ECLI:NL:RBOBR:2025:7586

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/01/413754 / EX RK 25-39
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige bewijsverrichtingen en inzage in gegevens in civiele zaak tussen ex-partners over huurinkomsten en gebruiksvergoeding

In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Oost-Brabant, heeft de verzoeker, [verzoeker], een verzoek ingediend voor voorlopige bewijsverrichtingen op basis van artikel 196 lid 1 Rv. Dit verzoek betreft een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopig deskundigenbericht, in het kader van een geschil met de verwerende partij, [verweerster]. De partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn gezamenlijk eigenaar van [naam pand]. Na het beëindigen van hun relatie is er onenigheid ontstaan over de financiële afwikkeling van huurinkomsten en andere aanspraken. De rechtbank heeft op 20 november 2025 uitspraak gedaan, waarbij het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor is toegewezen. De rechtbank oordeelde dat de verzoeker voldoende belang heeft bij het horen van getuigen over de huurinkomsten en provisieaanspraken. Daarnaast is er een voorlopig deskundigenbericht gelast om de gebruiksvergoeding voor het gebruik van [naam pand] door [verweerster] vast te stellen. De rechtbank heeft ook een verzoek tot inzage in bepaalde gegevens toegewezen, waarbij [verweerster] verplicht is om afschriften van relevante documenten te verstrekken. De uitspraak benadrukt het belang van voorlopige bewijsverrichtingen in het kader van de nieuwe wetgeving omtrent bewijsrecht, die op 1 januari 2025 in werking is getreden.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: C/01/413754 / EX RK 25-39
Beschikking van 20 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaten: mrs. M.J.W. van Ingen en I.F.M. Lakwijk,
tegen
[verweerster],
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaten: mrs. E.A. van Nimwegen en L. Talamoni.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen op de griffie op 18 maart 2025, met 10 bijlagen,
- het verweerschrift met 12 bijlagen.
1.2.
De zaak is tijdens een mondelinge behandeling op 23 september 2025 met partijen, in aanwezigheid van hun advocaten, besproken. Zowel de advocaten van [verzoeker] als de advocaten van [verweerster] hebben ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken. Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De zaak in het kort

[verzoeker] en [verweerster] hebben een affectieve relatie gehad. Gedurende hun relatie zijn zij gezamenlijk (ieder voor de helft) eigenaar van [naam pand] geworden. Een deel van het bijbehorende terrein is enige tijd door partijen verhuurd ten behoeve van de opvang van asielzoekers. Na het eindigen van de relatie tussen partijen is tussen hen discussie ontstaan over de financiële afwikkeling van (onder meer) de huurinkomsten, vermeende commissie-aanspraken en een gebruiksvergoeding voor het gebruik door van [verweerster] van [naam pand] .
3. Het geschil
3.1.
[verzoeker] vraagt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopig deskundigenbericht. Ook verzoekt [verzoeker] om [verweerster] te bevelen aan hem een afschrift te verstrekken van:
1. Gegevens ten aanzien van de
inkomsten uit provisievan Le Cocq Holding Didam II B.V. (hierna: LCHD), te weten:
a. de overeenkomsten tussen [A] B.V. en LCHD ten aanzien van de opvang van asielzoekers en de (e-mail)correspondentie daaromtrent;
b. een opgave hoeveel provisie [A] B.V. heeft ontvangen van LCHD met de provisie die ten aanzien daarvan ziet op de verhuur van [naam pand] uitgesplitst, alsmede een opgave wat is geschied met het aan [verzoeker] toekomende deel van die provisie en welke betalingen daaruit zijn gedaan aan [verweerster] ;
c. de volledige app-correspondentie tussen [B] en [verweerster] , waaruit in randnummer 40 e.v. van het verzoekschrift is geciteerd, over de periode van een maand voorafgaand aan de geciteerde berichten (zomer 2023) tot een half jaar daarna, en voorts (buiten die periode) alle berichten uit hun Whatsapp-conversatie die betrekking hebben op provisieaanspraken op LCHD en/of verhuur van dan wel inkomsten uit [naam pand] ;
2. Gegevens ten aanzien van de
huurinkomsteningevolge het gebruik van [naam pand] voor
