Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] en [eiser], uit [woonplaats], eisers
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
De besluitvorming
Rechtbank Oost-Brabant
Eisers ontvingen sinds november 2017 een Bbz-uitkering voor oudere zelfstandigen. Zij verkochten in 2018 hun aandeel in een tweede woning en beëindigden in 2020 een levensverzekering, zonder deze wijzigingen expliciet te melden aan het college. Het college trok de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde € 74.858,93 terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank stelt vast dat eisers niet tijdig en expliciet de verkoop van de woning en de afkoop van de levensverzekering hebben gemeld, waardoor zij de inlichtingenplicht hebben geschonden. Het college had echter onvoldoende een belangenafweging gemaakt bij de terugvordering, met name ten aanzien van de dringende redenen om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering.
De rechtbank oordeelt dat eisers niet bewust de plicht hebben geschonden en dat het college mede door eigen nalatigheid heeft bijgedragen aan de situatie. Daarom matigt de rechtbank de terugvordering tot 50%, € 37.429,47. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.
Het besluit van 13 juli 2023 wordt vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en het besluit van 1 december 2022 wordt herroepen voor dat onderdeel. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 4 juli 2025.
Uitkomst: De terugvordering van de Bbz-uitkering wordt gematigd tot 50%, vastgesteld op € 37.429,47, en het beroep wordt gegrond verklaard.