ECLI:NL:RBOBR:2025:3585

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
25/668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Hesselink Kleijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing last onder dwangsom huisvesting arbeidsmigranten voormalig recreatiepark Zwartven

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant heeft op 24 juni 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden. De last verplicht verzoekster om binnen zes weken ruim 300 arbeidsmigranten te ontruimen uit recreatiewoningen op het voormalig recreatiepark Zwartven in Hooge Mierde.

Verzoekster betwist de rechtmatigheid van de last en voert onder meer aan dat de huisvesting volgens het nieuwe bestemmingsplan is toegestaan en dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is. De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of de last geschorst kan worden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de begunstigingstermijn van zes weken te kort is gezien de omvang van de ontruiming en het aantal betrokken personen. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom deze korte termijn passend zou zijn en had het door verzoekster overgelegde ontruimingsplan terzijde geschoven zonder nadere motivering. Daarom werd het besluit geschorst tot de beslissing op bezwaar.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht en proceskosten. Het verzoek om schorsing werd daarmee toegewezen, terwijl de overige gronden niet verder werden behandeld. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het besluit van 27 februari 2025 tot last onder dwangsom wordt geschorst tot de beslissing op bezwaar vanwege een te korte begunstigingstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/668

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. H.J. Amsing),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden,

het college
(gemachtigde: mr. S.M.W. Verouden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder dwangsom (de last) die het college aan verzoekster heeft opgelegd om de huisvesting van arbeidsmigranten op het Zwartven, een voormalig recreatiepark in Hooge Mierde te beëindigen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de last te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 heeft het college de last aan verzoekster opgelegd
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [naam] namens verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Zwartven is een voormalig recreatiepark in de gemeente Reusel-De Mierden, gelegen tegen de Belgische grens. Op het park dat gelegen is op het perceel kadastraal bekend MDE02, sectie D, nummer 990 worden in recreatiewoningen al vanaf 2011 arbeidsmigranten gehuisvest. De gronden met daarop 42 recreatiewoningen met nummers 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 57, 59, 61, 63, 65, 67, 68, 69, 71 en 74, verhuurt Recreatiecentrum Zwartven B.V. aan verzoekster ten behoeve van de huisvesting van de arbeidsmigranten. De overige recreatiewoningen op Zwartven zijn eigendom van particulieren. Verzoekster onderverhuurt de betreffende recreatiewoningen weer aan een uitzendbureau.
3.2.
Op 9 februari 2021 heeft [naam] B.V. een principeverzoek ingediend bij het college, wat heeft geleid tot een principebesluit van 6 april 2021, waarin het college heeft besloten om in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van Zwartven. Op 27 december 2023 is daartoe een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, waarna de raad van de gemeente Reusel-de Mierden op 4 februari 2025 dit bestemmingsplan genaamd “Herontwikkeling park Zwartven Hoge Mierde”, heeft vastgesteld.
3.3.
In de brief van 23 mei 2024 heeft B.V. Recreatiecentrum Zwartven de huurovereenkomst tegen 1 december 2024 opgezegd en de ontruiming van de woningen tegen 31 december 2024 aangezegd. Verzoekster heeft bij de kantonrechter om ontruimingsbescherming verzocht, om te voorkomen dat de gehuisveste arbeidsmigranten per 31 december 2024 op straat zouden komen te staan. Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat het verzoek is afgewezen, maar dat het vonnis nog niet zal worden betekend.
3.4.
De door de arbeidsmigranten bewoonde recreatiewoningen zijn gelegen binnen het nu nog vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2009” (het bestemmingsplan). Volgens het college is bewoning van de recreatiewoningen door arbeidsmigranten strijdig met het bestemmingsplan, reden waarom het college aan [naam] . en verzoekster een voornemen last onder dwangsom gedateerd 9 januari 2025, heeft toegezonden. Daarbij zijn [naam] . en verzoekster ook in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een zienswijze in te dienen, waarvan zij op 17 januari 2025 gebruik hebben gemaakt. Omdat de overtreding van het bestemmingsplan vervolgens niet was beëindigd, heeft het college op 27 februari 2024 aan [naam] . en verzoekster afzonderlijk een last opgelegd. Als zij niet aan de last zouden voldoen, zouden zij een dwangsom van € 30.000 (ineens) per recreatiewoning verbeuren indien de overtreding niet binnen zes weken is beëindigd.
Gronden
4. Verzoekster voert aan dat niet handhavend kan worden opgetreden. Volgens verzoekster is geen sprake van een overtreding, omdat wonen volgens het bestemmingsplan “Herontwikkeling park Zwartven Hoge Mierde” is toegestaan. De arbeidsmigranten voeren in elke woning één huishouding en elke andere interpretatie komt niet overeen met de vormen van samenleving in de huidige maatschappij en zou daarom in strijd zijn met het verbod op discriminatie. Verder stelt verzoekster dat er sprake was van concreet zicht op legalisering. De huisvesting van arbeidsmigranten was op grond van het bestemmingsplan “Herontwikkeling park Zwartven Hoge Mierde” toegestaan omdat expliciet de huisvesting van een groep van maximaal vijf personen die geen gezamenlijk huishouden vormt onder de definitie van wonen was gebracht. Het schrappen van die zinsnede is pas in een laat stadium kenbaar geworden. Tot dat moment was er concreet zicht op legalisering. Verzoekster stelt verder dat handhaving om deze reden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot stelt verzoekster dat de begunstigingstermijn van zes weken onredelijk kort is voor het opnieuw huisvesten van ruim 300 mensen.
Toewijzen van de voorziening
5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de last te schorsen. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. Dat licht zij hieronder toe. Nu alleen daarin al een reden is gelegen om een voorziening toe te kennen, zal de voorzieningenrechter de overige gronden niet bespreken. Het is aan het bestuursorgaan om op grondslag van het bezwaar een heroverweging te maken.
5.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. [1]
5.2.
Om aan de last te voldoen, moet verzoekster binnen zes weken ruim 300 arbeidsmigranten uit hun woning (laten) zetten. De motivering van het college dat daarbij rekening is gehouden met de “Leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen” en dat verzoekster te weinig heeft gedaan om de overtreding te beëindigen, is onvoldoende om de relatief korte begunstigingstermijn van zes weken te dragen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat in gevallen waarbij personen als gevolg van de last onder dwangsom op zoek moeten naar een nieuwe woonruimte doorgaans een langere termijn wordt gehanteerd [2] en dat het college het overzicht van verzoekster met de door haar opgestelde ontruimingsplanning ongemotiveerd terzijde heeft geschoven. Het bezwaar heeft op dat punt dan ook een redelijke kans van slagen. Om te voorkomen dat dwangsommen kunnen worden verbeurd voordat het college het besluit heeft kunnen heroverwegen, zal de voorzieningenrechter het besluit van 27 februari 2025 schorsen tot de beslissing op bezwaar.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter schorst het besluit van 27 februari 2025 tot de beslissing op bezwaar. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
6.1.
Omdat het verzoek van verzoekster wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Deze kosten bestaan uit door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en begroot de voorzieningenrechter op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het verzoek, 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Ook moet het college het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • schorst het besluit van 27 februari 2025 tot de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 385,- dient te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2196.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 september 2023,