opvang van asielzoekers, te weten:
a. alle huurfacturen die ter zake [naam pand] , enig deel van (de terreinen dan wel het gebouw van) [naam pand] en/of op de locatie [naam pand] te gebruiken zaken zijn gestuurd aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA);
b. alle huurinkomsten die ter zake [naam pand] , enig deel van (de terreinen dan wel het gebouw van) [naam pand] en/of op de locatie [naam pand] te gebruiken zaken met het COA zijn gesloten,
c. een overzicht van alle betalingen die het COA ter zake huur van enig deel van (de terreinen dan wel het gebouw van) [naam pand] en/of op de locatie [naam pand] te gebruiken zaken heeft gedaan, met vermelding van bedrag, datum en tegenrekening van elke betaling;
3. Gegevens ten aanzien van de
overige huurinkomsten, te weten:
a. opgaaf van alle huurinkomsten, anders dan in relatie tot gebruik door het COA, die ter zake [naam pand] , enig deel van (de terreinen dan wel het gebouw van) [naam pand] en/of op de locatie [naam pand] te gebruiken zaken zijn gesloten;
b. een overzicht van alle betalingen die ter zake huur van enig deel van (de terreinen dan wel het gebouw van) [naam pand] en/of op de locatie [naam pand] te gebruiken zaken zijn ontvangen, met vermelding van bedrag, datum en tegenrekening van elke betaling.
3.2.
[verweerster] heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verzoeker] . Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, verder worden ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
In deze zaak verzoekt [verzoeker] de rechtbank om meerdere voorlopige bewijsverrichtingen te gelasten. Hieronder zal de rechtbank eerst in het algemeen het wettelijk kader schetsen waarbinnen deze verzoeken moeten worden beoordeeld. Daarna zal zij de verzoeken afzonderlijk bespreken.
Het wettelijk kader
4.2.
Alle verzoeken van [verzoeker] betreffen verzoeken tot het toestaan van voorlopige bewijsverrichtingen. Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht ingetreden, waardoor onder meer de bepalingen over voorlopige bewijsverrichtingen zijn veranderd. Omdat het verzoek van [verzoeker] daarna (namelijk op 18 maart 2025) is ingediend, zullen de verzoeken aan deze nieuwe bepalingen getoetst worden.
4.3.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Als het verzoek aan de formele vereisten van artikel 197 Rv voldoet, moet de rechter het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, tenzij de rechter van oordeel is dat sprake is van een of meer van de in artikel 196 lid 2 Rv genoemde afwijzingsgronden. Daarvan is sprake als:
de informatie die verlangd wordt, onvoldoende bepaald is;
er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid;
andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

1.Het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor

4.4.
Na vermindering van zijn verzoek ter zitting, vraagt [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten ten aanzien van twee onderwerpen. Deze verzoeken zullen hieronder afzonderlijk worden beoordeeld.
Ten aanzien van de inkomsten uit [naam pand] c.q. provisieaanspraken op LCHD
4.5.
Allereerst verzoekt [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten ten aanzien van de huurinkomsten uit [naam pand] en ten aanzien van (vermeende) provisieaanspraken jegens LCHD. [verzoeker] stelt dat hem concrete signalen hebben bereikt dat [verweerster] een deel van de huurinkomsten aan zijn zicht heeft onttrokken. Die stelling heeft hij onderbouwd met een mail van [C] namens LCHD aan zijn accountant (dhr. [D] ), waarin wordt gesproken over de verhuur van extra spreekkamers, terwijl die niet voorkomen in de brief van de advocaat van [verweerster] van 12 september 2024. Daarnaast zou [verweerster] een afspraak hebben gemaakt met LCHD, die inhield dat LCHD haar provisie zou betalen aan het [verweerster] concern over de huurinkomsten die LCHD ontving van het COA voor de opvang van asielzoekers op (onder meer) [naam pand] . [verzoeker] heeft het vermoeden dat ook deze provisie ten onrechte door [verweerster] is achtergehouden. Hij heeft dit onderbouwd met whatsapp-berichten tussen [verweerster] en haar vader, waarin wordt gesproken over een bedrag van € 500.000,- dat op grond van een vaststellingsovereenkomst zou zijn overgemaakt naar [verweerster] Participaties.
4.6.
[verweerster] heeft aangevoerd dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen, omdat [verzoeker] daar onvoldoende belang bij heeft en omdat sprake zou zijn van misbruik van procesrecht.
4.7.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] toewijzen. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het verzoek voldoet aan de formele vereisten van artikel 197 Rv, zodat het moet worden toegewezen, tenzij sprake zou zijn van één van de in artikel 196 lid 2 Rv genoemde afwijzingsgronden. Dat is niet het geval. [verzoeker] heeft voldoende belang bij zijn vordering. Vast staat dat partijen elk voor een deel zijn gerechtigd tot de (huur)inkomsten van [naam pand] . Dat maakt dat [verzoeker] belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor, nu hij de vrees heeft dat [verweerster] gelden aan zijn zicht heeft onttrokken. De enkele omstandigheid dat [verweerster] dit betwist, maakt nog niet dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek of dat het verzoek onvoldoende concreet is. Volgens vaste jurisprudentie, die ook onder het nieuwe recht relevant is gebleven, hoeft een partij die een voorlopig getuigenverhoor vraagt, in zijn verzoek nog niet nauwkeurig aan te geven welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen. Hij moet wél voldoende duidelijk – en dus ook voldoende concreet – vermelden over welk (feitelijk) gebeuren de getuigen zullen worden gehoord en waarom de te horen getuigen hierover mogelijk kunnen verklaren. Een voorlopig getuigenverhoor dient er juist toe om de verzoeker in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen en om zijn proceskansen in een eventuele procedure beter in te schatten. [verzoeker] heeft voldoende concreet gemaakt over welke punten hij de getuigen wenst te bevragen in verband met de mogelijk door hem in te stellen vordering en aangeven waarom de genoemde getuigen hierover zouden kunnen verklaren. Verder geldt dat er zonder nadere toelichting van [verweerster] , die ontbreekt, geen aanleiding is om aan te nemen dat een potentiële vordering van [verzoeker] bij voorbaat kansloos zou zijn, zoals [verweerster] betoogt. De rechtbank wijst erop dat dit, gelet op de aard en het doel van een voorlopige bewijsverrichting, niet te lichtvaardig mag worden aangenomen.
4.8.
De rechtbank acht het verzoek bovendien niet in strijd met de goede procesorde. Artikel 196 Rv strekt ertoe te voorkomen dat een al lopende hoofdzaak wordt doorkruist door een voorlopige bewijsverrichting. Op het moment dat [verzoeker] zijn verzoek indiende, was er nog geen hoofdzaak aanhangig, dus is het op tijd ingediend en is er geen sprake van ‘doorkruising’ van de hoofdzaak. Het verweer van [verweerster] dat sprake is van strijd met de goede procesorde omdat [verzoeker] het verzoek heeft ingediend enkele dagen voordat zij een hoofdzaak aanhangig maakte, vindt geen steun in het recht. Als een dergelijke uitleg van de wet zou worden gevolgd, zou iedere partij die liever geen voorlopige bewijsverrichtingen ziet, de toewijzing daarvan kunnen voorkomen door meteen na kennisname van het daartoe strekkende verzoek een dagvaarding over dezelfde kwestie uit te brengen: onder het nieuwe bewijsrecht is het immers niet langer mogelijk om tijdens een lopende hoofdzaak nog om voorlopige bewijsverrichtingen te vragen. Dat [verzoeker] zijn verzoeken uitsluitend heeft ingediend om de hoofdprocedure te vertragen, is door [verweerster] niet (voldoende) onderbouwd. De rechtbank wijst er in dat verband op dat de getuigenverhoren nu zullen kunnen plaatsvinden in de fase voorafgaand aan de datum waarop de mondelinge behandeling van de hoofdzaak wordt bepaald. Dat is in lijn met de bedoeling van de wetgever om de relevante informatie zo veel mogelijk in de fase voorafgaand aan een procedure te verzamelen.
