ECLI:NL:RBOBR:2025:7559

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/01/414925 / HA ZA 25-280
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake de geldigheid van advocaatstelling na onttrekking in faillissementszaak

In deze civiele procedure, behandeld door de Rechtbank Oost-Brabant, is op 19 november 2025 een vonnis gewezen in de zaak van de curator van [gefailleerde] B.V. tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De curator, vertegenwoordigd door mr. R.T.C.A. Van Zutphen, vorderde in een incident dat de gedaagden, die in de hoofdzaak als eisers optreden, op grond van artikel 118 Rv pro se zouden worden opgeroepen. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat niet is aangetoond dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. De rechtbank oordeelde dat de gedaagden niet voldoende hebben onderbouwd dat er samenhangende vorderingen zijn die behandeling in één procedure rechtvaardigen. De gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en zijn veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 792,00, inclusief wettelijke rente. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de zaak op 31 december 2025 op de rol zal komen voor conclusie van antwoord.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/414925 / HA ZA 25-280
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiser] Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
[gefailleerde] B.V.,
te [plaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. R.T.C.A. Van Zutphen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. A. Kara.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • een beslagexploot waaruit blijkt dat beslag is gelegd op een onroerende zaak, overgelegd door de curator,
  • beslagstukken, overgelegd door de curator,
  • de incidentele conclusie, van [gedaagden] ,
  • de conclusie van antwoord in het incident, van de curator.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen.

2.De beoordeling

in het incident
2.1.
De curator is curator in het faillissement van [gefailleerde] B.V. (gefailleerde). [gedaagde 1] was middellijk bestuurder van gefailleerde. [gedaagde 2] is gehuwd met [gedaagde 1] . De hoofdzaak gaat, onder meer, over de vraag of [gedaagde 1] als (voormalig) middellijk bestuurder en [gedaagde 2] als diens echtgenote, aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort.
2.2.
In het incident vorderen [gedaagden] op grond van artikel 118 Rv de curator pro se (dus niet in diens hoedanigheid van curator, maar handelend voor zichzelf) op te roepen. Volgens de curator moet de vordering worden afgewezen.
2.3.
De rechtbank wijst de vordering af op grond van het volgende.
2.4.
Artikel 118 Rv geeft regels voor de oproeping van derden als partij in het geding, maar schrijft niet voor in welke gevallen die oproeping mogelijk is. Het gaat in de regel om zaken waarin sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat is in dit geval niet aan de orde: het niet gesteld, noch gebleken dat hier sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
2.5.
Uit de jurisprudentie volgt verder dat de regeling van artikel 118 Rv een ruimere strekking heeft gekregen, oproeping is bijvoorbeeld ook mogelijk in het geval sprake is van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en de proceseconomie gediend is met de behandeling van de vorderingen in één procedure (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR: 2020:485 en HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810). Ook dit is, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet aan de orde. [gedaagden] hebben niet gesteld, laat staan toegelicht, dat er sprake is van samenhangende vorderingen en dat de proceseconomie gediend is met de behandeling van de vorderingen in één procedure. Uit hun toelichting blijkt dat [gedaagden] beogen de proceskosten van deze procedure en mogelijk andere kosten te verhalen op de curator pro se. De vraag of de curator (pro se) aansprakelijk is, zal echter aan de hand van een andere maatstaf moeten worden beantwoord dan de vordering in de hoofdzaak (waar het gaat om bestuurdersaansprakelijkheid). Zeker omdat het gaat om een geheel andere kwestie had het voor de hand gelegen toe te lichten waarom het samenhangende vorderingen zijn en waarom de proceseconomie is gediend met de behandeling van de vorderingen in één procedure. Dat hebben [gedaagden] echter niet gedaan.
2.6.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.8.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in de hoofdzaak
2.9.
Anders dan de curator heeft verzocht, zal de rechtbank niet meteen vonnis wijzen in de hoofdzaak.
2.10.
De curator heeft aan zijn verzoek artikel 7.2 van het Procesreglement [1] ten grondslag gelegd. Volgens de curator moeten [gedaagden] geen (nieuwe) kans krijgen om een conclusie van antwoord te nemen, omdat hun advocaat zich op 1 oktober 2025 heeft onttrokken en op 15 oktober 2025 geen
nieuwe/
andereadvocaat heeft gesteld nu na de onttrekking dezelfde advocaat zich heeft gesteld. Daardoor is voldaan aan het bepaalde in artikel 7.2 van het Procesreglement, tweede gedachtestreepje, dat de situatie beschrijft als geen
andereadvocaat zich heeft gesteld, aldus de curator.
2.11.
De rechtbank ziet dit anders. De in artikel 7.2 van het Procesreglement beschreven voorwaarde van het stellen van een
nieuwe / andereadvocaat ziet naar het oordeel van de rechtbank niet per se op een andere advocaat dan degene die zich heeft onttrokken. Het gaat erom dat een partij alleen bij advocaat kan procederen en dat er daartoe dus een advocaat gesteld wordt. Daar is in dit geval aan voldaan.
2.12.
[gedaagden] worden zodoende in de gelegenheid gesteld bij conclusie van antwoord te reageren.

3.De beslissing

in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van
31 december 2025voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton.