ECLI:NL:RBOBR:2025:7747

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
01.387742.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door afleiding door mobiele telefoon

Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een verkeersongeval op 2 mei 2024 te Valkenswaard. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, als bestuurder van een personenauto, zich schuldig had gemaakt aan een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte was afgeleid door het gebruik van zijn mobiele telefoon, waardoor hij niet tijdig zijn voertuig tot stilstand kon brengen en achterop een motorrijder botste. Dit leidde tot zwaar lichamelijk letsel bij de bestuurster van de motor. De rechtbank achtte de bewezenverklaring van de overtreding gerechtvaardigd, ondanks de verdediging die vrijspraak bepleitte op basis van het telefoongebruik. De rechtbank legde een taakstraf op van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.387742.24
Datum uitspraak: 27 november 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1 primair:hij op of omstreeks 2 mei 2024 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Hyundai), daarmede rijdende over de weg, de N69 Luikerweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt: verdachte heeft rijdende over de N69 Luikerweg (komende uit de richting van België en gaande in de richting van Valkenswaard), ter hoogte van hectometerpaal 48.3, terwijl hij tijdens het rijden handelingen aan het verrichten was op zijn mobiele telefoon en/of op zijn mobiele telefoon aan het kijken was en/of zijn mobiele telefoon vasthield, onvoldoende aandacht gehad en/of gehouden voor de verkeerssituatie aldaar en/of heeft een op het weggedeelte voor hem ontstane file niet (tijdig) opgemerkt en/of was niet in staat om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte met zijn personenauto achterop een voor hem rijdende motorfiets is gebotst/gereden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , (zijnde bestuurster van die motorfiets) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken bekken en/of 7 gebroken ribben en/of gebroken borstbeen en/of klaplong en/of kneuzing long en/of hersenschudding en/of scheur in schouderblad en/of gebroken schouder en/of gebroken arm en/of wond in haar gezicht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 2 mei 2024 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Hyundai) daarmee rijdende op de weg, de N69 Luikerweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte rijdende over de N69 Luikerweg (komende uit de richting van België en gaande in de richting van Valkenswaard), ter hoogte van hectometerpaal 48.3, terwijl hij tijdens het rijden handelingen aan het verrichten was op zijn mobiele telefoon en/of op zijn mobiele telefoon aan het kijken was en/of zijn mobiele
telefoon vasthield, onvoldoende aandacht gehad en/of gehouden voor de verkeerssituatie aldaar en/of heeft een op het weggedeelte voor hem ontstane file niet (tijdig) opgemerkt en/of was niet in staat om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte met zijn personenauto achterop een voor hem rijdende motorfiets is gebotst/gereden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de file niet op tijd had gezien en dat hij niet op tijd heeft geremd. Daarbij heeft verdachte verklaard dat hij vlak voor het ongeval niet met zijn telefoon bezig was en daardoor werd afgeleid.
De raadsvrouw van verdachte heeft – zakelijk weergegeven en onder meer – op de in de pleitnota beschreven gronden vrijspraak bepleit ten aanzien van het telefoongebruik en het tenlastegelegde roekeloos rijgedrag. Dit dient, aldus de verdediging, te leiden tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich, behoudens het tenlastegelegde telefoongebruik, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
De feiten en omstandigheden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte met zijn auto op donderdag 2 mei 2024 rond kwart over acht ’s ochtends reed op de Luikerweg (N69). Hij kwam uit België en reed richting Valkenswaard. Deze weg, met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, komt uit op een rotonde aan de rand van Valkenswaard. Het was die dag, tijdens de ochtendspits, druk op de weghelft waar verdachte op reed. Hierdoor ontstond een file.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte reed met een gemiddelde snelheid van 72 kilometer per uur. Verdachte heeft een bestuurster van een motor van achteren aangereden. Vervolgens is de auto van verdachte over die motorrijder heen gereden. De bestuurster van die motor heeft vanwege het ongeval ernstige en blijvende verwondingen opgelopen.
Verdachte erkent dat hij onvoldoende oplettend is geweest, dat hij de motorrijder niet (tijdig) heeft gezien en eerder had moeten remmen. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij zijn telefoon vlak voor het ongeval handmatig heeft bediend. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt echter dat de telefoon van verdachte (middels het invoeren van een toegangscode) ongeveer 240 meter voor de plaats van het ongeval is ontgrendeld. Op 40 meter voor de plaats van het ongeval is het scherm van zijn telefoon nog aangeraakt. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat verdachte vlak voor het ongeval zijn telefoon heeft ontgrendeld en zijn scherm heeft aangeraakt om zijn telefoon te bedienen. Dat verdachte hierdoor afgeleid is geraakt ligt hiermee in de rede. De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat uit de gegevens van de app Spotify blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval luisterde naar een podcast en dat hij deze podcast pas na het ongeval heeft stopgezet. Hieruit zou volgens de raadsvrouw blijken dat verdachte niet vlak voor, maar pas na het ongeval zijn telefoon heeft ontgrendeld (om de podcast stop te zetten). De uit het onderzoek naar voren gekomen tijdstippen waarop het telefoonscherm is aangeraakt en ontgrendeld zouden daarom niet accuraat zijn. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Dat verdachte pas na het ongeval de podcast op Spotify heeft stopgezet, leidt niet tot de conclusie dat verdachte daarom niet vlak voor het ongeval op zijn telefoon kan hebben gezeten. Uit het onderzoek naar de telefoondata is immers slechts gebleken dat verdachte zijn scherm heeft aangeraakt en heeft ontgrendeld middels een toegangscode vlak voor het ongeval. Uit deze bevindingen volgt niet dat verdachte op dat moment ook de podcast heeft stopgezet. Hetgeen verdachte en de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren hebben gebracht brengen de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.
