ECLI:NL:RBOBR:2025:5621

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 september 2025
Publicatiedatum
8 september 2025
Zaaknummer
25/910
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbAlgemene wet bestuursrechtSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering

Eiseres, voormalig kapster, is sinds maart 2022 ziek en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV kende haar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,44% toe, gebaseerd op functies die zij nog zou kunnen verrichten. Eiseres betwistte dit percentage en voerde aan dat haar beperkingen, met name psychische en fysieke, onvoldoende waren meegenomen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom beperkingen bij het hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van eigen gevoelens alleen tijdens conflictsituaties gelden. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom wel een beperking geldt voor knielen en hurken, maar niet voor geknield of gehurkt actief zijn, ondanks medische informatie over reumatische klachten.

De rechtbank vernietigt het besluit van 10 maart 2025 en draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. Er wordt geen bestuurlijke lus opgelegd omdat dit niet efficiënt wordt geacht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen over het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/910

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een WIA [1] -uitkering aan eiseres met ingang van 20 maart 2024 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 43,44%. Eiseres is het niet eens met het arbeidsongeschiktheidspercentage. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de het arbeidsongeschiktheidspercentage in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de toekenning van de WIA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,44% niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 maart 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV het besluit tot afwijzing van haar aanvraag van een WIA-uitkering gegrond verklaard en aan eiseres een WIA-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,44%.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten
3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
3.1.
Eiseres werkte tot 1 maart 2022 voor 24 uur per week als kapster. Op 23 maart 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Eiseres is twee jaar ziek gebleven en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 13 maart 2024 heeft het UWV deze aanvraag met ingang van 20 maart 2024 afgewezen, omdat eiseres meer dan 65% zou kunnen verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dat heeft geleid tot het bestreden besluit.
De standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiseres met haar beperkingen de functies administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), apotheekmedewerker (SBC-code 271171) en bezorger pakketten (SBC-code 282102) kan verrichten. Als het loon dat eiseres in deze functies kan verdienen, wordt afgezet tegen het loon dat zij als kapster zou kunnen verdienen, leidt dit tot een loonverlies van 43,44%. Dat is dan ook de mate van arbeidsongeschiktheid.
5. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert aan dat haar beperkingen zijn onderschat.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
6. Uit de Algemene wet bestuursrecht en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten vloeit voort aan welke vereisten de besluitvorming van het UWV moet voldoen. Rapporten van verzekeringsartsen moeten blijk geven van zorgvuldig onderzoek en moeten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn.
6.1.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsartsen aanvullend onderzoek hadden moeten doen of aanvullende medische informatie hadden moeten opvragen. De rapportages van de verzekeringsartsen bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien logisch voort uit hun bevindingen.
Hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van de eigen gevoelens
7. Eiseres voert aan dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen vanwege haar psychische klachten. Volgens eiseres had een beperking moeten worden aangenomen voor het hanteren van emotionele problemen van anderen (punt 2.6 in de Functionele Mogelijkheden Lijst, FML) en voor het uiten van de eigen gevoelens (punt 2.7 in de FML). Zij stelt dat zij zich problemen van anderen erg aantrekt en daarvan in gedrag noch beleving afstand kan nemen. Wat betreft het uiten van de eigen emoties wijst eiseres erop dat haar reactie is om in de vechtmodus te gaan of te bevriezen. Eiseres verwijst naar medische stukken waaruit blijkt dat het leren (h)erkennen van emoties een van de behandeldoelen is.
7.1.
De verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) heeft in de medische rapportage van 30 juni 2025 aangegeven dat eiseres beperkt is in de omgang met anderen. Zij zou inadequaat kunnen reageren door bijvoorbeeld stil te vallen dan wel een overtrokken emotionele reactie te hebben. De verzekeringsarts B&B vervolgt door te stellen dat eiseres buiten een conflictsituatie om wel in staat zal zijn om gevoelens te uiten. Daarbij gaat het om de reguliere gevoelens en niet om de excessen zoals bij conflictbeheersing. Ook het omgaan met emoties van derden wordt buiten een conflictsituatie niet beperkt geacht.
7.2.
De rechtbank kan de toelichting van de verzekeringsarts B&B in het licht van de medische stukken bezien niet volgen. Uit het indicatiebesluit van Het Levensatelier van 29 maart 2022 staat dat eiseres een coping strategie heeft ontwikkeld die zich kenmerkt door het afsplitsen van haar gevoelens/emoties en eigen behoeften. Twee van de behandeldoelen zijn het “(h)erkennen van gevoelens/emoties en behoeften” en het “leren uiten van gevoelens/emoties en behoeften”. Deze behandeldoelen worden herhaald in de vervolgbehandelcontracten van Het Levensatelier van 28 september 2022 en 27 februari 2023. In het vervolgbehandelcontract van 28 september 2022 staat verder dat de overlevingsstrategieën eiseres belemmeren stil te staan bij haar eigen emoties en behoeften, anders dan die gericht zijn op controle. Uit de informatie van de systemisch- en psychosociaal therapeut van 14 augustus 2024 blijkt dat eiseres de voorgestelde EMDR-therapie niet is aangegaan en dit past bij de overlevingsstrategie door vermijding. De psychische aandoening van eiseres kon daarom niet behandeld worden. In het vervolgbehandelcontract van 27 februari 2023 staat dat eiseres door een e-mail van het UWV met een neutrale inhoud volledig in paniek is geraakt en in het verslag van voornoemde systemisch- en psychosociaal therapeut wordt melding gemaakt van een paniekaanval zonder aanleiding.
Uit voornoemde medische informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres slechts in conflictsituaties moeite heeft met het hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van de eigen gevoelens. Er zijn juist aanwijzingen dat eiseres zonder enig conflict ook last heeft van (grote) paniek. Bovendien is de EMDR-behandeling niet van start gegaan vanwege de klachten van eiseres. De rechtbank oordeelt dan ook dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de beperkingen “hanteren van emotionele problemen van anderen” en “het uiten van de eigen gevoelens” zich enkel voordoen tijdens conflictsituatie en niet daarbuiten. Op dit onderdeel is het bestreden besluit dan ook in strijd met het motiveringsbeginsel.
Afleiding door anderen
8. Eiseres voert aan dat een beperking aangenomen had moeten worden op het kunnen omgaan met afleiding door anderen (punt 1.8.1. FML), omdat zij zeer veel spanning, stress, angst en paniekaanvallen ervaart. Zij stelt dat zij een continu verhoogde alertheid kent en continue onrust kent.
8.1.
De verzekeringsarts B&B heeft toegelicht dat er geen aanleiding is voor het opnemen van een beperking wat betreft afleiding door derden. De verzekeringsarts wijst erop dat eiseres zelfstandig autorijdt en er op die momenten juist veel activiteiten van anderen om eiseres heen zijn. De rechtbank kan de verzekeringsarts daarin volgen. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd volgt niet dat zij dermate beperkt is wat betreft afleiding door derden dat daarvoor een beperking moet worden aangenomen.
Gebogen en/of getordeerd actief zijn
9. Eiseres voert aan dat meer beperkingen voor haar fysieke klachten hadden moeten worden aangenomen. Er is weliswaar een beperking aangenomen voor knielen en hurken (punt 4.20 FML), maar niet voor geknield of gehurkt actief zijn. Eiseres wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat de verzekeringsarts B&B niet voldoende heeft gemotiveerd waarom wel een beperking is opgenomen voor knielen of hurken, maar niet voor het geknield of gehurkt actief zijn, terwijl de verzekeringsarts B&B onderkent dat eiseres al jaren bekend is met klachten aan de gewrichten en daarvoor onder behandeling is bij een reumatoloog. Gezien de door eiseres overgelegde medische informatie had het op weg van de verzekeringsarts B&B gelegen nader te motiveren waarom eiseres wel geknield of gehurkt actief kan zijn. Ook op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

10. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank niet aan het UWV op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor acht weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 maart 2025;
- draagt het UWV op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.