faunabeheereenheid is bevoegd deze ontheffing om te zetten in machtigingen aan de uitvoerende Noord-Brabantse waterschappen en Rijkswaterstaat. De Faunabeheereenheid blijft als houder van de ontheffing verantwoordelijk voor het naleven van de voorschriften waaronder deze ontheffing is verleend.”
Voorschrift 4 luidt:

De activering van de machtiging (het voornemen tot uitvoering) moet op de dag van inwerkingtreding, via het FaunaRegistratieSysteem, worden doorgegeven aan de toezichthouder van de Omgevingsdienst Noord-Brabant.”
Voorschrift 7 luidt:

De handelingen onder deze ontheffing vinden uitsluitend plaats op basis van het Beverprotocol van de Noord-Brabantse waterschappen, onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog. De in het Beverprotocol beschreven stappen dienen strikt te worden gevolgd.”
Voorschrift 8 luidt:

Het beverprotocol van de waterschappen en RWS is leidend voor alle handelingen die deze organisaties uitvoeren. Voor andere beheerders en eigenaren van terreinen is er een beverprotocol opgesteld en vastgesteld door de FBE. Dit protocol moet zorgen voor zorgvuldig handelen en wordt ter goedkeuring aan GS voorgelegd.”
Voorschrift 9 luidt:

De handelingen onder deze ontheffing voor het doden mogen pas plaatsvinden na het doorlopen van de escalatieladder.”
Voorschrift 10 luidt:

De escalatieladder, zoals opgenomen in het Faunabeheerplan, dient aantoonbaar nageleefd te worden. Een ingrijpende maatregel wordt voorafgegaan aan een minder ingrijpende maatregelen. Dit betekent dat indien het passief en vervolgens actief verplaatsen van de bever niet effectief blijkt, de maatregel doden pas toegepast mag worden.”
Voorschrift 14 luidt:

Alle handelingen met gebruikmaking van deze ontheffing dienen door een ecoloog te worden bijgehouden en toegelicht in een logboek. Het logboek dient op verzoek van een toezichthouder direct te worden overhandigd.”
Voorschrift 15 luidt:

Minimaal twee weken voordat tot het doden van de bever wordt overgegaan dient het bevoegd gezag hierover te worden geïnformeerd. Dit kan worden gedaan door het sturen van een e-mail naar info@odbn.nl waarin het voornemen tot doden kenbaar wordt gemaakt. Het logboek als bedoeld in voorschrift 14 dient hierbij meegestuurd te worden.”
Voorschrift 16 luidt:

Het doden van de bever is niet toegestaan in gebieden met een ecologische functie”.