Ten aanzien van de (vermeende) commissieaanspraak
4.9.
Ten tweede verzoekt [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor ten aanzien van een vermeende commissieaanspraak tussen [verzoeker] en [verweerster] . [verzoeker] stelt dat hij recht heeft op de helft van de volledige huurinkomsten van [naam pand] , terwijl [verweerster] betoogt dat eerst 10% van de huurinkomsten van [naam pand] volledig aan haar toekomt (bij wijze van commissie) en dat [verzoeker] alleen aanspraak heeft op de helft van hetgeen dan nog overblijft (dus op de helft van 90%).
4.10.
[verweerster] heeft aangegeven geen bezwaar te hebben dat [E] hierover zal worden gehoord, zodat de rechtbank ook dit gedeelte van het verzoek om een getuigenverhoor zal toewijzen.
Het verzoek tot het maken van beeld- en geluidopnames
4.11.
[verzoeker] heeft ten slotte verzocht dat van de af te leggen getuigenverklaringen beeld- en geluidopnames worden gemaakt. [verweerster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Artikel 180, zesde lid, Rv biedt de rechter de mogelijkheid om te bepalen dat het (op dit moment nog) gebruikelijke schriftelijke proces-verbaal zal worden vervangen door een tijdens het getuigenverhoor te maken beeld- en/of geluidsopname. Dit is echter geen recht van een partij. Het verzoek van [verzoeker] is op dit punt niet onderbouwd, zodat de rechtbank in deze fase van de procedure geen aanleiding ziet om te bepalen dat van het getuigenverhoor beeld- en/of geluidsopnamen zullen worden vervaardigd. De rechtbank wijst er in dat verband verder nog op dat de regie over de zitting waarop de getuigen zullen worden gehoord, berust bij de rechter die de verhoren afneemt.
Het verdere verloop van de procedure met betrekking tot het voorlopig getuigenverhoor
4.12.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.13.
Omdat de advocaten van [verweerster] al in het bezit zijn van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, is [verzoeker] niet gehouden [verweerster] een afschrift van deze stukken te verstrekken.
4.14.
Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechter na afloop van de getuigenverhoren op diezelfde zitting kan bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.
2) Het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht
4.15.
[verzoeker] verzoekt verder om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Daaraan legt hij ten grondslag dat [verweerster] aan hem een gebruiksvergoeding verschuldigd is, omdat zij exclusief gebruik maakt van [naam pand] . Om de omvang van deze gebruiksvergoeding vast te kunnen stellen, acht [verzoeker] het wenselijk een vastgoedmakelaar- of taxateur in te schakelen, mede om dat het een markant pand betreft.
4.16.
Niet in geschil is dat [naam pand] het gezamenlijk eigendom van partijen is en dat [verweerster] momenteel exclusief gebruik maakt van het kasteel. Daarom is [verweerster] in beginsel een gebruiksvergoeding aan [verzoeker] verschuldigd. Uit de enkele omstandigheid dat [verweerster] de hypothecaire lasten alleen draagt, volgt niet zonder meer dat zij geen enkele gebruiksvergoeding aan [verzoeker] verschuldigd is (en evenmin dat zij jegens [verzoeker] is gehouden de hypotheeklasten alleen te dragen). Tot op heden hebben partijen over de hoogte van de gebruiksvergoeding nog geen overeenstemming kunnen bereiken. Het belang van [verzoeker] bij zijn verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht is daarmee naar het oordeel van de rechtbank gegeven.
4.17.
