vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer : 01.203659.24
Datum uitspraak : 23 oktober 2024
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,
wonende te [adres 2] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 september 2024.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 22 juni 2024 te Helmond (in het pand [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) wapen(s) en/of munitie van categorie II en/of III, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een pistoolmitrailleur, van het merk Israel Military Indusries/ IMI, type Mini Uzi, kaliber 9 millimeter en/of
- 26 stuks munitie (centraalvuur kogelpatronen, kaliber 9x19mm, behorend bij de Uzi) en/of
- een alarmpistool, kaliber 8mm knal en/of
- 2 stuks munitie (patroonmagazijn, behorende bij het alarmpistool)
zijnde (een) vuurwapen(s) geschikt om (al dan niet) (automatisch) te vuren voorhanden heeft gehad;
2.
zij op of omstreeks 22 juni 2024 te Helmond (in een pand aan de [adres 2] )
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer
- 45 gram (bak slaapkamer, 15 gripzakjes met hennep, geregistreerd onder goednummer 2219563, netto 45 gram) en/of
- 405 gram hennep (tabak gemengd met hennep in rode bak van Winston, geregistreerd op kvi 48, onder goednummer 2219392,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Ten aanzien van feit 1:
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het verwijt dat haar onder dit feit wordt gemaakt, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de in haar woning aangetroffen wapens en munitie waarover zij evenmin beschikkingsmacht heeft gehad.
De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer en overweegt in het bijzonder daartoe als volgt.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in hun proces-verbaal van bevindingen opgeschreven dat verdachte na haar aanhouding uit zichzelf heeft verklaard dat op de zolder van haar woning vuurwapens lagen en dat zij deze zelf aan de verbalisanten wilde laten zien. Met betrekking tot de daaropvolgende doorzoeking in de woning van verdachte hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] in hun proces-verbaal van bevindingen neergelegd dat verdachte hen uit eigen beweging heeft gewezen op een bigshopper tas op de zolder van haar woning, waarin de verbalisanten (onder meer de in tenlastelegging genoemde) wapens en munitie hebben aangetroffen.
De rechtbank stelt voorop dat de wetgever aan ambtsedig opgemaakte processen-verbaal sterke bewijskracht heeft toegekend, mede omdat verbalisanten over het algemeen geen belang hebben om een voorstelling van zaken te geven die niet of niet volledig overeenstemt met de werkelijkheid. Dit betekent dat er in beginsel dan ook van mag worden uitgegaan dat wat de verbalisanten in hun processen-verbaal hebben gerelateerd in overeenstemming is met de werkelijkheid. Dat kan anders zijn indien er feiten of omstandigheden aan de orde zijn, die de conclusie rechtvaardigen dat de verbalisanten al dan niet bewust in strijd met de waarheid hebben geverbaliseerd.
Op de zitting heeft de verdachte de in de hiervoor genoemde processen-verbaal beschreven gang van zaken betwist door te verklaren dat het niet klopt wat de verbalisanten in hun processen-verbaal hebben opgeschreven. De enkele betwisting door verdachte, zonder redengevende feiten of argumenten aan te dragen, legt bij deze stand van zaken onvoldoende gewicht in de schaal om te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van de door de verbalisanten op ambtseed opgemaakte en ondertekende processen-verbaal. Van feiten en omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen is de rechtbank ook overigens niet gebleken.
De verklaring van de medeverdachte dat hij zonder medeweten van verdachte de wapens en munitie op de zolder van de woning van verdachte heeft verstopt, typeert de rechtbank als een ultieme poging om verdachte vrij te pleiten van hetgeen haar wordt verweten. Gelet op het voorgaande is die verklaring naar het oordeel van de rechtbank echter ongeloofwaardig.
Het voorgaande brengt de rechtbank daarom tot het oordeel dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in haar woning. De woning betrof het hoofdverblijf van verdachte alwaar zij met de medeverdachte een geruime tijd samenwoonde. Verondersteld mag worden dat verdachte en haar medeverdachte toegang hadden tot alle vertrekken in de woning en derhalve feitelijke macht over de wapens en munitie konden uitoefenen in de zin dat zij daarover konden beschikken. De rechtbank acht het feit dan ook bewezen als na te melden.
Ten aanzien van feit 2:
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen toegang had tot de kast waar de 15 gripzakjes met hennep zijn aangetroffen (1e gedachtestreepje), zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman zo dat bij verdachte geen wetenschap bestond van de aanwezigheid van deze gripzakjes met verdovende middelen en dat deze zich niet in de machtssfeer van de verdachte bevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dat verweer echter niet slagen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de medeverdachte zich bezighield met de handel in verdovende middelen, dat verdachte daarvan op de hoogte was en hem daarbij ook wel eens heeft geholpen. De gripzakjes met hennep zijn aangetroffen in een kast op een slaapkamer. Bij de doorzoeking heeft verdachte verklaard dat “de tonnen in die kast met daarin hennep” weg waren. Op het bed in diezelfde slaapkamer is ook een rode bak met daarin tabak gemengd met hennep aangetroffen. Daarover heeft verdachte verklaard dat de inhoud van die rode bak voor eigen gebruik was.
