De rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte wegens overschrijding van fosfaatrechten in de jaren 2020 en 2021. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtreding van artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, wat leidde tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van €112.785,50.
Hoewel de officier van justitie aanvankelijk vorderde dat verdachte dit bedrag aan de Staat zou betalen, wijzigde zij haar vordering ter terechtzitting naar nihil. De rechtbank overwoog dat het opleggen van een ontnemingsmaatregel in abstracto passend is bij financieel voordeel uit strafbare feiten, maar dat in het concrete geval rechtvaardigheid en zinvolheid kritisch moeten worden beoordeeld.
De rechtbank constateerde dat verdachte al een bedrijf voerde bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en vanaf 2016 het opfokken van jongvee had uitbesteed, waarbij gebruik werd gemaakt van fosfaatrechten van een ander bedrijf. Na het beëindigen van die samenwerking in 2020 en de aankoop van een nieuwe locatie, ontbraken de financiële middelen om voldoende fosfaatrechten aan te schaffen. Reductie van de veestapel was geen optie vanwege bedreiging van het voortbestaan van het bedrijf.
Gezien deze omstandigheden, die weliswaar binnen de ondernemersrisico's vallen, achtte de rechtbank het billijk om de betalingsverplichting niet op het geschatte voordeel vast te stellen. Verdachte beschikte niet over de financiële draagkracht om de ontnemingsvordering te voldoen. De rechtbank stelde daarom de betalingsverplichting op nihil vast, terwijl het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €112.785,50.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en is gewezen door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant.