Uitspraak
[verzoekers];
[verzoekers];
[verzoekers] ;
[verzoekers] ;
[naam] B.V.uit [naam] , vergunninghoudster,
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk (maximaal 15 jaar) realiseren van 100 4-6 persoons logiesverblijven en een ontvangstgebouw voor de huisvesting van shortstay internationale medewerkers. Voorts is een omgevingsvergunning voor een uitweg (inrit) verleend. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) zijn aan het ontvangstgebouw en de tiny houses een straatnaam en huisnummers toegekend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend.
De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.
)is afgegeven door de raad.
De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het college bij gebreke van een verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Meierijstad niet bevoegd was om een omgevingsvergunning voor het project te verlenen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
hoofdstuk 2.5 van de Beleidsnotitie, wat de voorzieningenrechter hierna onder het kopje ‘Gemeentelijk beleid’ nader zal motiveren.
De voorzieningenrechter acht voldoende onderbouwd dat het verblijf ter plaatse op basis van logies is. Het enkele feit dat er sprake is van woonvoorzieningen in de tiny houses maakt niet dat er sprake is van wonen. Gelet op onder meer de voorgeschreven maximale verblijfsduur van een arbeidsmigrant van zes maanden, de aanwezigheid van een beheerder, een nachtregister waarin de datum aanvang huisvesting en datum beëindiging huisvesting worden opgenomen en de op de locatie aanwezige gezamenlijke ruimtes, zoals de wasserette, de parkeervoorzieningen, de fietsenstallingen en de beheerdersruimte, heeft het vergunde verblijf een onvoldoende duurzaam karakter om dit als "wonen" te kunnen aanmerken. Dat de arbeidsmigranten zich op grond van voorschrift 1 van de vergunning moeten (laten) inschrijven in de Wet basisregistratie personen (Brp) als zij langer dan vier maanden in Nederland verblijven, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft terecht gesteld dat de doelstelling van registratie in de Brp dient te worden onderscheiden van de doelstelling van een planologische functie van een locatie en het enkele feit dat arbeidsmigranten in de Brp staan ingeschreven niet automatisch met zich brengt dat sprake is van een woonfunctie, ook al kan de inschrijving in de Brp daarvoor een indicatie zijn.
Voor zover verzoekers stellen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het project past bij het industriële karakter van het bedrijventerrein vanwege aard en omvang, overweegt de voorzieningenrechter dat zij hiervoor onvoldoende aanknopingspunten ziet. De locatie is gelegen naast het bedrijventerrein “De Amert” en op korte afstand tot de snelweg en rijkswegen. Verzoekers hebben niet gesteld en ook is niet op een andere wijze gebleken dat bedrijven op dit bedrijventerrein worden gehinderd in hun bedrijfsvoering vanwege de komst van arbeidsmigranten op de in geding zijnde locatie. Ook is niet gebleken dat op de locatie vanwege de aanwezigheid van het bedrijventerrein geen goed woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigranten zou bestaan. Huisvesting nabij dit bedrijventerrein maakt dat arbeidsmigranten die daar werken heel dicht bij hun werklocatie wonen, terwijl arbeidsmigranten die elders zouden gaan werken dichtbij uitvalswegen wonen.
500 arbeidsmigranten.
VAB-locatie bij het nemen van het bestreden besluit meegewogen als een positief aspect gezien de doelstelling voor het buitengebied om locaties te hergebruiken en om zuinig om te gaan met de ruimte.
Ten aanzien van de stelling dat tiny houses niet zijn aan te merken als grootschalige gebouwen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In paragraaf 2.4 van de Beleidsnotitie wordt beschreven waarom de raad heeft gekozen voor huisvesting van shortstay arbeidsmigranten door middel van grootschalige gebouwen aan de rand van het bedrijventerrein. Weliswaar zijn tiny houses geen grootschalige gebouwen, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat uit paragraaf 2.1 en 2.4 van de Beleidsnotitie genoegzaam volgt dat de raad met dit beleid heeft beoogd het huisvesten van meer dan
51 arbeidsmigranten op één locatie mogelijk te maken. In paragraaf 2.4 is onder meer van belang geacht dat beheer en controle bij het huisvesten van shortstay arbeidsmigranten op een locatie aan de rand van het bedrijventerrein goed realiseerbaar is. Hier is sprake van één locatie met daarop verschillende verblijven. Het enkele feit dat tiny houses geen grootschalige gebouwen zijn maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het project daarmee in strijd zou zijn met de Beleidsnotitie. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede betrokken dat het vereiste van grootschalige gebouwen niet is opgenomen in het in paragraaf 2.5 van de Beleidsnotitie opgenomen beleidskader voor huisvesting van shortstay arbeidsmigranten nabij bedrijventerreinen.