Gelet op het feit dat verdachte op de hoogte was van de dealactiviteiten van haar medeverdachte, vrij toegang had tot de slaapkamer en wist dat in die kast op die slaapkamer hennep werd opgeslagen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat bij verdachte wetenschap bestond van de aanwezigheid van de aangetroffen gripzakjes met hennep en dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. De rechtbank acht het feit dan ook bewezen als na te melden.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1.
op 22 juni 2024 te Helmond (in het pand [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een ander
een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een pistoolmitrailleur, van het merk Israel Military Industries/ IMI, type Mini Uzi, kaliber 9 millimeter, zijnde een vuurwapen geschikt om al dan niet automatisch te vuren
en
een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een alarmpistool, kaliber 8mm knal en
- 26 stuks munitie (centraalvuur kogelpatronen, kaliber 9x19mm, behorend bij de Uzi)
2.
op 22 juni 2024 te Helmond (in een pand aan de [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van
- 45 gram en
- 405 gram,
van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd (bijlage 1).
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft bepleit het in de strafoplegging te laten bij een gevangenisstraf conform voorarrest. Daarbij is gewezen op de penibele persoonlijke situatie van verdachte. Subsidiair is voorgesteld een voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden, eventueel in de vorm van een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan het bezit van meerdere wapens en munitie. Eén van de wapens betrof een pistoolmitrailleur; een zeer zwaar en gevaarlijk wapentuig. Vuurwapens kunnen gebruikt worden bij het plegen van ernstige strafbare feiten, waarbij de kans op slachtoffers groot is. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie vormt daarom een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft
– ook als ze niet daadwerkelijk gebruikt worden – een enorme maatschappelijke impact.
Daarnaast heeft verdachte zich met een ander schuldig gemaakt aan het bezit van hennep.
Gelet op de wijze waarop een deel van die hennep werd aangetroffen (verpakt in afzonderlijke kleine gripzakjes) was in ieder geval dat deel onmiskenbaar bestemd voor de verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat de handel in drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit en ondermijning van de samenleving. Bovendien zijn verdovende middelen in het algemeen vaak sterk verslavend en schadelijk voor de gezondheid en plegen verslaafden vaak vermogensdelicten om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft met haar handelen dan ook bijgedragen aan het in stand houden van de nadelige effecten van de verspreiding en het gebruik van voor de volksgezondheid schadelijke drugs.
De oriëntatiepunten.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf en luiden ingeval van het voorhanden hebben van:
- een automatische vuurwapen van categorie II in een woning: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
- een alarmpistool van categorie III, onder 4: een geldboete van € 550,00;
- munitie tussen de 1 en 50 patronen: een geldboete van € 150,00 tot € 350,00 en
- softdrugs tussen de 200 en 500 gram: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
De persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar strafblad, waaruit volgt dat zij niet eerder ter zake van Opiumwet gerelateerde feiten strafrechtelijk door een rechter is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 september 2024 dat over de persoon van verdachte is opgemaakt. Daarin valt onder meer te lezen dat bij verdachte problemen zijn geconstateerd op het gebied van psychosociaal functioneren, partnerkeuzes, middelengebruik en dagbesteding. Een steunende factor is het feit dat er sprake is van huisvesting. Ondanks de verboden goederen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, heeft de woningbouw besloten om haar een nieuwe kans te bieden in de vorm van vervangende huisvesting. Verdachte staat ervoor open om opnieuw te kijken naar een dagbesteding. Verdachte is welwillend in het aangaan van hulp en heeft vanaf het moment van de schorsing van haar voorlopige hechtenis laten zien dat ze haar afspraken met de reclassering, de woningbouw, de uitkeringsinstanties en de ambulante woonbegeleiding nakomt. Ze is gemotiveerd om haar middelengebruik aan te pakken en de onderliggende oorzaak van haar verslaving te onderzoeken middels een behandeling. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van een dagbesteding, een verplichting tot medewerking aan middelencontrole en het meewerken aan een begeleidingsmodulen voor bewustwording van de levensstijl en middelen-problematiek.
Op de zitting heeft verdachte verder toegelicht dat zij op dit moment kampt met serieuze gezondheidsklachten, waarvoor zij onder behandeling staat van een specialist. Door de verdediging is dit onderbouwd met de stukken. Verdachte heeft desgevraagd voorts verklaard zich te kunnen vinden in het advies van de reclassering en bevestigd dat zij open staat voor de geadviseerde begeleiding en behandeling.
Strafmatigende omstandigheden.
De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte
meegesleurd lijkt te zijn in de criminele handel en wandel van haar medeverdachte, waartegen zij vanwege haar problematiek geen weerstand heeft kunnen bieden. Voorts zal de rechtbank er rekening mee houden dat verdachte na de schorsing van haar voorlopige hechtenis zich aan de voorwaarden heeft gehouden en alle hulp en begeleiding aanvaardt en haar leven wil verbeteren. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de zorgelijke gezondheidssituatie van de verdachte.
De conclusie.
Hoewel de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, ziet de rechtbank in wat hiervoor met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte is vermeld, aanleiding om het anders te doen en verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die hoger is dan de tijd die zij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan verdachte in dit uitzonderlijke geval een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf opleggen.
Concreet betekent het voorgaande dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 321 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een gedeelte van 300 dagen voorwaardelijk opleggen. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een zeer stevige voorwaardelijke straf passend. Om de risico’s op recidive in te perken acht de rechtbank het van belang om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van een dagbesteding, een verplichting tot medewerking aan middelencontrole en het meewerken aan een begeleidingsmodulen voor bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek te verbinden. De rechtbank zal een proeftijd van twee jaar vaststellen.
Om de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet goed wordt verricht.
De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.