De moeder verzocht de rechtbank om de bij beschikking van 22 december 2020 en de vaststellingsovereenkomst van 17 mei 2021 overeengekomen kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 7 november 2024. Zij stelde dat het inkomen van de vader en de woonlasten zijn gewijzigd en dat de kosten van de kinderen zijn gestegen.
De vader betwistte het verzoek en stelde dat de moeder onvoldoende had onderbouwd waarom de alimentatie gewijzigd zou moeten worden. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 augustus 2025 zijn beide partijen gehoord, evenals de mogelijkheid voor de minderjarige dochter om haar mening te geven, welke zij niet heeft benut.
De rechtbank oordeelde dat de moeder niet had voldaan aan haar stelplicht omdat zij onvoldoende gegevens had verstrekt over haar eigen inkomen, de behoefte van de kinderen en andere relevante factoren. Hierdoor kon de rechtbank niet beoordelen of de overeengekomen alimentatie nog aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Ondanks herhaalde pogingen van de rechtbank om de moeder tot nadere onderbouwing te bewegen, weigerde zij dit. Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bepaalde dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen, mede vanwege hun ex-partnerschap.