ECLI:NL:RBOBR:2025:7791

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
WR 25/030
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van de rechter na einduitspraak in een jeugdzorgzaak

In de zaak met procedurenummer C/01/419950 JE RK 25-1382 heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om de minderjarige zoon van verzoeker voorlopig onder toezicht te stellen en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De rechter, mr. M.R.A. de Werd, heeft op 13 oktober 2025 op dit verzoek beslist. Verzoeker, die het niet eens was met deze gang van zaken, heeft op 21 oktober 2025 een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter.

De wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 november 2025 het wrakingsverzoek beoordeeld. Volgens artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter gewraakt worden op basis van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter in gevaar kunnen brengen. Echter, de wrakingskamer heeft vastgesteld dat het verzoek tot wraking is ingediend na de einduitspraak van de rechter, wat in strijd is met de wettelijke bepalingen.

De wrakingskamer heeft geconcludeerd dat verzoeker niet-ontvankelijk kan worden verklaard in zijn wrakingsverzoek, omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om een rechter te wraken na het doen van een einduitspraak. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/030

Beslissing van 25 november 2025

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. M.R.A. de Werd,

hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
In de zaak met procedurenummer C/01/419950 JE RK 25-1382 is verzoeker partij. In deze zaak gaat het om een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de minderjarige zoon van verzoeker voorlopig onder toezicht te stellen en gedurende deze periode een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.
1.2
De rechter heeft met de beschikking van 13 oktober 2025 beslist op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoeker heeft op 21 oktober 2025 zijn wrakingsverzoek ingediend.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan het niet eens te zijn met de gang van zaken rond de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarig kind. Daarnaast voert verzoeker aan dat sprake is van een oneerlijke behandeling waardoor hij wordt achtergesteld.
2.2
Op 29 oktober 2025 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Uit deze reactie blijkt dat de rechter niet berust in het wrakingsverzoek.

De beoordeling van het wrakingsverzoek

3.1
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet voorop staan dat een rechter door zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.2
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk verklaren indien het wrakingsverzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer merkt in dit verband op dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, als de behandeling van de zaak is geëindigd doordat einduitspraak is gedaan, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan.
3.3
De rechter heeft de beslissing mondeling gegeven op 13 oktober 2025, terwijl verzoeker zijn wrakingsverzoek op 21 oktober 2025 heeft ingediend. Het verzoek is dus gedaan nadat de rechter uitspraak heeft gedaan. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.4
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. S.J.W. Hermans en
mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).