De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 20 februari 2025 de zaak tegen verdachte die medeplichtig werd gehouden aan het aanwezig hebben van harddrugs (cocaïne en MDMA) en softdrugs (hennep en hasjiesj), en het bezit van een vuurwapen met munitie. De feiten dateren van 3 juli 2024 te Middelburg, waarbij verdachte zijn woning ter beschikking stelde aan medeverdachten die daar drugs wogen en verhandelden.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim bij de doorzoeking van de woning. De dagvaarding was geldig en de machtiging tot binnentreden rechtmatig afgegeven. Verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen, maar medeplichtigheid aan het aanwezig hebben van de drugs en het bezit van het vuurwapen werd bewezen verklaard.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, het strafmaximum en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank legde een taakstraf van 150 uur op, te vervangen door 75 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Tevens werd beslag gelegd en onttrokken aan het verkeer van het vuurwapen en de munitie.
De uitspraak benadrukt het belang van streng optreden tegen drugshandel en vuurwapenbezit vanwege de maatschappelijke risico's en schade. Verdachte nam verantwoordelijkheid voor het vuurwapenbezit en had een beperkte rol in de drugspraktijken, wat meewoog in de strafmaat.