De omstandigheid dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft nagelaten om een naam en hoedanigheid te vermelden van een te benoemen deskundige (zoals bedoeld in artikel 197 lid 3 Rv) rechtvaardigt – in tegenstelling tot wat [verweerster] betoogt – geen afwijzing van het verzoek. De achterliggende gedachte achter dit wettelijke vereiste is om de benoeming van een deskundige efficiënt te laten verlopen en om onnodige en kostenverhogende opeenstapeling van deskundigenrapporten te voorkomen. In deze zaak ligt het voor de hand dat de te benoemen deskundige een makelaar-/taxateur moet zijn met kennis van de relevante markt, zodat door het niet-vermelden van een naam en hoedanigheid van de beoogde deskundige geen noemenswaardig belang is geschonden. Partijen hebben ter zitting overigens afgesproken dat zij zullen proberen om gezamenlijk overeenstemming te bereiken over een te benoemen deskundige.
4.18.
Nu ook van het bestaan van andere afwijzingsgronden niet is gebleken, zal het gevraagde voorlopig deskundigenbericht worden toegewezen.
3) Het verzoek tot afschrift van bepaalde gegevens (vordering tot inzage)
4.19.
Naast zijn verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopig deskundigenbericht te gelasten, wil [verzoeker] ten slotte afschriften van verschillende gegevens. Ter zitting heeft hij zijn verzoek om inzage beperkt tot (1) stukken over de provisieaanspraken tussen [A] en LCHD en (2) stukken met betrekking tot de inkomsten uit [naam pand] . [verweerster] heeft zich tegen deze vorderingen verzet.
4.20.
Artikel 194 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat een partij onder omstandigheden recht heeft op inzage in - of afschrift van - bepaalde gegevens die een ander onder zich heeft. Op grond van de artikelen 195 en 195a Rv kan een partij de rechter verzoeken om te bevelen dat zij die inzage krijgt. Daarvoor moet wel aan een aantal vereisten zijn voldaan:
Degene die recht op inzage verlangt (in dit geval [verzoeker] ) moet partij zijn bij een
rechtsbetrekking,
Degene die recht op inzage verlangt moet in het kader van die rechtsbetrekking
voldoende belanghebben bij de gevraagde informatie,
De gevraagde informatie moet
voldoende bepaaldzijn, en
Degene van wie de informatie wordt gevraagd, moet ook daadwerkelijk over die informatie beschikken,
Als degene van wie de informatie wordt gevraagd een ander is dan de wederpartij van de verzoeker in de hoofdzaak (in dit geval [verweerster] ), moet deze derde op het verzoek worden gehoord.
[verweerster] betoogt dat de verzoeken van [verzoeker] niet aan deze eisen voldoen.
4.21.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen. De gegevens waarin [verzoeker] inzage wenst, hebben betrekking op twee concrete onderwerpen die onderdeel zijn van die rechtsbetrekking: enerzijds de omvang van de huuropbrengsten van [naam pand] en anderzijds de provisieafspraken die (gesteld) zijn gemaakt tussen [A] en/of LCHD. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling voldoende omstandigheden gesteld (en die vervolgens ook toereikend onderbouwd) waaruit blijkt dat hij voldoende belang heeft bij inzage in stukken die betrekking hebben op de genoemde twee inkomstenbronnen. Welke stukken dit concreet betreft, blijkt voldoende duidelijk uit het verzoekschrift, namelijk alle overeenkomsten, facturen en betalingsbewijzen die gaan over huur- dan wel provisie-inkomsten die zijn gerealiseerd met [naam pand] . [verweerster] heeft in dat verband nog aangevoerd dat [verzoeker] de tijdsperiode waarop de gevraagde gegevens zien, niet concreet (genoeg) heeft aangeven, maar dat overtuigt niet: alle gevraagde gegevens zien immers op de beperkte periode dat [naam pand] verhuurd is geweest ten behoeve van de opvang van asielzoekers. De opvang van asielzoekers en de in dat verband gesloten huurovereenkomst(en) zijn inmiddels beëindigd. Aldus is het verzoek ook in tijd voldoende bepaald. Uit dit alles vloeit tevens voort dat geen sprake is van misbruik van procesrecht in de zin van een ‘fishing expedition’, zoals [verweerster] heeft betoogd.
4.22.
Verder geldt ook voor wat betreft het inzageverzoek dat de omstandigheid dat [verzoeker] dit verzoek kort vóór het uitbrengen door [verweerster] van de dagvaarding in de hoofdzaak heeft ingediend, niet tot de conclusie leidt dat sprake is van misbruik van procesrecht (zie hiervoor onder r.o. 4.8).
4.23.
[verweerster] heeft verder nog als verweer aangevoerd dat sprake is van een zwaarwichtige reden om het verzoek af te wijzen, omdat de gevraagde informatie (mede) betrekking heeft op strikt vertrouwelijke bedrijfsgevoelige informatie van derden, namelijk het COA, LCHD en [A] BV. Zij heeft daar nog aan toegevoegd dat [verzoeker] geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die een dergelijk inzageverzoek zouden rechtvaardigen. Dit standpunt volgt de rechtbank niet: uitgangspunt is dat [verzoeker] , die mede-eigenaar is van het verhuurde, in beginsel recht heeft op inzage in de huurinkomsten en -administratie van [naam pand] . Het inzageverzoek ziet bovendien grotendeels op stukken waarover niet alleen de door [verweerster] genoemde derden, maar ook [verweerster] zélf beschikt. [verweerster] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken op welke wijze of in welke mate het (door haarzelf) verlenen van inzage in die stukken aan [verzoeker] zou leiden tot een schending van bedrijfsgevoelige informatie van de genoemde derden. Zij heeft ook niet gesteld dat zij in de aanloop naar de mondelinge behandeling bij deze derden heeft geïnformeerd of zij bezwaar hadden tegen het verlenen van inzage aan [verzoeker] , laat staan dat één of meer van deze derden haar hebben laten weten zij daadwerkelijk bezwaar hebben tegen het verlenen van inzage. Dat had wel op haar weg gelegen. De rechtbank zal het inzageverzoek dan ook toewijzen voor zover het ziet op gegevens waarover (ook) [verweerster] beschikt. De concreet te verstrekken gegevens zullen hierna in het dictum worden vermeld.
4.24.
Voor zover de door [verweerster] te verstrekken stukken gevoelige bedrijfs-informatie van derden bevatten die géén verband houdt met de onderwerpen waarop het inzageverzoek van [verzoeker] ziet, staat het [verweerster] vrij om die informatie onleesbaar te maken (‘weg te lakken’). Dit steeds op voorwaarde dat de datum, aard en context van het stuk duidelijk zijn en dat de voor [verzoeker] relevante informatie leesbaar en begrijpelijk blijft. Verder moet voor [verzoeker] steeds zichtbaar zijn of (en welke) delen eventueel zijn weggelakt. Ten aanzien van de inzage in de app-conversatie met haar vader, geldt dat [verweerster] persoonlijke- of privé-onderwerpen (aangaande haarzelf en/of haar vader) onleesbaar mag maken, mits zichtbaar blijft of (en welke) delen eventueel zijn weggelakt.
4.25.
Voor zover [verzoeker] na ontvangst van de door [verweerster] te verstrekken stukken nog behoefte heeft aan inzage in andere stukken – d.w.z. stukken waarover alléén een of meer van de hiervoor genoemde derden beschikken – houdt de rechtbank de beslissing op het verzoek aan. Deze derden zullen op grond van artikel 195a lid 2 Rv immers eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om hiertegen verweer te voeren.

5.De beslissing

De rechtbank
1. Ten aanzien van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor:
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
5.2.
benoemt een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank tot rechter-commissaris, die zich door een ander lid van de rechtbank kan laten vervangen,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te ’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8,
5.4.
bepaalt dat [verzoeker]
binnen twee wekenna de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van Civiele Raadkamer, team handel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
december 2025 tot en met april 2026moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
2. Ten aanzien van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht:
5.5.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter vaststelling van een redelijke gebruiksvergoeding voor het voortdurende gebruik van het onverdeelde aandeel in [naam pand] van [verzoeker] door [verweerster] , zulks voor iedere maand dat dit gebruik heeft geduurd en voortduurt, waarbij door de deskundige mede acht moet worden geslagen op de indexatie van die vergoeding gedurende de jaren,
5.6.
