ECLI:NL:RBOBR:2025:7450

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/01/415958 / HA ZA 25-354
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van de eiseres ondanks mediationclausule in echtscheidingskwestie

In deze zaak, die voor de Rechtbank Oost-Brabant is behandeld, is de ontvankelijkheid van de eiseres in een echtscheidingskwestie aan de orde. De eiseres, aangeduid als de vrouw, heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde, de man, met betrekking tot een vermogensbestanddeel dat volgens haar buiten de verdeling is gehouden. De man heeft in het incident gevorderd dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat zij volgens hem niet voldaan heeft aan de mediationclausule in hun echtscheidingsconvenant. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de vrouw wel degelijk een poging tot mediation heeft gedaan, en dat de man niet ondubbelzinnig heeft aangegeven deel te nemen aan het mediationtraject. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw aan de voorwaarden van het convenant heeft voldaan door een mediator in te schakelen en dat het mediationtraject niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Daarom heeft de rechtbank de vorderingen van de man in het incident afgewezen en de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. De zaak zal op 26 november 2025 opnieuw op de rol komen voor beraad over een mondelinge behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/415958 / HA ZA 25-354
Vonnis in incident van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Zonnenberg,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser partij in het incident,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. B. du Fosse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de akte uitlating substantiëringsplicht van de vrouw,
- de conclusie van antwoord tevens inhoudende een incidentele vordering,
- de conclusie van antwoord in incident,
- de akte (uitlaten producties, in het incident) van de man.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest en inmiddels gescheiden. Ter afwikkeling van de echtscheiding hebben zij een convenant gesloten. In de hoofdzaak vordert de vrouw, onder meer, betaling van € 96.324,08, omdat, kort gezegd, volgens haar de man een vermogensbestanddeel (een lijfrente verzekering) buiten de verdeling heeft gehouden.
2.2.
De man vordert primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair de zaak aan te houden in afwachting van het door partijen te volgen mediationtraject.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen in het incident moet worden afgewezen, alleen al op basis van het volgende.
2.4.
De man baseert zijn vorderingen op de volgende bepalingen in het echtscheidingsconvenant:
“11.2 […] partijen [zullen] zich primair wenden tot […] een […]scheidingsmediator, met het verzoek te trachten de gerezen geschilpunten door mediation tot een oplossing te brengen.
11.3
Pas indien en nadat die mediation niet tot het gewenste resultaat zal hebben geleid, zullen partijen zich tot een eigen advocaat kunnen wenden, met de opdracht betreffende geschilpunten aan de rechter voor te leggen.”
2.5.
De man betoogt (randnummer 7. conclusie van antwoord) dat uit artikel 11.2 convenant volgt dat de vrouw eerst een mediator
had moeten inschakelenen dat niet aan deze voorwaarde is voldaan.
2.6.
De rechtbank ziet dit anders.
2.7.
De rechtbank volgt de man in zijn betoog dat uit artikel 11.2 convenant volgt dat de vrouw eerst een mediator had moeten inschakelen, maar, anders dan de man betoogt, heeft de vrouw aan deze voorwaarde voldaan. De vrouw heeft zich immers in eerste instantie gewend tot de mediator met het verzoek dit geschil te beslechten en de man in haar verzoek meegenomen. Dat de vrouw eerst heeft geprobeerd het geschil via mediation op te lossen blijkt, onder meer, uit de e-mail van haar advocaat van 12 juli 2024 (productie 13 conclusie van antwoord in incident) aan de man en uit de e-mail van haar advocaat van 29 augustus 2024 (productie 16 conclusie van antwoord in incident) aan de man, waarin een voorstel wordt gedaan voor een afspraak op 4 oktober 2024.
2.8.
De vrouw is dus een mediationtraject gestart. Vervolgens heeft het volgende plaatsgevonden:
  • a) de man heeft op 30 augustus 2024 een e-mail gestuurd waarin hij, kort gezegd, betoogt dat de vrouw ongelijk heeft en aangeeft
  • b) de advocaat van de vrouw heeft op 18 september 2024 een e-mail gestuurd waarin wordt aangegeven, kort gezegd, dat het geen zin heeft om een mediationtraject te starten als dat enkel een herhaling van zetten is,
  • c) de man heeft per e-mail van 20 september 2024 bericht dat hij bereid is een mediationtraject te doorlopen,
  • d) de vrouw heeft per e-mail van 27 september 2024 (productie 15 conclusie van antwoord in incident) aangegeven de afspraak van 4 oktober 2024 bij de mediator te annuleren, omdat de man niet heeft bevestigd te zullen komen.
2.9.
Uit deze feiten volgt dat het mediationtraject niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De vrouw heeft immers een afspraak bij de mediator gemaakt (4 oktober 2024) en de man heeft niet (althans niet ondubbelzinnig) aangegeven daarbij aanwezig te zijn. Weliswaar heeft de man per e-mail van 20 september 2024 bericht dat hij bereid was een mediationtraject te doorlopen, maar daaruit blijkt nog niet dat hij het door de vrouw voorgestelde mediationtraject wilde volgen. De e-mail is namelijk niet overgelegd, zodat de rechtbank de e-mail en haar context niet heeft kunnen waarderen. In ieder geval had het, als de man daadwerkelijk het door de vrouw voorgestelde mediationtraject wilde volgen, voor de hand gelegen om de vrouw meer te berichten dan enkel te berichten dat hij bereid is een mediationtraject te volgen. De vrouw had immers al een afspraak gemaakt bij de mediator (namelijk op 4 oktober 2024) en zij had de man verzocht te bevestigen dat hij daarbij aanwezig zal zijn, hetgeen hij tot dan toe niet had gedaan. Bovendien is niet gebleken dat de man op de e-mail van de vrouw van 27 september 2025 (waarin zij bevestigt de afspraak van 4 oktober 2024 bij de mediator te annuleren, omdat de man niet heeft aangegeven te zullen komen) heeft gereageerd. Dat had voor de hand gelegen als hij daadwerkelijk het door de vrouw voorgestelde mediationtraject wilde doorlopen.
2.10.
De conclusie is dus dat aan de voorwaarde beschreven in het convenant is voldaan voor het starten van een procedure bij de rechtbank. De vrouw heeft namelijk eerst geprobeerd een mediationtraject te starten en daarmee voldaan aan het bepaalde in artikel 11.2 convenant en die mediation heeft niet tot het gewenste resultaat geleid als bedoeld in artikel 11.3 convenant.
2.11.
De rechtbank wijst zodoende de vorderingen in het incident af.
2.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
26 november 2025voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.