AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan gegronde twijfel aan onpartijdigheid rechter
Verzoeker, een van de verwerende partijen in een civiele procedure, diende een wrakingsverzoek in tegen rechter I.L.P. Crombeen op grond van vermeende onpartijdigheid. Het verzoek bevatte diverse gronden, waaronder twijfels over de bevoegdheid van de rechtbank, vermeende ongelijkheid in behandeling en verwijzingen naar internationale rechtsorde.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 RvPro, waarbij uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn. Alleen uitzonderlijke omstandigheden kunnen dit vermoeden doorbreken. De wrakingskamer concludeerde dat geen van de aangevoerde gronden betrekking had op de onpartijdigheid van de rechter in de hoofdzaak.
Verzoeker gaf geen concrete aanwijzingen waarom juist deze rechter niet onpartijdig zou zijn. Zijn betoog kwam neer op een algemeen gebrek aan vertrouwen in de rechtspraak. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en wees het af zonder verdere behandeling.
De beslissing werd op 26 april 2024 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Crombeen is kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitspraak
beslissing
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer zaaknummer: WR 24/01 3
Beslissing van 26 april 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] (Duitsland), hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van:
mr. I.L.P. Crombeen,rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
1.De procedure
1.1.
Verzoeker is een van de verwerende partijen in een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank, die is gestart door [naam] als verzoekende partij. Deze zaak is bekend onder zaak- en rolnummer C/01/399355 / EX RK 23-187 (hierna: de hoofdzaak). De mondelinge behandeling in de hoofdzaak was gepland op 23 april 2024.
1.2.
Bij e-mail van 22 april 2024 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend. De zitting in de hoofdzaak is daarom niet doorgegaan.
1.3.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek nader toegelicht in tien aanvullende e-mails van 22 april 2024 met bijlagen. Ook heeft de wrakingskamer kennisgenomen van het dossier in de hoofdzaak.
2.Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
2.1.
Verzoeker schrijft in zijn wrakingsverzoek dat hij de rechter wraakt op basis van de volgende gronden:
"A. De rechtbank Oost-Brabant is niet bevoegd.
B. Rechtszaken zonder rechtmatige status.
C. De veiligheid van Nederland en Europa staat op het spel
D. Ongelijke behandeling bij rechtszaken over dezelfde feiten/handelingen.
E. Het civiele recht mag niet strenger straffen dan het strafrecht.
F. De opgelegde dwangsommen zijn situaties of transacties met een ongebruikelijk karakter. Het is verplicht om deze situatie/transactie te melden in verband met de Wwft.
[naam] , [naam] en [naam] hebben meerdere strafbare feiten gepleegd
H De valse beeldvorming over [naam] , zoals die is neergezet door [naam] met de boosaardige pen van [naam] .
I. Wederpartij vordert via meerdere wegen dwangsommen op basis van dezelfde
overtredingen al meer dan 5 jaar lang. J. Geen rechtsbijstand
K. De bevoegdheid van advocaat [naam] .
L. Artikel 90 GrondwetPro, het Handvest van de Europese Unie c.q. de internationale rechtsorde heeft voorrang op de Nationale Rechtsorde."
2.2.
In haar brief van 24 april 2024 stelt de rechter zich op het standpunt, dat geen van de door verzoeker aangevoerde gronden betrekking hebben op (gerechtvaardigde twijfel aan) de onpartijdigheid van de rechter.
3.De beoordeling
3.1.
Artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.3.
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter
zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.4.
De wrakingsgronden van verzoeker hebben geen van allen betrekking op - kort gezegd - de betrokkenheid van de rechter bij de hoofdzaak. Verzoeker geeft niet concreet aan om welke reden juist deze rechter de hoofdzaak niet onpartijdig zou kunnen behandelen of waarom er bij hem daartoe een gerechtvaardigde vrees bestaat. Het betoog van verzoeker in het wrakingsverzoek komt er in essentie op neer, dat hij geen vertrouwen heeft in een eerlijke rechtspraak bij de rechtbank Oost-Brabant en in de gehele rechtspraak in Nederland. Daarnaast brengt verzoeker in het verzoekschrift een groot aantal inhoudelijke standpunten met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak naar voren. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt daaruit op geen enkele manier de (schijn van) partijdigheid van de rechter in de hoofdzaak.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is daarom kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen. Er is dan geen grond voor een behandeling van het verzoek op een zitting.
4.De beslissing
De rechtbank,
wijst het verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met zaak- en rolnummer C/01/399355 / EX RK 23-187 af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en
mr. C.A. Mandemakers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.Th. Lenting, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).