ECLI:NL:RBOBR:2025:7868

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
25/351
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling kinderopvangtoeslag in het kader van de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant wordt het beroep van eiseres tegen de besluiten van de Dienst Toeslagen inzake de herbeoordeling van haar aanspraken op kinderopvangtoeslag over meerdere jaren behandeld. Eiseres had verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009, met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire, op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank legt uit dat er geen sprake is van vooringenomenheid of schade die compensatie rechtvaardigt. Eiseres had in 2006 recht op kinderopvangtoeslag, maar er was geen sprake van vooringenomenheid of schade. Voor het jaar 2008 is er wel vooringenomenheid vastgesteld, maar de rechtbank concludeert dat eiseres geen recht had op compensatie omdat er in bepaalde maanden geen opvang was afgenomen. Voor het jaar 2009 oordeelt de rechtbank dat er geen recht op kinderopvangtoeslag was, omdat eiseres geen gebruik had gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De rechtbank bevestigt dat het bestreden besluit van 19 december 2024 in stand blijft, en dat eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is openbaar gedaan op 4 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/351

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Krari en mr. C. Cimen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van verweerder op het verzoek van eiseres om een herbeoordeling van haar aanspraken op kinderopvangtoeslag over meerdere toeslagjaren met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop en totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft op 2 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007, 2008 en 2009. In overleg met eiseres is ook het jaar 2006 beoordeeld.
2.1
Verweerder heeft onderzocht of bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag in de situatie van eiseres fouten zijn gemaakt. Daartoe heeft verweerder advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW), die op 28 december 2021 advies heeft uitgebracht.
2.2
Verweerder heeft op 30 augustus 2022 vier primaire besluiten genomen:
 UHT-DC-I A: over de herbeoordeling van toeslagjaar 2006 en toeslagjaar 2008 (maanden mei tot en met augustus en december) inzake vooringenomenheid;
 UHT-DH5 A: over de herbeoordeling van toeslagjaar 2006 en toeslagjaar 2008 (maanden mei tot en met augustus en december) inzake hardheid;
 UHT-DC I: over de herbeoordeling van toeslagjaar 2007 en toeslagjaar 2008 (de maanden januari tot en met april en de maanden september tot en met november);
 UHT-DHR: over de herbeoordeling van toeslagjaar 2009.
2.3
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze primaire besluiten.
2.4
De bezwaren van eiseres heeft verweerder voorgelegd aan de bezwaarschriftencommissie (BAC), die op 7 oktober 2024 advies heeft uitgebracht. De BAC heeft geadviseerd om het bezwaar van eiseres tegen beschikking UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en de overige bezwaren tegen deze beschikking en de andere drie beschikkingen ongegrond te verklaren, onder toewijzing van de proceskosten.
2.5
In het bestreden besluit van 19 december 2024 volgt verweerder het advies van de BAC, en wordt dus gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiseres en worden de overige bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het totale compensatiebedrag vastgesteld op € 47.207,- en heeft verweerder de proceskosten in bezwaar vergoed. Eiseres is het niet eens met dat besluit en heeft daartegen beroep ingesteld.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 19 december 2024 hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Toeslagjaar 2005
4. Eiseres voert aan dat ook het toeslagjaar 2005 beoordeeld had moeten worden. Verweerder heeft dit tijdens de hoorzitting op 25 juli 2024 (in de bezwaarprocedure) namelijk toegezegd. Voor zover mogelijk verzoekt eiseres dan ook in deze beroepsprocedure alsnog de herbeoordeling voor 2005 te betrekken.
5. De rechtbank zal toeslagjaar 2005 niet bij deze beroepsprocedure betrekken. Daarvoor is allereerst van belang dat zowel het verzoek van eiseres om herbeoordeling als de primaire besluiten géén betrekking hebben op het toeslagjaar 2025. Anders dan betoogd door eiseres volgt uit het verslag van de hoorzitting van 25 juli 2024 ook niet dat verweerder de toezegging gedaan zou hebben dat in de onderhavige procedure alsnog het toeslagjaar 2005 zou worden beoordeeld. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat er nog een besluit volgt voor toeslagjaar 2005, waartegen eiseres eventueel een rechtsmiddel kan instellen.
