Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2024:6756

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 oktober 2024
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
WR 24/031
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in strafzaak lachgasbezit

In deze zaak heeft de verzoeker, verdachte in een strafzaak over vermeend bezit van lachgas, een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de zaak behandelt. Verzoeker stelde dat de rechter al tijdens de zitting had geconcludeerd dat het om lachgas ging, waardoor zijn verweer feitelijk werd uitgesloten. Tevens klaagde de raadsman over de wijze van bejegening door de rechter.

De rechter heeft in haar reactie aangegeven dat zij slechts een zakelijke opsomming van het dossier heeft gegeven zonder conclusies te verbinden, en dat het gebruik van het woord 'lachgas' in de context van de zaak gebruikelijk is. De wrakingskamer heeft beoordeeld dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren tot wraking kunnen leiden.

De wrakingskamer concludeert dat de omstandigheden in deze zaak niet voldoen aan die hoge maatstaf. Het gebruik van het woord 'lachgas' is passend bij het onderwerp van de strafzaak en er zijn geen aanwijzingen dat verzoeker niet meer zijn verweer kon voeren. Klachten over de bejegening van de raadsman zijn niet geschikt voor de wrakingsprocedure en kunnen via een klacht bij het gerechtsbestuur worden ingediend.

Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is op 3 oktober 2024 door de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant genomen en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van concrete feiten die partijdigheid aantonen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 24/031
Beslissing van 3 oktober 2024
van de meervoudige wrakingskamer op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te ' [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. J.H.E.M. Kersemaekers,
strekkende tot de wraking van:
mr. M.E. Bartels,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 18 september 2024 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- het dossier in de strafzaak tegen verzoeker;
- de schriftelijke reactie op de wraking van de rechter van 23 september 2024;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 september 2024.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de raadsman van verzoeker, mr. Kersemaekers voornoemd;
- de rechter.
1.3.
De wrakingskamer heeft vervolgens de datum van deze beslissing bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek en de reactie daarop van de rechter

2.1.
Het wrakingsverzoek strekt tot wraking van de rechter in de strafzaak met parketnummer 01.218891.24 tegen verzoeker als verdachte. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek samengevat het volgende ten grondslag gelegd.
De rechter gaf op de zitting in de strafzaak een zakelijke opsomming van de stukken in het strafdossier. Daarbij heeft de rechter steeds het woord “
lachgas” gebruikt en niet steeds “
vermeend lachgas”. Ook heeft de rechter voorgehouden dat verzoeker heeft erkend dat het om lachgas ging. Toen mr. Kersemaekers dit ter sprake bracht, onderbrak de rechter hem en zei dat hij al een heel pleidooi aan het houden was terwijl daar het moment nog niet voor was aangebroken. Daarna ging ze verder met het proces-verbaal over de gasflessen. Er ontstond volgens mr. Kersemaekers dus een voldongen feit dat verzoeker zou hebben bekend dat het om lachgas ging en mr. Kersemaekers heeft in de strafzaak maar één verweer, namelijk dat het géén lachgas was.
De rechter was in de ogen van mr. Kersemaekers echter al tot de conclusie gekomen, dat het om lachgas ging. Er was sprake van een concluderende wijze van voorhouden. Mr. Kersemaekers had daarmee in de strafzaak geen verweer meer.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek het volgende naar voren gebracht.
De rechter heeft de korte inhoud van de stukken voorgelezen, zonder daar verder conclusies aan te verbinden. Na het voorhouden van de stukken vraagt de rechter standaard aan alle procesdeelnemers of er nog andere stukken/passages uit stukken voorgehouden moeten worden. Aan die vraag is de rechter in het geval van verzoeker niet toegekomen, omdat zij toen al was gewraakt. Ook had mr. Kersemaekers de in zijn ogen relevante stukken uit het dossier in zijn verweer kunnen aanhalen, aldus de rechter.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld zijn naar het oordeel van de wrakingskamer in deze zaak niet aanwezig. De rechter heeft tijdens de strafzaak het dossier voorgehouden. Dit is een gebruikelijke en ook wettelijk voorgeschreven gang van zaken. Dat de rechter daarbij steeds het woord lachgas heeft gebruikt, levert geen grond op voor wraking. Alleen daaruit volgt niet een objectief gerechtvaardigde vrees voor of schijn van partijdigheid. De strafzaak tegen verzoeker gaat juist om het (mogelijke) bezit van lachgas. Er zijn ook geen aanwijzingen dat het voor verzoeker niet meer mogelijk was om andere (delen uit) stukken uit het strafdossier voorgehouden te laten worden of om het verweer te voeren dat het niet om lachgas ging.
Voor zover mr. Kersemaekers ook heeft bedoeld zich te beklagen over de manier waarop hij door de rechter is bejegend, overweegt de wrakingskamer dat de wrakingsprocedure niet is bedoeld voor dergelijke klachten. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn niet gesteld of gebleken.
Ook overigens is in de stellingen van verzoeker geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechter enige schijn van partijdigheid heeft gewekt.
3.3.
Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer,
wijst het verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met parketnummer 01.218891.24 af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. E.C.P.M. Valckx en
mr. E. Boersma, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.Th. Lenting, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2024.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.