bepaalt dat de deskundige bij afzonderlijke beschikking wordt benoemd,
het voorschot
5.7.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
  • de deskundige dient
  • de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen
  • partijen kunnen desgewenst
  • indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
  • indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,
5.8.
bepaalt dat verzoeker het voorschot dient over te maken
binnen twee wekenna de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
5.9.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
5.10.
bepaalt dat verzoeker zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,
5.11.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
5.12.
wijst de deskundige er op dat:
  • de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
  • de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
  • de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
5.13.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
5.14.
draagt de deskundige op om uiterlijk
binnen een in een nadere beschikking te noemen termijnna het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
5.15.
wijst de deskundige er op dat:
  • uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
  • de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
5.16.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

3.Ten aanzien van het inzageverzoek:

Voor zover het inzageverzoek is gericht tegen [verweerster] :
5.17.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] binnen 14 dagen na de datum van deze
beschikking, met inachtneming van het hierboven onder 4.24. bepaalde, afschriften te verschaffen van de navolgende gegevens:
A.
Voor wat betreft de app-correspondentie tussen [verzoeker] en haar vader:
alle app-berichten die zijn uitgewisseld in de periode vanaf 1 mei 2023 tot en met 30 september 2023,
de app-berichten die buiten de onder i. genoemde periode vallen en betrekking hebben op:
a. provisie-aanspraken op LCHD (ook wel 'commissie’ genoemd),
b. inkomsten die zijn verkregen uit de verhuur of anderszins in relatie tot de opvang van asielzoekers in/bij [naam pand] , en/of
c. inkomsten die zijn verkregen uit verhuur of anderszins ter zake [naam pand] , maar niet in relatie staan tot de onder b. genoemde opvang van asielzoekers,
B. Ter zake de inkomsten uit [naam pand] gerelateerd aan de opvang van asielzoekers:
i. alle
overeenkomsten, die zijn gesloten met het COA:
a. ter zake van de verhuur van (enig deel van) de
terreinenvan [naam pand] ,
b. ter zake van de verhuur van (enig deel van) de op de genoemde terreinen aanwezige
gebouwenen/of
c. ter zake van op de locatie [naam pand] te gebruiken
zaken;
een afschrift van alle
facturendie ter zake de huur van of vergoeding voor de onder i. genoemde overeenkomst(en) zijn verzonden aan het COA;
een overzicht van alle
betalingendie ter zake de huur van of vergoeding voor het onder i. genoemde zijn ontvangen, telkens met vermelding van het bedrag, de transactiedatum, en de tegenrekening van elke betaling,
C. Ter zake de inkomsten uit [naam pand] buiten de verhuur aan het COA om:
een overzicht van alle
betalingendie ter zake van huurbetaling of vergoeding zijn ontvangen, telkens met vermelding van het bedrag, de transactiedatum, en de tegenrekening van elke betaling:
a. ter zake van de verhuur van (enig deel van) de
terreinenvan [naam pand] ,
b. ter zake van de verhuur van (enig deel van) de op de genoemde terreinen aldaar aanwezige
gebouwenen/of
c. ter zake van op de locatie [naam pand] te gebruiken
zaken;
Voor zover het inzageverzoek is gericht tegen derden:
5.18.
bepaalt dat [verzoeker] binnen één maand na ontvangst van de hiervoor onder 5.17. genoemde gegevens schriftelijk aan de rechtbank en aan [verweerster] dient te laten weten of hij zijn verzoek om inzage van gegevens (die hij dan nog niet van [verweerster] heeft ontvangen en) die zich bevinden onder LCHD, [A] B.V. en/of het COA handhaaft, en zo ja, welke stukken dit betreft. [verweerster] zal daar vervolgens op mogen reageren,
5.19.
houdt iedere verdere beslissing aan,
Ten aanzien van alle verzoeken, met uitzondering van het tegen derden gericht inzageverzoek:
5.20.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.21.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.