ECLI:NL:RBOBR:2024:501
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen exploitatieverbod kinderopvang wegens niet-naleving vaste gezichten eis
Verzoekster exploiteert een kinderdagverblijf waarop het college een exploitatieverbod oplegde wegens het niet voldoen aan de kwaliteitseis van aanwezigheid van een vast gezicht voor kinderen van één jaar of ouder. De overtreding was vastgesteld bij inspecties op 16 en 22 januari 2024. Verzoekster had betoogd dat zij de tekortkoming inmiddels had hersteld, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat op het moment van het besluit op 30 januari 2024 nog niet aan de eis werd voldaan.
Het college was op grond van artikel 1.66 van de Wet kinderopvang bevoegd om handhavend op te treden. De voorzieningenrechter stelde vast dat het exploitatieverbod in principe gerechtvaardigd was, maar dat het bezwaar van verzoekster niet zonder redelijke grond kon worden afgewezen. Er was onzekerheid over de personeelsbuffer en de daadwerkelijke naleving in de praktijk.
Daarom werd het belang van verzoekster bij schorsing van het besluit zwaarder gewogen dan het belang van het college bij directe handhaving. De voorlopige voorziening werd onder strikte voorwaarden toegekend, waarbij verzoekster moest aantonen dat zij voldoet aan de kwaliteitseis en bij inspecties transparantie moest bieden. De schorsing geldt tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het griffierecht terugbetaald en het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het exploitatieverbod wordt geschorst onder voorwaarden tot zes weken na de bezwaarbeslissing.