Verzoeker diende een klacht in tegen het besluit van de zorgverantwoordelijke om hem op 15 mei 2025 terug te plaatsen naar een afdeling binnen de zorginstelling, gevolgd door een verzoek om schadevergoeding. De klachtencommissie had de klacht reeds ongegrond verklaard, waarna verzoeker de rechtbank inschakelde.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend en dat verzoeker klachtgerechtigd was. De kern van de beoordeling betrof de vraag of het terugplaatsen van verzoeker voldeed aan de criteria van proportionaliteit, doelmatigheid en subsidiariteit zoals gesteld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
Uit de stukken en de zitting bleek dat de plaatsing een proefplaatsing betrof met duidelijke gedragsregels. Verzoeker had zich niet aan deze regels gehouden, wat leidde tot agressief gedrag en veiligheidsrisico's. De mentor was geïnformeerd en stemde in met het beleid. De rechtbank vond het begrijpelijk dat verzoeker niet eerder werd geïnformeerd vanwege het risico op escalaties.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het besluit tot terugplaatsing aan de Wvggz-criteria voldeed. Daarom verklaarde zij de klacht ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.