In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 26 november 2025 een beslissing genomen over een wrakingsverzoek van verzoeker, die betrokken is in een procedure met betrekking tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon. Verzoeker had eerder een verzoek ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming, dat leidde tot een beschikking van de rechter op 15 juli 2025. Verzoeker was het niet eens met de gang van zaken en diende op 25 oktober 2025 een wrakingsverzoek in tegen mr. M. de Vries, de rechter die de beschikking had gegeven. De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk was, omdat het was ingediend na de einduitspraak in de hoofdzaak. De wet staat geen wraking toe na een einduitspraak. Bovendien oordeelde de wrakingskamer dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikte, aangezien hij al meerdere wrakingsverzoeken had ingediend die niet gegrond waren en die leidden tot onredelijke vertraging van de procedures. De wrakingskamer besloot dat een volgend wrakingsverzoek met betrekking tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van verzoekers zoon niet meer in behandeling zou worden genomen. De beslissing werd openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.