ECLI:NL:RBOBR:2025:7022

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
24/2656
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een omgevingsvergunning voor betonpaden bij een boomkwekerij in de gemeente Land van Cuijk

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedaan op 31 oktober 2025, wordt het beroep van eiseres, een milieuvereniging, tegen de verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van betonpaden bij een boomkwekerij beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de vergunning onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, omdat het onderzoek naar de aardkundige waarden pas na het bestreden besluit is uitgevoerd. Eiseres stelt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door niet eerder onderzoek te doen naar de gevolgen van de aanvraag voor het landschap. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en vernietigt dit. Het college wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiseres krijgt een vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij het verlenen van omgevingsvergunningen, vooral in gebieden met aardkundige waarden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2656

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk,het college,
(gemachtigde: mr. B.A.A. Lucas-Jasperse).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] , vergunninghoudster,
(gemachtigden: mr. R.A.M. Verkoijen, [naam] en [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de bij besluit van 28 september 2023 aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de activiteit “uitvoeren van werken of werkzaamheden” voor het aanleggen van betonpaden op percelen aan de [adres] in [plaats] , kadastraal bekend als gemeente Cuijk, sectie N, perceelnummers [nummers] .
1.1.
Met het bestreden besluit van 28 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de toewijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Bij mail van 13 februari 2025 heeft het college een “Aardkundig advies gemeente Land van Cuijk” overgelegd.
1.3.
Vergunninghoudster heeft een reactie op de stukken gegeven.
1.4.
Eiseres heeft bij schrijven van 24 februari 2025 nadere gronden aangevoerd.
1.5.
Het college heeft geen verweerschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft beroep op 5 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, en de gemachtigden van vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

2.` De rechtbank beoordeelt de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning ter legalisatie van aangelegde betonpaden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Deze maakt deel uit van de uitspraak.
Is eiseres belanghebbende?
4. Eiseres is een milieuvereniging die blijkens haar statuten onder meer behoud en bescherming van natuur, flora, fauna en landschap nastreeft. Niet in geschil is dat eiseres ook daadwerkelijk actief is. De rechtbank zal eiseres aanmerken als belanghebbende. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen.
Invoering Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 24 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten
- Vergunninghoudster exploiteert op een groot aantal percelen binnen de gemeente Land van Cuijk een boomkwekerij. Op verschillende percelen zijn door het bedrijf betonpaden aangelegd. Het bedrijfsmaterieel kan via de betonpaden de in rijen geplante bomen (teeltvakken) bereiken en de nodige werkzaamheden zoals planten, rooien en snoeien uitvoeren. De verharding moet o.a. voorkomen dat de machines voor boomonderhoud de openbare weg gebruiken.
- Op 15 maart 2023 is door Agron Advies een rapport “Onderzoek stikstofdepositie in het kader van de Wet Natuurbescherming” uitgebracht. Het rapport ziet op de voorgenomen aanleg van een bomenveld.
- Op 24 juli 2023 heeft vergunninghoudster ter legalisatie bij het college een aanvraag (betonpad [naam]) ingediend voor het aanleggen van betonpaden (lengte circa 4 km) op perceel [nummers] , locatie [adres] in [plaats] . Met de aanleg van betonpaden wordt beoogd om agrarische activiteiten te kunnen doen in het seizoen om zo de overlast op de openbare weg te beperken. De totale geschatte kosten van het project bedragen € 100.000,-.
- Uit een door vergunninghoudster aangeleverde situatietekening van de locatie [adres] blijkt dat het gaat om 3.830 x 4 meter breed, dus 15.320 m2 aan paden. Daarbij worden prefab betonplaten gebruikt met de afmetingen van 200 cm x 200 cm. De betonplaten zijn 14 cm dik en worden op 10 cm gele grond gelegd. De aanlegdiepte is 240 mm onder maaiveld.
- Bij primair besluit van 28 september 2023 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 2.1 en 2.11 van de Wabo voor het aanleggen van betonpaden.
Beoordeling
Is sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
6. Eiseres is van mening dat het besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Volgens eiseres is sprake van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het college had veel eerder onderzoek moeten verrichten naar de gevolgen van de aanvraag voor het landschap. Uit het onderzoek dat nu is uitgevoerd blijkt dat in elk geval een gedeelte van de paden niet had mogen worden aangelegd in verband met de bestaande aardkundige waarden. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
6.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een groot deel van de aangelegde paden vergunning kan worden verleend en dat voor een gedeelte geen vergunning kan worden verleend, te weten een klein deel in het noorden en een stuk in het zuiden waarvoor een alternatief bestaat. Het college heeft ter zitting gezegd dat het nog geen definitief standpunt heeft ingenomen en dat gelet op het ingebrachte advies het besluit geen stand meer kan houden.
6.2.
Deze grond slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat op de in geschil zijnde percelen het bestemmingsplan “Buitengebied 2010, Herziening 2016” van toepassing is.
Het perceel heeft hierin de bestemming “Agrarisch met waarden- Landschapswaarden” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 5”. De gronden hebben tevens de functieaanduidingen “specifieke vorm van agrarisch met waarden- aardkundig waardevol gebied” en “specifieke vorm van agrarisch met waarden- dassen”. Het gebruik van de percelen als boomkwekerij is -gelet op de bestemming “Agrarisch met waarden- Landschapswaarden”- toegestaan. Het rijden met materieel tussen de teeltvakken is ingevolge artikel 4.6.2 van de planregels rechtstreeks toegestaan. Op grond van artikel 4.6.1 a. aanhef en onder 1 van de planregels is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied' een omgevingsvergunning vereist voor het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,20 m wordt gewijzigd. In artikel 4.6.3 van de planregels is opgenomen dat deze omgevingsvergunning slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.
6.3.
Het college moet op grond van artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Het college moest dus onderzoeken in hoeverre met de aanvraag een onevenredige afbreuk zou worden gedaan aan de aanwezige aardkundige waarden. Het college heeft dat pas na het bestreden besluit onderzocht. Uit het rapport dat is overgelegd volgt dat voor een gedeelte dat is aangevraagd sprake is van onevenredige afbreuk van de aardkundige waarden. Nu het college dit niet heeft onderzocht voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, kleeft daaraan een gebrek. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan het college om opnieuw een besluit te nemen. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien en er is evenmin aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, nu het advies dat is overgelegd in een andere richting wijst. Het is aan het college om te wegen wanneer sprake is van onevenredige afbreuk en het college heeft ter zitting gesteld dat het daarover nog geen standpunt heeft ingenomen. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De gevraagde vergoeding is een bedrag van € 26,87 voor reiskosten van [vestigingsplaats] naar ’s-Hertogenbosch en terug. Nu de kosten niet onderbouwd zijn, sluit de rechtbank aan bij het bedrag voor een treinkaartje tweede klasse. Dat bedraagt € 13,36. De totale reiskostenvergoeding bedraagt daarom € 26,72.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 mei 2024;
- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 26,72 aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.
griffier
De rechter is buiten staat deze uitspraak
te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)

Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. t/m h. (..).
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

bestemmingsplan “Buitengebied 2010, Herziening 2016”

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:
-aardkundige waarden: landschapswaarden die samenhangen met (abiotische) milieukenmerken, zoals geologie, geomorfologie, reliëf, steilranden, grondwater-huishouding (kwelgebieden), bodemtypen/bodemopbouw/ bodemsamenstelling, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.
-weg
:alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
-agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, al dan niet met voorzieningen onder andere ten behoeve van de verwerking/vergisting van mest afkomstig van het eigen bedrijf, waarbij onderscheid wordt gemaakt in:
a. een (vollegronds)teeltbedrijf;
b. een glastuinbouwbedrijf;
c. een veehouderij;
d. een overig agrarisch bedrijf;
e. paardenhouderij

a (vollegronds)teeltbedrijf

een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van
gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen
plaatsvindt.

Artikel 4 Agrarisch met waarden – Landschapswaarden

4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende agrarische voorzieningen;
b. agrarische (vollegronds) teeltbedrijven en paardenfokkerijen, met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding:
1. glastuinbouw’, glastuinbouw is toegestaan;
2. ' specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' (sa-veehouderij), een veehouderij is toegestaan, waarbij geldt dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' tevens een intensieve veehouderij is toegestaan;
3. ‘ specifieke vorm van agrarisch – overig agrarisch bedrijf’, een overig agrarisch bedrijf is toegestaan;
4. ' paardenhouderij', een paardenhouderij is toegestaan;
waarbij niet meer dan één agrarisch bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak;
c. één bedrijfswoning per bouwvlak met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:
1. t/m 3. (..).
d. een zorgboerderij ter plaatse van de aanduiding ‘zorgboerderij’;
e. een museum ter plaatse van de aanduiding ‘museum’;
f. verspreid liggende bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden –veldschuur’;
g. behoud van karakteristieke bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’;
h. behoud van graslanden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – grasland’;
i. permanente teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – permanente teeltondersteunende voorzieningen’;
j. rijbakken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – rijbak’;
k. een ki-station ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – ki-station;
l. nevenactiviteiten in de vorm van bijeenkomsten ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – bijeenkomsten’.
m. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:
1. aardkundig waardevolle gebieden, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden –aardkundig waardevol gebied´;
2. cultuurhistorisch waardevolle akker ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden –cultuurhistorisch waardevolle akker’;
3. cultuurhistorische waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden – cultuurhistorisch waardevol gebied´;
4. maasheggen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – maasheggen’;
5. landschappelijk besloten gebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden –landschappelijke beslotenheid´;
6. landschappelijke openheid ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden–openheid’.
n. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:
1. dassen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’.
o. de bescherming c.q. instandhouding van de groeiplaats van (potentieel) monumentale bomen ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom'.
p. een zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied voor behoud en herstel watersystemen’/ ‘overige zone - zoekgebied voor behoud en herstel watersystemen’;
q. behoud en bescherming van de kazematten;
r. nevenfuncties in de vorm van statische opslag binnen bestaande gebouwen;
s. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
t. groenvoorzieningen en bestaande tuinen;
u. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
v. extensief recreatief medegebruik;
w. nutsvoorzieningen.
4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Strijdig gebruik
Onder strijdig wordt in ieder geval verstaan:
a. (..).
b. Het gebruik van gronden ten behoeve van de uitoefening van nevenfuncties en/of verbrede landbouw.
c. (..).
d. Het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn.
e. t/m i. (..).
j. Het gebruik van gronden en bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting.
4.6
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1
Verboden werkzaamheden
a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied' is een omgevingsvergunning vereist om de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
1. Het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m2 wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,20 m wordt gewijzigd.
2. Het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder maaiveld.
3. Het aanleggen, dempen of wijzigen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels.
4. Het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering.
5.
Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
6.
Het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover groter dan 100 m2.
7. Het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen, uitgezonderd drainageleidingen nodig voor een normale agrarische bedrijfsvoering en leidingen noodzakelijk voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
b. t/m g. (..).
h. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’ is een omgevingsvergunning vereist om de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 m onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
3. het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten van grasland naar een ander bodemcultuur;
4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofilering van waterlopen, sloten en greppels alsmede het anderszins verlagen van de waterstand;
5. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
6. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
4.6.2
Uitzonderingen
Het in lid 4.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
a. Het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn.
4.6.3
Toelaatbaarheid
De in lid 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.