Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2025 in de zaken tussen
[naam] B.V., uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Voor de gronden die in gebruik zijn bij de diervoederfabriek geldt het bestemmingsplan “Partiële herziening Gemert-Bakel Stedelijke gebieden”. Hierin heeft het perceel waarop het bedrijf wordt geëxploiteerd de bestemming
- Eisers wonen in de directe nabijheid van de inrichting.
- Voor de inrichting zijn in het verleden meerdere milieu- en omgevingsvergunningen verleend en meldingen geaccepteerd. De voor deze zaken belangrijkste zijn een op
- Op 14 juli 2017 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning bij het college ingediend voor - kort gezegd - de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders in haar bedrijf voor de activiteit “milieu” (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo). Vergunninghoudster heeft de aanvraag in de periode tot en met juli 2021 aangevuld met verschillende onderzoeksrapporten, documenten en plattegronden. De aanvraag heeft betrekking op de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders van 275.000 ton per jaar naar 375.000 ton per jaar (geperste en meelproducten), die wordt gerealiseerd door een uitbreiding van de bestaande maal- en menglijn en optimalisatie van perslijnen.
- Met ingang van 11 augustus 2021 heeft het ontwerpbesluit tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben hiertegen zienswijzen ingediend.
Beoordeling beroepsgronden
Naar het oordeel van de rechtbank kan het college zich in dit geval dan ook niet beroepen op de aanvraag van vergunninghoudster en stellen dat het een kwestie is van handhaving. De onduidelijke situatie aan de noordzijde van de inrichting ten tijde van het bestreden besluit had voor het college aanleiding moeten zijn om ofwel de aanvraag buiten behandeling te laten op basis van artikel 2.7 van de Wabo, ofwel vergunninghoudster in de gelegenheid te stellen de aanvraag te verduidelijken of te wijzigen zodat uit het bestreden besluit duidelijk volgt dat niet wordt gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het college heeft nu een onduidelijke situatie vergund en handelt hiermee in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het bestreden besluit een revisievergunning is, oftewel een vergunning die, als zij onherroepelijk wordt, ertoe leidt dat eerdere vergunningen die op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo zijn verleend, van rechtswege vervallen en daarmee als uitgangspunt zal gaan dienen voor het bedrijf in de toekomst. Deze gebreken vormen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand onder wijziging van en aanvulling met de volgende voorschriften:
- bepaalt dat de inrichtingstekening die wordt getoond in bijlage 2 van deze uitspraak, deel uitmaakt van het besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 181,00 aan zowel eisers 1 als eiser 2 moet vergoeden.
mr. J.H.G van den Broek, leden,in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.