Voor zover verzoekers stellen dat de gemeenteraad bij de opstelling van deze nota geen rekening zal hebben gehouden met de huisvesting van 500 arbeidsmigranten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de in paragraaf 2.1 van de Beleidsnotitie opgenomen definitie van ‘grootschalige huisvesting’ is bepaald dat hieronder wordt verstaan de huisvesting van meer dan 51 arbeidsmigranten op één locatie. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beleid niet uitsluit dat meer dan 500 personen op een locatie worden gehuisvest. In paragraaf 2.4 van de Beleidsnotitie is gesteld dat de omvang en de aard van de huisvesting afhankelijk is van de draagkracht van de omgeving. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat omwonenden vrezen voor mogelijk nadelige gevolgen vanwege de huisvesting van 500 arbeidsmigranten, te meer omdat hier sprake is van een (hechte) buurtschap, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de omgeving onvoldoende draagkrachtig is voor deze ontwikkeling en het bestreden besluit hierom in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder meer in aanmerking genomen de ligging van de projectlocatie direct aansluitend op het bedrijventerrein met 120 bedrijven, de wijze van ontsluiting van de locatie aan de zijde van het bedrijventerrein, de landschappelijke inpassing met een geluidwal, de afstanden tot de dichtstbijzijnde woningen en tot het centrum van Veghel en de voorschriften over onder meer het beheer van de locatie die aan de vergunning verbonden zijn.
De Ladderonderbouwing is opgenomen in een separate bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing “Tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten “het Amert Kwartier” te Veghel”.
Hieruit blijkt dat de initiatiefnemer binnen stedelijk gebied onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties, waaronder de locaties die zijn aangedragen door verzoekers. Gelet op wat hierin is gesteld, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken dat er sprake is van alternatieve locaties, al dan niet binnen bestaand stedelijk gebied, waar met aanmerkelijk minder bezwaren de aangevraagde grootschalige huisvesting voor 500 arbeidsmigranten kan worden gerealiseerd en die ten onrechte niet bij de beoordeling van de aanvraag zijn betrokken.
Het college stelt allereerst dat de IOV niet voorziet in instructieregels voor tijdelijke functies, zoals in dit geval vergund. Formeel is de IOV dan ook niet van toepassing, maar bij de beoordeling van de aanvraag is daar wel naar gekeken. Het gebied is op provinciaal niveau aangeduid als “Verstedelijking afweegbaar” en is daarmee beleidsmatig geen zuiver buitengebied. Op grond van artikel 3.43 van de IOV is een stedelijke ontwikkeling als nieuwvestiging mogelijk (zijnde een permanente functie), mits deze voldoende wordt onderbouwd vanuit zuinig ruimtegebruik, regionale afspraken en landschappelijke inrichting. Deze aspecten zijn volgens het college in de ruimtelijke onderbouwing voldoende onderbouwd.
Over de landschappelijke inpassing als bedoeld in artikel 3.43, onderdeel d, van de IOV overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden, gelet op de situatietekening bij de ruimtelijke onderbouwing, dat hieraan niet wordt voldaan. Ter zitting is aan de orde gekomen dat sprake is van bestaande groenvoorzieningen op het perceel in verband met de agrarische bedrijfsvoering en dat bij de realisering van het project aanvullende groenvoorzieningen komen. In de omgevingsvergunning is in voorschrift 6 geborgd dat deze landschappelijke inpassing in stand wordt gehouden.
De voorzieningenrechter ziet, zoals ook reeds ter zitting is aangegeven, onvoldoende spoedeisendheid bij de beoordeling van deze voorschriften, te minder nu op korte termijn de behandeling van de zaken in de bodemprocedure zal plaatsvinden.
Conclusie en gevolgen
Verzoekers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
19 februari 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Invoeringswet Omgevingswet
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)
Besluit ruimtelijke ordening (oud)
stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;
nieuwe stedelijke ontwikkelingmogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.