Toeslagjaar 2006
6. Eiseres voert aan dat 2006 een problematisch en heftig jaar voor haar was. Er lijkt sprake van het door verweerder systematisch en stelselmatig controleren van eiseres met kennelijk een voor haar onbekende achterliggende reden. Dit is vooringenomen jegens eiseres. Op die grond moet eiseres gecompenseerd worden.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres in 2006 recht had op kinderopvangtoeslag, waarbij het jaarbedrag (uiteindelijk) is vastgesteld op € 7.692. Op dit bedrag heeft nimmer een neerwaartse correctie of nihil-stelling plaatsgevonden en van terugvordering van te veel ontvangen voorschot(ten) is (dan ook) geen sprake geweest. Niet in geschil is dat van geleden schade als gevolg van vooringenomenheid of hardheid met betrekking tot een dergelijke terugvordering geen sprake is, waarvoor ook niet hoeft te worden gecompenseerd. Eiseres wil wel gecompenseerd worden wegens vooringenomenheid omdat in 2006 sprake was van het door verweerder systematisch en stelselmatig controleren van haar met een voor haar onbekende achterliggende reden.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet heeft hoeven te compenseren voor het toeslagjaar 2006. Daarvoor is allereerst van belang dat verweerder in het bestreden besluit en in het verweerschrift voldoende gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom van vooringenomenheid geen sprake is geweest bij de kinderopvangtoeslag-beoordeling over 2006. Zo heeft verweerder er op gewezen dat er geen aanwijzing is dat de kinderopvangtoeslag in 2006 is stopgezet, dat een zero tolerance-onderzoek heeft plaatsgevonden, dat een brede uitvraag heeft plaatsgevonden of dat de kinderopvangtoeslag 2006 is gereduceerd naar aanleiding van een geringe onregelmatigheid. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat geen sprake is van vooringenomenheid op de grond dat verweerder slechts zou hebben verwezen naar het ontbreken van een neerwaartse correctie. Daarbij komt dat er over 2006 geen sprake is van geleden schade vanwege verminderen, niet toekennen of beëindigen van kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij andere schade heeft geleden.
Toeslagjaar 2008
9. Eiseres voert aan dat over het toeslagjaar 2008 ten onrechte geen compensatie is toegekend over de maanden mei tot en met augustus en december. Over de andere maanden van 2008 is namelijk wel compensatie toegekend. Nu de terugvordering het gehele jaar heeft gelopen en eiseres daarin ook is benadeeld, is compensatie voor geheel 2008 toepasselijk.
10. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van eiseres bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in het toeslagjaar 2008 sprake is geweest van vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt echter dat compensatie niet wordt toegekend indien de door eiseres geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar te wijten zijn. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat hieronder ook de situatie valt waarin evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat. [1] In de Memorie van Toelichting staat hierover het volgende:
“Het niet toekennen van compensatie als sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag (in onderstaand citaat: KOT) toerekenbaar is, sluit aan bij het advies van de Adviescommissie uitvoering toeslagen. Over wanneer in de CAF 11-zaak sprake is geweest van een ernstige onregelmatigheid schrijft die commissie: “Daarvan is in ieder geval sprake indien uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op KOT bestond in het onderzochte toeslagjaar. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kind waarvoor KOT is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten. Een ander voorbeeld vormen de gevallen waarin in twee gezinnen de ouders tegelijkertijd passen op elkaars kinderen, zonder dat een ander dienstverband bestaat. Ook als de toeslagpartner geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland bestaat er evident geen recht op KOT.””
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet heeft hoeven te compenseren over de maanden mei tot en met augustus en december van het toeslagjaar 2008. Niet in geschil is namelijk dat eiseres in de maanden mei tot en met augustus en december 2008 geen opvang heeft afgenomen bij een erkende kinderopvanginstelling. Daarmee is er sprake van een voorbeeld van “evident geen recht” zoals genoemd in voorgaand citaat. De reden waarom er die maanden geen opvang is afgenomen en dat dit niet te wijten is aan eiseres – zoals betoogd ter zitting – maakt deze feitelijke vaststelling niet anders. Dat er gedurende het gehele jaar 2008 een terugvordering heeft gelopen, maakt ook niet dat eiseres gedurende genoemde maanden waarin “evident geen recht” bestond, toch recht zou hebben op compensatie.
Toeslagjaar 2009
11. Eiseres voert aan dat ten aanzien van toeslagjaar 2009 ten onrechte niet is gecompenseerd op basis van vooringenomenheid maar op basis van hardheid, omdat er geen gebruik zou zijn gemaakt van geregistreerde kinderopvang. In 2009 is de kinderopvangtoeslag om onbekende reden doorgelopen, wat tot een terugvordering heeft geleid. Dit levert voor eiseres vooringenomenheid op. Er is namelijk foutief gehandeld, wat nadeel heeft opgeleverd voor eiseres.
13. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres geen recht op kinderopvangtoeslag had in 2009, omdat zij dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
14. De rechtbank is van oordeel dat daardoor geen sprake kan zijn van door eiseres geleden schade als gevolg van vooringenomenheid. Dat in 2009 de kinderopvangtoeslag ten onrechte is doorgelopen middels voorschotbetalingen -wat heeft geleid tot een terugvordering- maakt dit niet anders. Daarbij komt dat de (automatisch) doorgelopen voorschotbetalingen destijds zijn betaald aan het kinderdagverblijf, die een groot deel van deze betalingen uiteindelijk ook weer heeft terugbetaald aan verweerder, op een bedrag na van € 1.969,65. Dit bedrag is eerst van eiseres teruggevorderd. Omdat zij hierdoor volgens verweerder echter onevenredig hard werd geraakt, heeft verweerder eiseres in aanmerking gebracht voor compensatie van dit bedrag op grond van hardheid. De rechtbank is van oordeel verweerder niet onjuist heeft gehandeld door op basis van hardheid, en niet op basis van vooringenomenheid, compensatie toe te kennen aan eiseres.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van 19 december 2024 in stand blijft.
16. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, voorzitter, en mr. D.J.M. van de Voort, en mr. M. Kleijn Hesselink, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 72.