De rechtbank zal op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden nu ingaan op de vraag welk strafbaar feit het handelen van verdachte oplevert.
Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich als deelnemer aan het verkeer zo heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld.
De rechtbank waardeert het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte was afgeleid doordat hij zijn telefoon aan het gebruiken was en heeft (mede) daardoor niet de file voor hem gezien. Verdachte reed vaker (in de ochtendspits) op de desbetreffende weg en wist dan ook dat er files konden ontstaan. Verdachte had daarom extra alert moeten zijn. Die alertheid had verdachte niet, zoals uit het vorenstaande blijkt.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, leidt de omstandigheid dat de rechtbank roekeloos rijgedrag niet bewezen verklaart niet tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Immers kan schuld in de zin van artikel 6 WVW bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld.
De aard van het letsel.
In onderlinge samenhang bezien, dient het door het slachtoffer opgelopen letsel, zijnde een hoofdwond, een hersenschudding, gebroken ribben, een kneuzing van de long, een kleine klaplong, een bekkenfractuur en een sternumfractuur en/of ulnafractuur, te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het slachtoffer heeft meerdere ingrijpende operaties moeten ondergaan. Uit de door de partner van het slachtoffer ter terechtzitting gegeven slachtofferverklaring blijkt ook dat van volledig herstel nog geen sprake is en dat het ongeval een grote impact heeft gehad en nog steeds heeft op het slachtoffer.
Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde feit bewezen zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 2 mei 2024 te Valkenswaard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Hyundai), daarmede rijdende over de weg, de N69 Luikerweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam te handelen,
immers heeft verdachte rijdende over de N69 Luikerweg (komende uit de richting van België en gaande in de richting van Valkenswaard), ter hoogte van hectometerpaal 48.3, terwijl hij tijdens het rijden handelingen aan het verrichten was op zijn mobiele telefoon en/of op zijn mobiele telefoon aan het kijken was en/of zijn mobiele telefoon vasthield,
onvoldoende aandacht gehad en gehouden voor de verkeerssituatie aldaar en heeft verdachte een op het weggedeelte voor hem ontstane file niet (tijdig) opgemerkt en was hij, verdachte, niet in staat om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte met zijn personenauto achterop een voor hem rijdende motorfiets is gebotst/gereden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , (zijnde bestuurster van die motorfiets) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken bekken en gebroken ribben en een gebroken borstbeen en een klaplong en een kneuzing van de long en een hersenschudding en een scheur in het schouderblad en een gebroken schouder en een gebroken arm en een wond in haar gezicht, werd toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot:
  • een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis en;
  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat de rechtbank verzocht rekening te houden met de schuldbewustheid van verdachte en de wijze waarop hij zich om het slachtoffer heeft bekommerd, de persoonlijke impact die het ongeval voor hem heeft gehad en het gegeven dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en voor zijn twee jonge kinderen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft op aanmerkelijk onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn auto bestuurd, waardoor een verkeersongeval en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer is ontstaan. Het slachtoffer draagt hiervan nog altijd de gevolgen. De impact van het ongeval op haar persoonlijke leven en het leven van haar gezin is dan ook groot geweest. Onduidelijk is nog of en in welke mate het slachtoffer volledig zal kunnen herstellen. In elk geval zal zij het door het ongeval toegebrachte leed nog lang met zich moeten dragen. De rechtbank realiseert zich dat verdachte dit leed op geen enkele wijze heeft gewenst, maar dat neemt niet weg dat door zijn handelen het leed is toegebracht.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting, buiten zijn ontkenning van het telefoongebruik om, verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte ook vlak na het ongeval contact heeft onderhouden met het slachtoffer tot het moment dat het slachtoffer het contact niet meer wenste. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met het gegeven dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
De op te leggen straffen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank zal, alles overwegende, verdachte veroordelen tot een taakstraf, hoger dan door de officier van justitie geëist, voor de duur van 180 uren te vervangen door 90 dagen hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank ziet op dit moment, anders dan de officier van justitie, onvoldoende reden om nu een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen aan verdachte.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht
6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

-
verklaarthet onder feit 1 primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
-
verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
-
verklaartdat het bewezenverklaarde oplevert het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
-
verklaartverdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:

Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis;

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 27 november 2025.