ECLI:NL:RBOBR:2025:6974

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
25/2737
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake sluiting woning op grond van Gemeentewet

In deze zaak heeft de burgemeester van de gemeente Heeze-Leende op 21 juni 2025 besloten om de woning van verzoeker voor de duur van zes maanden te sluiten op basis van artikel 174a van de Gemeentewet. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. In een eerdere uitspraak van 7 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de sluitingsduur van zes maanden niet gerechtvaardigd is en dat deze maximaal vier maanden kan zijn. De burgemeester heeft echter zijn standpunt gehandhaafd in het besluit op bezwaar, dat op 16 oktober 2025 is genomen, waarin de sluitingstermijn van zes maanden werd gehandhaafd. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de schorsing van het primaire besluit doorloopt na het nemen van het bestreden besluit, waardoor verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De zaak zal verder worden behandeld op een zitting op 20 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2737

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en

de burgemeester van de gemeente Heeze-Leende, de burgemeester

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).

Procesverloop

1. Met het besluit van 21 juni 2025 heeft de burgemeester de woning van verzoeker aan het adres [adres] in [woonplaats] met ingang van 21 juni 2025 voor de duur van zes maanden gesloten op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Gemeentewet (Gw). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. In een uitspraak van 7 augustus 2025 (25/1523, ECLI:NL:RBOBR:2025:4999) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld:
“8.8. Omdat het bezwaar met betrekking tot de termijn van de sluiting een redelijke kans van slagen heeft ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat die termijn wordt bepaald op vier maanden vanaf het bestreden besluit. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst met ingang van 21 oktober 2025, indien de burgemeester op die datum nog geen besluit op bezwaar heeft genomen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 21 juni 2025 wordt geschorst met ingang van 21 oktober 2025.”
3. In een brief van 6 oktober 2025 is namens de burgemeester verzocht om de uitspraak van 7 augustus 2025 te corrigeren, in die zin dat rechtsoverweging 9 en de 'Beslissing' in overeenstemming met rechtsoverweging 8.8 worden gebracht
4. In een brief van 9 oktober 2025 heeft de griffier bericht:
“In dit geval heeft de voorlopige voorziening betrekking op een primair besluit. Een voorlopige voorziening is in beginsel tijdelijk van aard en geldt tot op het bezwaar is beslist. Indien de burgemeester in dit geval vóór 21 oktober 2025 een besluit op het bezwaar neemt, vervalt daarmee de werking van de voorlopige voorziening, zoals gegeven in de uitspraak. Dit betekent dat het ontbreken van de passage ‘
indien de burgemeester op die datum nog geen besluit op bezwaar heeft genomen’in rechtsoverweging 9 en de “Beslissing’ van de uitspraak niet berust op een kennelijke misslag, die grond biedt voor rectificatie van de uitspraak. Uw verzoek om een gecorrigeerde uitspraak wordt daarom afgewezen.”
5. In een besluit op bezwaar van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en de woning gesloten gehouden tot 21 december 2025. De burgemeester heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat onverminderd sprake is van ernstige vrees of dreiging van een ernstige verstoring van de openbare orde. De burgemeester handhaaft in het bestreden besluit daarom de sluitingstermijn van zes maanden, die in het besluit van 21 juni 2025 was vermeld.
6. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (bij de rechtbank bekend onder nummer SHE AWB 25/2738) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij en zijn partner weer terug kunnen naar de woning.
