De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis waarbij de penningmeester van een vereniging werd veroordeeld tot betaling van €20.000 wegens verdwenen contant geld tijdens een zeskamp.
De penningmeester voerde aan dat de schuldbekentenis nietig of vernietigbaar is wegens wilsgebreken zoals dwaling, bedreiging en misbruik van omstandigheden. De kantonrechter oordeelt dat de schuldbekentenis niet nietig is wegens ontbreken van wil, en dat geen sprake is van bedreiging of dwaling.
Wel wordt geoordeeld dat de schuldbekentenis vernietigd moet worden wegens misbruik van omstandigheden. De penningmeester verkeerde in een emotionele noodsituatie, was jong en onervaren, en werd door het bestuur onder druk gezet om te tekenen terwijl essentiële informatie werd onthouden.
De vereniging kon niet aantonen dat de penningmeester als bestuurder aansprakelijk was wegens onbehoorlijk bestuur of onrechtmatige daad. De subsidiaire vorderingen worden afgewezen.
De verzetprocedure wordt gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd, en de vorderingen van de vereniging afgewezen. De vereniging wordt veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.