ECLI:NL:RBOBR:2025:7797

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
WR 25/035
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens te late indiening en gebrek aan ontvankelijkheid

Op 27 november 2025 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant een beslissing genomen op het wrakingsverzoek van verzoeker, dat was ingediend op 12 november 2025. Het verzoek strekte tot wraking van mr. V.R. de Meyere, de rechter in een aantal zaken waarin verzoeker betrokken was. Verzoeker had onder andere gegriefd dat de rechter partijdig had gehandeld door een jurist van de GI toe te laten zonder voorafgaande kennisgeving. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien de omstandigheden die aanleiding gaven tot het verzoek al tijdens de zitting op 5 november 2025 bekend waren. Verzoeker had eerder op die datum al een wrakingsverzoek ingediend, maar dit ingetrokken na overleg met zijn advocaat. De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker niet-ontvankelijk was in zijn verzoek tot wraking, omdat de wet vereist dat een verzoek tot wraking onmiddellijk na het bekend worden van de omstandigheden wordt ingediend. De beslissing werd openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/035
Beslissing van 27 november 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. V.R. de Meyere,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijk uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 november 2025;
- het aanvullende schriftelijke wrakingsverzoek van 13 november 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 19 november 2025;
- het proces-verbaal van de zitting op 5 november 2025.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummers C/01/419257 / JE RK 25-1261, C/01/420195 / JE RK 25-1418 en C/01/419302 / JE RK 25-1274. In deze zaken gaat het om meerdere verzoeken van verzoeker. Hij verzoekt om een bijzondere curator te benoemen. Daarnaast verzoekt hij in geval van een machtiging uithuisplaatsing, primair vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing en te bepalen dat verzoeker zijn zoon op woensdagmiddag en zaterdag- of zondagmiddag ziet, door de Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna: GI) uit te breiden. Subsidiair vordert hij in geval van een uithuisplaatsing te bepalen dat met behulp van afspraken de omgang onbegeleid en frequenter kan plaatsvinden en te bepalen dat de GI ervoor zorgdraagt dat de zoon per direct geheel of deels fysiek onderwijs volgt op zijn huidige school. De GI heeft een verzoek gedaan om het gezag gedeeltelijk, voor zover het de aanmelding van de minderjarige zoon bij een onderwijsinstelling betreft, toe te kennen aan de GI. De mondelinge behandeling (de zitting) van deze zaken was op 5 november 2025.
2.2.
Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat de GI een jurist heeft meegebracht naar de zitting zonder dat dit vooraf aan hem was medegedeeld en tegen wie hij niets kan beginnen omdat zij niet een advocaat is op wie het tuchtrecht van toepassing is. Door deze jurist toestemming te verlenen om de zitting bij te wonen, heeft de rechter partijdig gehandeld en heeft dit geleid tot een ongelijkwaardige positie van verzoeker. Voorts had de rechter kritische vragen moeten stellen aan de moeder nu zij de minderjarige niet naar het kindgesprek heeft gebracht en is het zorgelijk dat de rechter hetgeen verzoeker heeft voorgedragen ten aanzien van Humanitas BOR direct als negatief heeft bestempeld.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Hij wijst er op dat verzoeker pas op 12 november 2025 het wrakingsverzoek heeft ingediend, zeven dagen nadat de zitting heeft plaatsgevonden. Bovendien zijn de eerste twee genoemde gronden feitelijk gelijk aan de gronden die verzoeker op 5 november 2025 tijdens de zitting naar voren heeft gebracht.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Het verzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op de zitting van 5 november 2025 en het verzoek is gedaan op 12 november 2025. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. Bij dat oordeel betrekt de wrakingskamer dat verzoeker ook tijdens de zitting op 5 november 2025 een wrakingsverzoek heeft ingediend, maar dat verzoek na overleg met zijn advocaat heeft ingetrokken. Voor de door verzoeker bij aanvullende mail van 13 november 2025 ingediende derde wrakingsgrond geldt het voorgaande eveneens nu ook die derde wrakingsgrond zich had voorgedaan tijdens de zitting van 5 november 2025. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de wrakingskamer daarom niet toe.
3.3.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. F.R. Roll en
mr. M.F.M.T. Franke, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.