7. In twee e-mailberichten 24 oktober 2025 heeft de burgemeester verwezen naar stukken en op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om beperkte kennisneming van die stukken door de voorzieningenrechter. In een brief van 28 oktober 2025 heeft de geheimhoudingskamer vastgesteld dat een motivering van het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb ontbreekt en dat de stukken niet op juiste wijze zijn aangeleverd. De geheimhoudingskamer heeft beslist dat de stukken daarom aan de burgemeester worden teruggezonden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een aantal gevallen uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter vindt in deze zaak een zitting niet nodig, omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Hij legt dat hieronder verder uit.
9. Uit artikel 8:85, tweede lid, Awb vloeit voort dat als het primaire besluit zonder een termijnstelling is geschorst en een besluit op bezwaar wordt genomen dat dezelfde strekking heeft als het primaire besluit, de schorsing zich ook uitstrekt tot het besluit op bezwaar. Op het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit is nog geen uitspraak gedaan. Uit het stelsel van wettelijke bepalingen in artikel 8:85 volgt daarom dat de in de uitspraak van 7 augustus 2025 bepaalde schorsing van het primaire besluit ook doorloopt na het nemen van bestreden besluit op 16 oktober 2025 en dat die schorsing pas kan vervallen met de uitspraak in het beroep tegen dat bestreden besluit. Daarom heeft te gelden dat het bestreden besluit op en na 21 oktober 2025 is geschorst. In dit oordeel ligt ook besloten dat het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als een (nieuw) verlengingsbesluit, zoals de burgemeester heeft gesteld.
10. Uit de in de voorgaande overweging genoemde wettelijke bepaling volgt al dat dat het bestreden besluit is geschorst. Daarom stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De voorzieningenrechter ziet nog wel aanleiding voor de volgende overwegingen.
11. In de uitspraak van 7 augustus 2025 (waarin is bepaald dat het primaire besluit wordt geschorst ingaande 21 oktober 2025, indien de burgemeester op die datum nog geen besluit op bezwaar heeft genomen) en in de brief van 9 oktober 2025 is niet vermeld dat reeds uit artikel 8:85, tweede lid, van de Awb volgt dat de schorsing van het primaire besluit ook betrekking heeft op het besluit op bezwaar, indien daarbij het in het primaire besluit ingenomen standpunt over de duur van de sluiting wordt gehandhaafd. De voorzieningenrechter begrijpt dat die uitspraak en brief daarom bij partijen tot verwarring kan hebben geleid over het oordeel van de voorzieningenrechter over de maximale termijn van de sluiting. Met betrekking tot die termijn heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 7 augustus 2025 echter als volgt overwogen:
“De wetsgeschiedenis en beschikbare rechtspraak bieden naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grondslag voor de in het verweerschrift en op de zitting door de burgemeester bepleite ‘omgekeerde benadering’, waardoor in dit geval in beginsel een sluitingsduur van zes maanden gerechtvaardigd zou zijn. Daarbij komt ook gewicht toe aan het bezwaar van verzoeker dat zijn mogelijkheid om een rechtsmiddel te gebruiken wordt beperkt. Het bezwaar van verzoeker heeft daarom in zoverre een redelijke kans van slagen. Bij zijn oordeel gaat de voorzieningenrechter niet voorbij aan de onverminderd actuele ernst van het dreigingsrisico en de begrijpelijke intentie van de burgemeester om betrokkenen en buurtbewoners geen valse hoop en verwachtingen te geven, die mogelijk kan ontstaan in geval van een kortere sluiting, die daarna weer wordt verlengd. In het bestreden besluit en op de zitting heeft de burgemeester echter ook toegelicht dat hij in nauw contact staat met de bewoners en dat het dreigingsbeeld gedurende de sluitingsperiode minimaal maandelijks wordt geëvalueerd in de gezagsdriehoek, waarbij op basis van informatie van de politie en andere betrokken partijen wordt beoordeeld of de noodzaak tot voortzetting van de maatregel onverminderd aanwezig is.”
12. Gelet op de nu beschikbare gegevens ziet de voorzieningenrechter in de motivering van het bestreden besluit geen aanleiding om over de duur van sluiting anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 augustus 2025, waaruit volgt dat deze duur maximaal vier maanden kan zijn.
13. Het beroep in de zaak SHE AWB 25/2738 wordt op een zitting van de rechtbank op 20 november 2025, om 9.15 uur behandeld. Partijen ontvangen hiervoor nog een afzonderlijke kennisgeving.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
28 oktober 2025.
de griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.