ECLI:NL:RBOBR:2025:4752
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsanering wegens ontbreken minnelijk traject en onvoldoende gemeentelijke zorgplicht
Verzoeker diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling nadat een schuldeiser faillissement had aangevraagd. De rechtbank stelde vast dat het verzoek niet vergezeld ging van een geldige verklaring dat buitengerechtelijke schuldregeling niet mogelijk was, zoals vereist volgens artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro.
De schuldhulpverlener van de gemeente gaf aan dat de schuldenpositie van verzoeker onduidelijk was vanwege een nog te taxeren en te verkopen zakelijk pand en onduidelijkheid over de aard van verstrekte bijstand. Verzoeker verklaarde echter dat het pand al was getaxeerd en verkocht en dat de hypotheek was voldaan, waardoor de schuldenpositie al geruime tijd duidelijk was.
De rechtbank oordeelde dat het minnelijk traject onterecht was overgeslagen en dat de gemeente onvoldoende inspanningen had geleverd om verzoeker te begeleiden bij een buitengerechtelijke schuldregeling, hetgeen een schending van de zorgplicht inhoudt. Daarnaast bevatte het verzoek onvolledige en onduidelijke informatie over de schulden, waaronder ontbrekende specificaties van CJIB-schulden.
Gelet op deze omstandigheden wees de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Verzoeker heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het niet doorlopen van het minnelijk traject en onvoldoende zorgplicht van de gemeente.