Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Deurne, de heffingsambtenaar
Inleiding
De relevante feiten
‘
Artikel 4. Planologische maatregel[…]3. Verzoeker betaalt een exploitatiebijdrage van € 7377,15 deze bijdrage komt overeen met de gemeentelijke kosten voor het behandelen van de aangevraagde planologische maatregel (totaal bedrag betreft € 9.765,15 minus de al betaalde kosten voor het principeverzoek € 2388,00). Deze gemeentelijke kosten worden met een afzonderlijke factuur in rekening gebracht. Betaling van de exploitatiebijdrage voor de gemeentelijke plankosten staat los van de door verzoeker ter zake van omgevingsvergunningen verschuldigde leges of bijdragen.’
Beoordeling door de rechtbank
De heffingsambtenaar geeft aan dat in de overeenkomst abusievelijk verkeerde termen zijn gebruikt die tot verwarring kunnen leiden. De incorrecte terminologie doet echter niet af aan de toegepaste wettelijke grondslag en tarieven. De heffingsambtenaar is het met eiser eens dat diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro zijn of worden verhaald, niet meer via de Legesverordening 2021 kunnen worden verhaald. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er geen factuur is gestuurd, zodat de kosten niet reeds zijn verhaald. Daarom staat artikel 4, onder f, van de Legesverordening 2021 niet in de weg aan de oplegging van de leges voor het RO-deel.
Het feit dat de gemeente geen plankostenscan heeft gemaakt voor de behandeling van het RO-deel, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. De door de gemeente verrichte werkzaamheden die het college vermeldt in het antwoord op het inlichtingenverzoek zijn plankosten. Voor het verhalen van plankosten is het op grond van afdeling 6.4 van de Wro niet vereist dat de gemeente die kosten heeft berekend op basis van de plankostenscan. [1] De rechtbank stelt verder vast dat het bij de leges-aanslag voor het RO-deel om dezelfde diensten gaat als de kosten voor de diensten in de overeenkomst. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college en ook de heffingsambtenaar hebben medegedeeld dat voor de bedragen die in artikel 4.3. van de overeenkomst zijn opgenomen voor het RO-deel is aangesloten bij de leges zoals deze zijn vastgesteld voor deze diensten in de Legesverordening 2021. De rechtbank is daarom van oordeel dat de werkzaamheden die zijn verricht vanwege artikel 4.3 van de overeenkomst vallen onder afdeling 6.4 van de Wro en dat voor die werkzaamheden de leges voor het RO-deel zijn opgelegd.
Dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat ‘leges’ in plaats van factuur had moeten staan in artikel 4.3 van de overeenkomst, zoals de heffingsambtenaar heeft bepleit, volgt de rechtbank niet. De heffingsambtenaar heeft erkend dat er zowel een fiscale als een privaatrechtelijke weg is voor kostenverhaal, zodat alleen al daarom niet aanstonds duidelijk is dat sprake is geweest van een kennelijke verschrijving.
De stelling van de heffingsambtenaar dat het moment van verzending van de factuur bepalend is kan niet worden gevolgd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt het niet-verzenden van de factuur er niet toe dat de kosten niet krachtens afdeling 6.4 van de Wro kunnen worden verhaald.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de heffingsambtenaar geen leges voor het behandelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het RO-deel, omdat is voldaan aan artikel 4, aanhef, en onder f, van de Legesverordening 2021. De beroepsgrond slaagt.